R E C H T B A N K R O T T E R D A M sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 195914 / HA ZA 03-1102 Uitspraak: 18 januari 2006 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
(23174)from Zwolle to Amsterdam, invoice no. 1036 of v/h Stoffers-Amsterdam, dated 12th September 1998, including 5% administration costs” aangevoerd dat deze post ziet op kosten van het vervoer van een vervangende dieselmotor die onder de CMR niet voor vergoeding in aanmerking komen. Door naar aanleiding van het voorgaande verweer van THLI slechts te stellen dat zij tot nader bewijs betwisten dat deze kosten betrekking zouden hebben op het transport van de vervangende motor - en bovendien niet aan te geven waar deze kosten wél betrekking op zouden hebben - heeft Zürich cs onvoldoende gesteld dat deze kosten iets anders betreffen dan de door THLI aangeduide transportkosten, die niet voor vergoeding onder de CMR in aanmerking komende gevolgschade betreffen. Ad 2) NLG 131,25 aan “Gerlach (transport declaration costs)” 3.14 THLI heeft gesteld dat deze schadepost voortvloeit uit de bereddering respectievelijk het terugtransport van de beschadigde motor. Voor deze kostenpost geldt hetgeen hierna onder 3.19 wordt overwogen over de kosten van het terugtransport van de beschadigde dieselmotor naar Nederland. Ad 3) NLG 620,34 aan “K&S repro” 3.15 Noch in de dagvaarding, noch in het rapport van GAB Robbins, waar Zürich naar heeft verwezen ter onderbouwing van de gevorderde schade, staat nader aangeduid waar deze post op ziet. Door naar aanleiding van het ten aanzien van deze kostenpost gevoerde verweer van THLI, dat het onduidelijk is waar deze post op ziet, te stellen dat zij nog onderzoekt waar deze post op ziet, heeft Zürich cs onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat hier sprake is van een kostenpost die door THLI dient te worden voldaan. De vordering moet dan ook in zoverre worden afgewezen. 4) NLG 39.820,-- aan “Co-ordination; 220 hours. 3.16 Noch in de dagvaarding, noch in het rapport van GAB Robbins, waar Zürich naar heeft verwezen ter onderbouwing van de gevorderde schade, staat nader aangeduid waar deze post op ziet. Door naar aanleiding van het ten aanzien van deze kostenpost gevoerde verweer van THLI, dat dit geen schade is waar de vervoerder onder de CMR voor aansprakelijk is en dat hier bovendien sprake is van overlap met de over de meeste schadeposten gevorderde 5% administratiekosten, zonder nadere specificering of onderbouwing te stellen dat deze kosten voortvloeien uit de beredderingsmaatregelen, de vaststelling van de schade en de reparatie en niets van doen hebben met administratiekosten, heeft Zürich cs onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat hier sprake is van een kostenpost die door THLI dient te worden voldaan. De vordering moet dan ook in zoverre worden afgewezen. Ad
- b)USD 115.477,73 aan bergingskosten 3.17 Afgezien van de kosten van provisorische herstel van een brug ad USD 8.800,- heeft THLI deze kostenpost niet betwist. Niet in geschil is dat THLI deze kosten aan Wärtsilä in rekening heeft gebracht en dat deze kosten betrekking hebben op herstel van een brug nadat deze was weggespoeld. Zie ook p. 17 van het rapport van GAB Robbins, waar Zürich cs ter onderbouwing van de door haar gevorderde schade naar heeft verwezen, waarin voorts staat dat het voorval plaatsvond gedurende de locale regentijd en dat dan sprake kan zijn van overstromingen en dat tezamen met de expert van de wederpartij is vastgesteld dat deze kosten geen direct verband houden met het voorval, maar meer het karakter hebben van ondernemersrisico aan de zijde van THLI. Deze kosten zijn vergoed aan THLI en worden thans teruggevorderd ten titel van beredderingskosten. Zürich cs heeft dienaangaande gesteld dat zij als zodanig dienen te worden aangemerkt, daar de brug hersteld moest worden om de beschadigde motor terug te vervoeren. THLI heeft dit gemotiveerd betwist door aan te voeren dat de brug hersteld moest worden om de andere, niet beschadigde, motoren te vervoeren naar de plaats van bestemming. Indien de brug moest worden hersteld om de beschadigde dieselmotor terug te vervoeren, is sprake van beredderingskosten. Zürich cs zal haar stelling dienaangaande dienen te bewijzen. Ad
- c)USD 331.809 aan transportkosten 3.18 Deze post betreft de kosten van het transport van 1) de beschadigde dieselmotor van de plaats van het ongeval naar Zwolle en 2) een nieuwe dieselmotor van Zwolle naar Managua, subsidiair het vervoer van de (aanvankelijk) onbeschadigde dieselmotor en 3) de kosten die in het expertiserapport waar Zürich cs ter onderbouwing van haar vordering naar heeft verwezen zijn aangeduid als “customs, taxes, etc. in Nicaragua”. Uit de zich bij de stukken bevindende expertiserapporten blijkt dat de koper van de ernstig beschadigde dieselmotor gebruik heeft gemaakt van zijn contractuele recht op een nieuwe, vervangende dieselmotor. De beschadigde dieselmotor is terug naar Nederland vervoerd en is daar gerepareerd. De vervangende dieselmotor is meteen na het ongeval vervoerd naar Nicaragua. Ad 1) de kosten van het transport van de beschadigde dieselmotor van de plaats van het ongeval naar Zwolle 3.19 Zürich cs heeft onweersproken gesteld dat de beschadigde dieselmotor slechts in Nederland kon worden gerepareerd. Om te worden gerepareerd, moest de beschadigde dieselmotor dus terug naar Nederland worden vervoerd. De voor de reparatie noodzakelijke kosten van het vervoer van de plaats van het ongeval naar Zwolle maken daarom deel uit van de reparatiekosten en zijn, anders dan THLI heeft betoogd, dus niet aan te merken als gevolgschade. Dat Zürich cs deze kosten in haar vordering, in navolging van de indeling in het expertiserapport, waar zij ter onderbouwing van de vordering naar heeft verwezen, heeft gerubriceerd als transportkosten, doet niet af aan het voorgaande. Ad 2) de kosten van het transport van een nieuwe dieselmotor van Zwolle naar Managua, subsidiair van de (aanvankelijk) onbeschadigde dieselmotor 3.20 Met THLI wordt geoordeeld dat de kosten van transport van de vervangende dieselmotor zijn aan te merken als gevolgschade die niet voor vergoeding in aanmerking komt. In het bijzonder is geen sprake van de vrachtprijs als bedoeld in artikel 25 lid 1 jo 23 lid 4 CMR, die immers slechts ziet op het vervoer van de (gedeeltelijk) verloren zaak en niet op het vervoer van de vervangende zaak. 3.21 In haar conclusie van repliek heeft Zürich c.s., voor zover de transportkosten van de vervangende dieselmotor niet voor vergoeding in aanmerking komen, vergoeding gevorderd van het zeevervoer van de (aanvankelijk) onbeschadigde dieselmotor van Antwerpen naar Corinto, welke kosten gelijkgesteld zouden moeten worden met die van het aanvankelijk gevorderde bedrag aan transportkosten van de vervangende dieselmotor. 3.22 THLI heeft zich tegen de vordering van vorenbedoelde kosten verweerd met een beroep op verjaring. Vorenbedoelde eiswijziging houdt een vermeerdering van eis in, in de zin dat (subsidiair) kosten worden gevorderd die niet eerder gevorderd waren. Het tijdstip ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of het verjaringsverweer van THLI al dan niet doel treft, hangt af van de vraag of de eisvermeerdering van Zürich cs al dan niet moet worden aangemerkt als een nieuwe vordering. Bij een nieuwe vordering is voor de vraag of zij tijdig is ingesteld, het tijdstip van de eisvermeerdering beslissend, anders dat van de rechtsingang. Van een nieuwe vordering is geen sprake indien de eisvermeerdering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingesteld. Anders dan THLI heeft betoogd, is hier geen sprake van een nieuwe vordering. De vordering van deze kostenpost is net als de bij dagvaarding gevorderde posten gebaseerd op de door Zürich cs gestelde wanprestatie bij de uitvoering van de in de Purchase Order neergelegde vervoerovereenkomst dan wel onrechtmatige daad, bestaande uit het onder 1.2 bedoelde en onder 3.6 nader aangeduide voorval. Het met betrekking tot de eiswijziging gevoerde verjaringsverweer van THLI stuit reeds af op het voorgaande. 3.23 Met betrekking tot genoemd bedrag van USD 242.500,-- voert THLI het verweer dat op grond van artikel 23 lid 4 CMR uitsluitend de vrachtprijs ter zake van het wegvervoer voor vergoeding in aanmerking komt en niet de vrachtprijs ter zake van het zeevervoer. De rechtbank kan THLI hierin niet volgen. Artikel 23 CMR heeft betrekking op de omvang van de verplichting van de vervoerder tot vergoeding van schade waarvoor hij krachtens de CMR aansprakelijk is. Van deze door de vervoerder te betalen schadevergoeding maakt “de vrachtprijs” deel uit, zo is bepaald in lid 4 van dit artikel. Een en ander betekent dat niet alleen de vrachtprijs ter zake van wegvervoer maar ook bijvoorbeeld de vrachtprijs ter zake van zeevervoer voor vergoeding in aanmerking komt, voor zover sprake is van het vereiste causale verband tussen deze schade en de gedragingen van de vervoerder waarvoor hij op grond van de CMR aansprakelijk is. Van dat causale verband is in het onderhavige geval sprake. Immers, wanneer het ongeval niet had plaatsgehad en de dieselmotor dus niet zodanig beschadigd was geraakt dat deze vervangen moest worden door een andere motor uit Nederland, zou de vrachtprijs ter zake van het zeevervoer niet voor niets zijn betaald. 3.24 Daar THLI de hoogte van de Zürich cs gevorderde vrachtprijs van de (aanvankelijk) onbeschadigde motor heeft betwist en deze niet kan blijken of kan worden afgeleid uit de stukken, dient Zürich cs de hoogte van dit onderdeel van de vordering te bewijzen. Ad 3) “customs, taxes, etc. in Nicaragua” 3.25 Door, na de gemotiveerde betwisting door THLI van de verschuldigdheid van deze kostenposten, slechts te stellen dat deze kosten betrekking hebben op de bereddering en het terugtransport van de beschadigde dieselmotor, heeft Zürich cs onvoldoende gesteld dat deze kostenposten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Ad
- d)€ 50.205,61 aan expertisekosten 3.26 THLI betwist dat zij expertisekosten verschuldigd is, omdat deze onder de CMR niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen en deze kosten in casu al door de verzekeraars zouden zijn vergoed. Zürich cs spreekt een en ander tegen. De onderhavige expertisekosten komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover zij deel uitmaken van de waardevermindering van de beschadigde goederen als bedoeld in artikel 25 lid 1 CMR. Aan dat vereiste is in het onderhavige geval voldaan, aangezien vast is komen te staan dat de expertisekosten zijn gemaakt ter vaststelling van de schade. Niet in geschil is dat de expertisekosten zijn gemaakt door de verzekeraars. Dat deze kosten niet door de ladingbelanghebbende zijn gemaakt maar door de verzekeraars is niet van belang, ten eerste omdat het hier om redelijke kosten gaat die de ladingbelanghebbende anders zelf ook had moeten maken en ten tweede omdat vast is komen te staan dat deze kosten worden bestreken door de verzekeringsovereenkomst. Dat laatste vloeit voort uit de omstandigheid dat tussen partijen niet in geschil is dat de verzekeraars, door de expertisekosten voor hun rekening te nemen, de ladingbelanghebbende hebben vergoed, terwijl gesteld noch gebleken is dat de expertisekosten niet vallen onder de verzekeringsovereenkomsten. Het bovenstaande betekent dat de gevorderde expertisekosten voor toewijzing vatbaar zijn. Ad
- e)€ 5.536,-- aan buitengerechtelijke kosten 3.27 THLI betwist dat zij buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. Volgens haar zou de CMR aan toewijzing van deze kosten in de weg staan. Bovendien betwist zij de hoogte van deze kosten. Zürich c.s. weerspreekt een en ander. Geen enkele bepaling van het CMR, derhalve ook niet het vierde lid van artikel 23, verzet zich tegen de toekenning van buitengerechtelijke incassokosten. De vraag of deze voor vergoeding in aanmerking komen dient dan ook volgens het nationaal, in casu Nederlands, recht beantwoord te worden. Van buitengerechtelijke incassokosten kan slechts sprake zijn indien het niet gaat om kosten van juridische bijstand waarvoor de artikelen 237-240 Rv een vergoeding insluiten. Zürich c.s. heeft evenwel onvoldoende gesteld dat door haar buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 5.536,-- zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke kosten moeten dan ook worden afgewezen. 3.26 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 4. De beslissing De rechtbank, draagt Zürich het bewijs op: - dat de brug hersteld moest worden om de beschadigde dieselmotor terug te vervoeren; - van de hoogte van de gevorderde vrachtprijs van de (aanvankelijk) onbeschadigde motor; bepaalt dat indien partijen dit bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. L. de Loor-Alwin; bepaalt dat de procureur van Zürich c.s. binnen twee weken na vonnisdatum opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden mei, juni en juli 2006 en dat de procureur van THLI binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald; bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. L. de Loor-Alwin. Uitgesproken ter openbare terechtzitting. 901/1548