vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 187207 / HA ZA 02-2531 Vonnis van 3 mei 2006 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, procureur mr. Th. Dollee, tegen de vennootschap onder firma ACV BEHEER B.V., gevestigd te Vlaardingen, gedaagde, procureur mr. W. Haagman. Partijen zullen hierna [eiser] en ACV genoemd worden. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 20 september 2002 met producties - de conclusie van antwoord met producties - het vonnis van deze rechtbank van 4 juni 2003, waarin een comparitie van partijen werd gelast - het proces-verbaal van comparitie van partijen van 18 september 2003 en de daarbij door [eiser] overgelegde producties - de akte aan de zijde van ACV van 8 april 2004 met producties - de conclusie van repliek met producties - de conclusie van dupliek met producties Ten slotte is vonnis bepaald. De feiten [Eiser], geboren op 6 maart 1950, is per 1 februari 1995 in dienst getreden bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A.C.V. Beveiligingstechniek (hierna: ACV BT (oud)) in de functie van manager. Zijn laatstverdiende salaris bedroeg fl. 6.945,83 per maand. Op 29 oktober 1996 hebben [eiser] en ACV BT (oud) een schriftelijke (nadere) overeenkomst gesloten met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden. Hierin is onder meer vermeld: A. Ingaande en met werking vanaf 1 november 1996 zal aan [eiser] een bedrag op maandbasis groot f 1.700,-- worden toegekend. B. Ingaande per diezelfde datum is tevens aan [eiser] een bedrag overeenkomende met 10% van de per jaar te behalen winst voor aftrek van de belasting toegekend. A.1. Genoemd bedrag kan [eiser], middels daaraan ten grondslag liggende declaraties/fakturen/bonnen met een verantwoord bedrijfsmatig karakter, maandelijks ten laste van de vennootschap brengen. (…) Op 4 november 1997 is [eiser] benoemd tot statutair directeur van ACV BT (oud). Bij akte van 3 maart 1999 is de handelsnaam van ACV BT (oud) gewijzigd in ACV Beheer B.V. (ACV). ACV is bestuurder en enig aandeelhouder van drie (op 30 december 1998 opgerichte) vennootschappen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACV Installatie & Beveiligingstechniek B.V., de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACV Vastgoed B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACV Service & Systems B.V. De handelsnaam ACV Installatie & Beveiligingstechniek B.V. is bij akte van 3 maart 1999 gewijzigd in ACV Beveiligingstechniek B.V. (hierna: ACV BT (nieuw)). Bij brief van 27 maart 2002 van mr. Th.B.L. Jorna, de toenmalige raadsman van ACV, is aan [eiser] bericht dat de aandeelhouders van ACV in de Buitengewone Vergadering van Aandeelhouders van 26 maart 2002 het besluit hebben genomen om hem op staande voet te ontslaan. In de Notulen is onder meer vermeld: Arbeidsovereenkomst met [eiser] De voorzitten memoreert dat [eiser] reeds op 28 februari 2002 is geschorst als directeur van de vennootschap. (…) De voorzitter stelt voor [eiser], aangezien hij het vertrouwen van de Vergadering onwaardig is geworden, hem op grond hiervan op staande voet te ontslaan. (…) Op 23 april 2002 is door de raadsman van [eiser] de nietigheid van voormeld ontslag ingeroepen. Bij brief van 22 juli 2002 heeft het UWV aan [eiser] onder meer bericht: Betreft: uw rechten op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (wao) Toekenning uitkering U hebt een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd. Op 17 april 2002 bent u gedurende 52 weken arbeidsongeschikt geweest. In aansluiting op deze periode kennen wij u met ingang van 18 april 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe. Het geschil [Eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair a. zal verklaren voor recht dat de beëindiging van de dienstbetrekking met ingang van 26 maart 2002 nietig is; b. ACV zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van EUR 3.965,20 bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke en overeengekomen toeslagen, ingaande op 1 maart 2002, tot het moment dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%, als bedoeld in artikel 7:625 BW, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over vorenbedoelde bedragen, vanaf 1 maart 2002 tot aan de dag der voldoening; subsidiair a. zal verklaren voor recht dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 26 maart 2002 door ACV schadeplichtig is in de zin van artikel 7:677 BW; b. ACV zal veroordelen om aan hem te betalen een schadeloosstelling ex artikel 7:680 BW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2002, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening; c. zal verklaren voor recht dat ACV de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft beëindigd c.q. doen eindigen; d. ACV zal veroordelen bij wege van billijke schadevergoeding aan hem te voldoen een bedrag van EUR 71.956,42 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2004 tot aan de dag der voldoening; primair en subsidiair ACV zal veroordelen in de kosten van het geding. [Eiser] baseert zijn vordering op de stelling dat het ontslag (punt 2.7.) nietig is omdat er geen sprake was van een dringende reden en/of het ontslag niet onverwijld na het bekend worden van de beweerdelijke dringende reden is verleend en voorts omdat de (eenzijdige) beëindiging van de arbeidsovereenkomst in strijd is met het ontslagverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW. ACV voert (onder meer) aan dat er sprake is van een overgang van onderneming waarbij ACV BT (oud) is overgegaan naar ACV BT (nieuw). Volgens haar is [eiser] niet in dienst geweest van ACV, maar van ACV BT (nieuw) en derhalve niet ontvankelijk in zijn vordering. Voorts heeft [eiser] zich op grote schaal schuldig gemaakt aan frauduleus handelen, waaronder diefstal en verduistering, hetgeen een grond oplevert voor ontslag op staande voet. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. De beoordeling Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering jegens ACV. Tussen partijen staat vast dat [eiser] in 1995 dienst is getreden bij ACV BT (oud) en in 1997 is benoemd tot statutair directeur. ACV BT (oud) heeft op 3 maart 1999 haar naam gewijzigd in ACV Beheer B.V. (ACV). ACV is de houdster- of moedermaatschappij waarvan ACV BT (nieuw), ACV Vastgoed en ACV Service & Systems de volle dochters zijn. Verder staat vast als gesteld door ACV en niet weersproken dat de activiteiten van ACV BT (oud) zijn verdeeld over ACV en de drie dochtermaatschappijen. [Eiser] heeft geen nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten en was tot zijn ontslag geregistreerd als enig, zelfstandig bevoegd, directeur van ACV. Volgens ACV zijn de activiteiten van ACV BT (oud) overgegaan naar ACV (nieuw) en is er sprake van een overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Daaruit volgt dat [eiser] vanaf 3 maart 1999 een arbeidsovereenkomst heeft met ACV BT (nieuw), hetgeen ook blijkt uit het feit dat zijn salaris betaald werd door ACV BT (nieuw). [Eiser] was daarnaast statutair directeur van ACV, doch hij ontving daarvoor geen beloning, aldus steeds ACV. De rechtbank volgt ACV niet in haar verweer dat [eiser] geen arbeidsovereenkomst heeft/had met ACV. Immers, tussen partijen staat vast dat de activiteiten van ACV BT (OUD) zijn verdeeld over de vier nieuwe BV’s. [Eiser] is ook directeur gebleven van ACV. [Eiser] heeft onweersproken gesteld dat alle tot de functie van [eiser] behorende taken door hem onverminderd vanuit ACV werden vervuld. Het enkele feit dat zijn salaris werd betaald door ACV BT (nieuw) maakt niet dat hij in dienst was van ACV BT (nieuw). Integendeel, de omstandigheid dat de algemene vergadering van aandeelhouders van ACV het besluit heeft genomen om [eiser] te ontslaan, waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen zijn functie als directeur en zijn functie als werknemer, wijst erop dat ook ACV er op dat moment van uit ging dat [eiser] in dienst was bij ACV. Ook alle brieven die de toenmalige raadsman van ACV in verband met de schorsing en het ontslag heeft gezonden, zijn verstuurd namens ‘ACV Groep’. ACV heeft wel betoogd dat de arbeidsovereenkomst door ACV namens ACV BT (nieuw) is beëindigd, maar dat blijkt nergens uit. Hieruit volgt dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering. Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering. [Eiser] stelt dat het ontslag nietig is omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.