Datum uitspraak: 14 juni 2006 Tegenspraak VONNIS van de politierechter in de RECHTBANK TE ROTTERDAM, in de zaak tegen: [naam verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats] raadsvrouwe mr. A.A. de Back, advocaat te Amsterdam. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2006. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/775519-05. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd A1 en A2). DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Kaptein heeft ter terechtzitting van 1 juni 2006 gerekwireerd de bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde en de veroordeling van verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis. ONTVANKELIJKHEIDHEID OPENBAAR MINISTERIE IN DE VERVOLGING De raadsvrouwe van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Naar aanleiding van de strafzaak tegen het slachtoffer ter zake van de tegen deze gerezen verdenking verdachte te hebben mishandeld, is verdachte als aangever op 9 april 2004 door de politie nader gehoord. Ter gelegenheid van dit verhoor heeft de politie de worsteling tussen verdachte en aangever ter sprake gebracht, die ontstond nadat aangever verdachte onverhoeds een klap had gegeven. Door het vragen naar bijzonderheden met betrekking tot die worsteling bracht de politie aangever in een situatie, waarin hij zich zelf mogelijk als verdachte kon belasten. Blijkens de aard van de vraagstelling wordt ook door de politie onderkend dat uit de situatie met betrekking tot de worsteling ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld met betrekking tot een strafbaar feit (een mogelijk geweldsdelict tegen [naam slachtoffer]) kon worden afgeleid. In dat geval was de politie dan ook verplicht om verdachte de cautie als bedoeld in artikel 29, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering te geven. Bij de verhoren door de rechter-commissaris, belast met behandeling van strafzaken in deze rechtbank d.d. 19 en 27 april 2005, welke verhoren plaatsvonden op last van de politierechter, die de strafzaak tegen het slachtoffer behandelde, is verzuimd om verdachte opmerkzaam te maken op zijn verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 van het Wetboek van Strafvordering. Dit had wel gemoeten, nu ook in deze situatie ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van een strafbaar feit (geweldsdelict tegen [naam slachtoffer]). Nu verdachte bij zijn verhoor op 9 april 2004 de cautie niet is gegeven, terwijl hij bij de verhoren door de rechter-commissaris niet opmerkzaam gemaakt is op zijn verschoningsrecht, is hij ernstig in zijn verdediging benadeeld, omdat immers gehandeld is in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM. Het Openbaar Ministerie dient op grond hiervan niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Met betrekking tot dit verweer overweegt de politierechter het volgende: - Het achterwege laten van het geven van de cautie in het telefonisch verhoor van verdachte op 9 april 2004. Anders dan de raadsvrouw is de politierechter niet van oordeel dat verdachte in het telefonisch verhoor van 9 april 2004 als verdachte in de zin van artikel 27, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) had moeten worden aangemerkt. Een dergelijke verplichting vloeit niet voort uit dat artikel. Artikel 27, lid 1 Sv beschermt juist integendeel een persoon in die zin dat deze eerst dan als verdachte mag worden aangemerkt als het in dat artikellid bedoelde redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit aanwezig is. - Verdachte niet gewezen op zijn verschoningsrecht ex art 219 Sv in de verhoren van 19 en 27 april 2005. Ook in dit standpunt kan de politierechter de raadsvrouwe niet volgen. Weliswaar beroept zij zich ter ondersteuning van dat standpunt op een conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van de HR van 30 augustus 2005 (NJ 2005, 543), maar zoals uit dat arrest blijkt heeft de advocaat-generaal de Hoge Raad niet aan zijn zijde. Er bestaat geen wettelijke plicht om personen die door de rechter als getuige worden gehoord uitdrukkelijk te wijzen op hun verschoningsrecht. Het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt derhalve verworpen. Nu er evenmin andere gronden zijn die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten leiden, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. NIET BEWEZEN De politierechter acht het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat hij de verdachte daarvan zal vrijspreken. Allereerst acht de politierechter niet bewezen dat het opzet van verdachte - ook niet in voorwaardelijke zin - gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en voorts acht de politierechter het niet waarschijnlijk dat het door verdachte toegepaste geweld zou hebben kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel. BEWEZEN De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld. 1. hij op 27 april 2005 te [plaatsaanduiding], tijdens een getuigenverhoor door de rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam, als getuige gehoord zijnde in de strafzaak tegen [naam slachtoffer] (parketnummer 10/052358-04) na de krachtens wettelijk voorschrift (te weten krachtens artikel 216 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering) gevorderde belofte te hebben afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk- zakelijk weergegeven - heeft verklaard - dat hij, verdachte, niet gezien heeft dat [naam slachtoffer] is geslagen 2) subsidiair hij op 13 februari 2004 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer]), met zijn, verdachtes, gebalde vuist in het gezicht van die [naam slachtoffer] heeft gestompt en meermalen met zijn, verdachtes, gebalde vuist tegen het hoofd van die [naam slachtoffer] heeft gestompt (terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag en onder controle werd gebracht waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. De politierechter acht niet bewezen hetgeen onder 1 en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat hij de verdachte hiervan eveneens zal vrijspreken. Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde kan niet worden bewezen dat verdachte in zijn verhoor als getuige op 27 april 2005 bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, onder ede, heeft verklaard: ”dat [het slachtoffer] slechts onder controle is gebracht”. Het proces-verbaal van de verklaring van de verdachte bevat deze uitlating niet. Voorts kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard niet te hebben gezien dat [naam slachtoffer] letsel had en noch bij [naam slachtoffer], noch elders bloed te hebben waargenomen. Daarbij wordt overwogen dat het leveren van het wettig en overtuigend bewijs dat een persoon opzettelijk valselijk heeft verklaard dat hij een bepaald voorval niet heeft gezien, dikwijls een onmogelijke opgave is. Van de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden, zal in belangrijke mate afhangen of de verklaring dat dat incident of voorval niet is gezien als opzettelijk valselijk kan en moet worden beschouwd. In elk geval kan niet zonder meer uit de omstandigheid dat andere aanwezigen verklaren dat incident of voorval wel te hebben waargenomen, worden afgeleid dat eerstgenoemd persoon valselijk heeft verklaard. De politierechter gebruikt voor de bewezenverklaring na te noemen bewijsmiddelen 1) De verklaring van de verdachte ter terechtzitting: Ik weet dat [het slachtoffer] mij Rambo noemt. 2) Een voor kopie conform origineel getekend ambtsedig proces-verbaal van de rijksrecherche genummerd 20050057 d.d. 31 mei 2005 opgemaakt door Van der Linden voornoemd en door P. Delfos, bijzonder ambtenaar van politie in rang van inspecteur van politie, werkzaam bij de rijksrecherche, inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [naam PIW-er 1]: Ik werk als senior penitentiair inrichtingsmedewerker werkzaam op de B-vleugel van de penitentiaire inrichting (PI) [naam inrichting + vestigingsplaats]. U vraagt mij wat ik mij nog kan herinneren van het incident met de gedetineerde [naam slachtoffer] op 13 februari 2004, nadat door de unitdirecteur [naam unitdirecteur] met hem een rapport was besproken. Ik kan mij nog herinneren dat ik die dag inderdaad dienst had. De kamer, waarin deze rapportbespreking plaatsvond heeft een afmeting van 3 bij 2 meter en 20 centimeter. Achter het bureau zat de unitdirecteur [naam unitdirecteur], ik stond aan de rechter lange zijde van deze kamer tegenover het bureau, naast de stoel waar [naam slachtoffer] moest plaatsnemen. Ik stond te wachten toen [naam slachtoffer] binnen werd gebracht. Rechts achter de stoel waarin [naam slachtoffer] plaatsnam stond de collega [naam medeverdachte 2]. Schuin links achter de stoel stond [naam verdachte]. Op het moment dat de straf werd uitgesproken zag ik dat [naam slachtoffer] snel van zijn stoel opstond en ik zag dat hij met zijn rechtervuist mijn collega [naam verdachte] een stomp op het gezicht gaf. Hierop zag ik dat [naam medeverdachte 2] [naam slachtoffer] in een nekklem beetpakte. De collega’s [naam verdachte], [naam PIW-er 2] en [naam PIW-er 3] hadden [naam slachtoffer] inmiddels vast. Ik zag dat [naam verdachte] kennelijk zeer geëmotioneerd was door de klap die hij in zijn gezicht had gekregen en door het lint ging. Ik zag dat [naam medeverdachte] met zijn rechtervuist meerdere keren opzettelijk en met kracht op het gezicht van [naam slachtoffer] stompte. [naam slachtoffer] kon zich niet verweren, omdat wij bezig waren zijn armen op de rug te brengen teneinde hem te kunnen boeien. Ik zag dat [naam slachtoffer] tengevolge van de klappen ging bloeden uit zijn neus en mond. Ik zag dat het gedeelte van het gezicht onder de ogen onder het bloed zat. 3) Een voor kopie conform origineel getekend ambtsedig proces-verbaal van de rijksrecherche genummerd 20050057 d.d. 18 mei 2005 opgemaakt door Van der Linden en Van Linden, beiden voornoemd inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [naam slachtoffer]: Ik verbleef op 13 februari 2004 in het huis van bewaring aan de [naam inrichting + vestigingsplaats]. Op die dag kreeg ik rapport aangezegd. Ongeveer een uur later werd ik door vier of vijf PIW-ers uit mijn cel gehaald, omdat ik op rapport moest komen bij de directeur. Toen ik de kamer binnen liep, waar de rapporten werden uitgedeeld, zag ik de directeur achter het bureau zitten. Achter hem stonden twee PIW-ers. Voor mij links in de kamer stond Rambo. De directeur las de inhoud van het rapport aan mij voor. Hierna sprak hij de straf uit. Nadat de straf door de directeur was uitgesproken ben ik opgestaan, draaide mij naar links en kwam als het ware recht voor Rambo te staan. Ik gaf Rambo plotseling met mijn rechtervuist een stomp in zijn gezicht. Het volgende wat ik mij kan herinneren is dat ik op mijn buik op de grond lag en dat mijn gezicht met de linkerzijde tegen de grond werd gedrukt. Vanuit mijn gezichthoek zag ik dat Rambo op mijn rug zat. Ik voelde dat ik overal geslagen werd. Ik voelde veel pijn in mijn hoofd. 4) Een voor kopie conform origineel getekend ambtsedig proces-verbaal van de rijksrecherche genummerd 20050057 d.d. 15 juni 2005 opgemaakt door Van der Linden en Van Linden, beiden voornoemd, inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van verdachte: Ik heb afgelopen nacht weinig geslapen en heb veel nagedacht. Ik heb besloten open en volledig tegenover u te verklaren. Ik wil schoon schip maken. Ik ben mij bewust en geef toe dat ik in eerdere door mij afgelegde verklaringen, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris niet volledig ben geweest en ook niet helemaal eerlijk. Momenteel ben ik werkzaam als senior Penitentiair Inrichtingsmedewerker (PIW-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.