RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 245915 / HA ZA 05-2615 Uitspraak: 21 maart 2007 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [eiser], wonende te Rotterdam, eiser, procureur mr. S.O. Voogt, advocaat mr. E. Lievens te ‘s-Gravenhage, - tegen - 1. [gedaagde 1], wonende te [woonplaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] gevestigd te Rotterdam, procureur mr. W.L. Stolk, advocaat mr. T.H. Vermeulen te Rotterdam, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OBVION N.V., gevestigd te Heerlen, procureur mr. W.L. Stolk, advocaat mr. S. Brenninkmeijer te Utrecht, gedaagden. Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk “[gedaagde 1]”, “[gedaagde 2]” en “Obvion”. 1. Het verloop van het geding 1.1 - De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 29 augustus 2005 en de door [eiser] overgelegde producties; - conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], met producties; - conclusie van antwoord aan de zijde van Obvion, met producties; - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 23 november 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast; - proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 5 april 2006; - akte na comparitie aan de zijde van [eiser], tevens inhoudende een wijziging van eis, met producties; - antwoordakte aan de zijde van Obvion; - antwoordakte aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], met producties; - de stukken van de op 18 en 19 augustus 2005 ten verzoeke van [eiser] en ten laste van [gedaagde 1] gelegde conservatoire (derden)beslagen. 1.2 Bij antwoordakte hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bezwaar gemaakt tegen de omvang van de akte van [eiser]. Obvion heeft zich ter zake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tijdens de comparitie van partijen is aangegeven dat [eiser] de gelegenheid kreeg een akte te nemen. Er is niet aangegeven tot welk onderwerp (of welke onderwerpen) deze akte beperkt diende te blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding om voorbij te gaan aan de inhoud van deze akte, temeer nu gedaagden de mogelijkheid hebben gekregen om inhoudelijk te reageren op de inhoud van deze akte, en van die gelegenheid ook gebruik hebben gemaakt. 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast: 2.1 [gedaagde 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2], waarvan de bedrijfsomschrijving luidt: “Beheersactiviteiten niet-beurs-genoteerde aandelen; werving, selectie en detachering van personeel in de ruimste zin, alsmede advisering op het gebied van personeel, onder de naam: H.L.S. Personeelsdiensten”. [gedaagde 2] is enig aandeelhouder van [bedrijf]. Enig bestuurder is [gedaagde 1]. De bedrijfsomschrijving van deze vennootschap luidt: “Het exploiteren van een uitzendbureau waaruit arbeidskrachten ter beschikking worden gesteld aan derden”. [gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van De Carrièrewinkel B.V. De bedrijfsomschrijving van deze vennootschap luidt: “Het (tijdelijk) uitzenden van personeel”. [bedrijf]. en De Carrièrewinkel B.V. worden hierna ook samen aangeduid als “de oude vennootschappen”. 2.2 Op 28 december 1999 hebben [gedaagde 2] en [eiser] HLS Marine & Offshore V.O.F. (hierna: “de V.O.F.”) opgericht. De bedrijfsomschrijving van de V.O.F. luidde: “Arbeidsbemiddelingsbureau op het gebied van scheepsbouw, scheepvaart en Offshore”. 2.3 De geschillen die gepaard gingen met het beëindigen van de werkzaamheden van [eiser] in de V.O.F. hebben [gedaagde 2] en [eiser] voorgelegd aan arbiters. 2.4 Bij arbitraal vonnis van 27 december 2003 is de vordering van [eiser] tot ontbinding van de V.O.F. wegens toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 2], toegewezen. In dit vonnis is tevens beslist dat een mondelinge behandeling zal worden vastgesteld voor de vordering van [eiser] tot veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van € 551.913,- met rente, tot nakoming van de vennootschapsovereenkomst en tot betaling van een boete op grond van deze vennootschapsovereenkomst. 2.5 Op 9 januari 2004 heeft [eiser] ten laste van [gedaagde 2] conservatoir beslag gelegd op de aandelen in het kapitaal van [bedrijf]. en De Carrièrewinkel B.V. 2.6 Op 18 februari 2004 heeft Van Soest Makelaardij het winkelpand aan de [adres] (hierna: “het winkelpand”), dat eigendom was van [gedaagde 2], getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van € 235.000,-. Op 19 maart 2004 heeft ABC Makelaardij Rotterdam B.V. het winkelpand getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van € 405.000,-. 2.7 Op 19 april 2004 heeft [gedaagde 1], handelend als rechtsgeldig vertegenwoordigings-bevoegde van [gedaagde 2], het winkelpand aan zichzelf verkocht en geleverd voor een bedrag van € 235.000,-. 2.8 Op 4 juni 2004 heeft [gedaagde 1] (en zijn vrouw) van Obvion te leen ontvangen een bedrag van € 480.000,-. Tot zekerheid voor terugbetaling van deze lening heeft [gedaagde 1] (en zijn vrouw) recht van eerste hypotheek verleend op zijn woonhuis en op het winkelpand. [gedaagde 1] heeft in het kader van deze transactie aan Obvion het taxatierapport van ABC Makelaardij Rotterdam B.V. laten zien. 2.9 Bij arbitraal eindvonnis van 19 april 2005 is [gedaagde 2] veroordeeld tot - verkort weergegeven - betaling aan [eiser] van een bedrag van € 191.888,- met rente en een bedrag van € 15.000,- ter tegemoetkoming in de kosten van juridische bijstand van [eiser] en een bedrag van € 56.244,47 aan arbitragekosten (€ 25.800,- wegens door [eiser] voorgeschoten arbitragekosten en € 30.444,47 voor het honorarium en de verschotten van arbiters en nog te betalen griffierecht). 2.10 Op 24 mei 2005 heeft deze rechtbank [eiser] verlof verleend tot tenuitvoerlegging van voornoemd arbitraal vonnis van 19 april 2005. 2.11 Op 6 juni 2005 is Julie Beheer B.V. opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van Julie Beheer B.V. is [gedaagde 1]. De bedrijfsomschrijving van deze vennootschap luidt: “Houdstervennootschap”. Julie Beheer B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van HLS-Recruitment B.V., opgericht op 9 juni 2005. De bedrijfsomschrijving van deze vennootschap luidt: “Het verlenen van diensten op het gebied van werving, detachering en selectie”. Julie Beheer B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van Carrièrewinkel-uitzendbureau B.V., opgericht op 6 juni 2005. De bedrijfsomschrijving van deze vennootschap luidt: “Het ter beschikking stellen van arbeid”. Julie Beheer B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van Carrièrewinkel-projecten B.V., opgericht op 6 juni 2005. De bedrijfsomschrijving van deze vennootschap luidt: “De advisering en ondersteuning - ondermeer op het gebied van reïntegratie - van werkgelegenheidsprojecten”. HLS-Recruitment B.V., Carrièrewinkel-uitzendbureau B.V. en Carrièrewinkel-projecten B.V. worden hierna ook samen aangeduid als “de nieuwe vennootschappen”. 3. Het geschil De bij akte na comparitie gewijzigde vordering van [eiser] luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - primair voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van twee geldsommen groot € 191.888,- en € 71.244,47, vermeerderd met wettelijke rente; - subsidiair voor recht te verklaren dat sprake is van vereenzelviging van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 1] derhalve te veroordelen tot betaling van twee geldsommen groot € 191.888,- en € 71.244,47 met rente; - meer subsidiair voor recht te verklaren dat [gedaagde 1] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld en [gedaagde 1] te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; - subsidiair, voor zover op [eiser] enige bewijslast zal rusten, [gedaagde 1] te gebieden, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, ex artikel 843a Rv aan [eiser] inzage te geven in alle administratieve bescheiden op straffe van een dwangsom; - de tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesloten koopovereenkomst van 19 april 2004 betreffende het winkelpand te vernietigen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te gebieden binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het pand terug te leveren op straffe van een dwangsom; - subsidiair, voor zover de koopovereenkomst van het winkelpand niet wordt vernietigd, [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 170.000,- met rente; - voor recht te verklaren dat het Obvion ten tijde van het vestigen van een eerste recht van hypotheek op het winkelpand niet te goeder trouw was; - gedaagden te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.1 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd: 3.1 2 [gedaagde 1] heeft toegelaten dat [gedaagde 2] wanprestatie pleegde jegens [eiser]. Dit is onrechtmatig. Het feit dat [gedaagde 2] wanprestatie heeft gepleegd, blijkt uit het arbitraal vonnis. 3.1.2 Na het veroordelend vonnis van de arbiters heeft [gedaagde 1] nieuwe vennootschappen opgericht (Julie Beheer B.V. en haar dochtermaatschappijen) en daar activiteiten van de dochtervennootschappen van [gedaagde 2] in ondergebracht. Het verhaal van de vordering van [eiser] op [gedaagde 2] is hiermee onmogelijk gemaakt, hetgeen onrechtmatig is jegens [eiser]. 3.1.3 [gedaagde 1] heeft in zijn hoedanigheid van aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] paulianeus en onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] door het winkelpand beneden de feitelijk waarde aan zichzelf in privé te verkopen. 3.1.4 [eiser] heeft hierdoor schade geleden ter grootte van de bedragen die bij arbitraal vonnis aan hem zijn toegewezen. [gedaagde 1] dient deze schade te vergoeden. 3.1.5 Obvion was bekend met de door [gedaagde 1] met [gedaagde 2] overeengekomen prijs en werkelijke waarde van het winkelpand en heeft haar hypotheekrecht derhalve niet te goeder trouw verkregen. 3.2 [gedaagde 1], [gedaagde 2] en Obvion hebben de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan. 4. De beoordeling de vordering jegens Obvion 4.1 De vordering jegens Obvion zal worden afgewezen, aangezien Obvion deze gemotiveerd heeft betwist en [eiser] geen concrete en specifieke feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel zouden kunnen leiden dat Obvion bekend was met de door [gedaagde 1] met [gedaagde 2] overeengekomen prijs en werkelijke waarde van het pand en dat Obvion haar hypotheekrecht niet te goeder trouw heeft verkregen. [eiser] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure jegens Obvion. de vordering jegens [gedaagde 1] 4.2 Uitgangspunt is dat [gedaagde 2] een rechtspersoon is die zelfstandig, als drager van eigen rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer deelneemt. Een bestuurder of aandeelhouder kan niet zonder meer worden aangesproken op de handelingen die hij verricht in zijn hoedanigheid van bestuurder of aandeelhouder van een vennootschap. Daaraan dienen bijzondere omstandigheden ten grondslag te liggen. Tussen partijen is in geschil of er sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden. 4.3 Ter beoordeling ligt voor de vraag of [gedaagde 1] uit hoofde van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schuld van [gedaagde 2] aan [eiser]. Daarbij overweegt de rechtbank dat voor het aannemen van een dergelijke aansprakelijkheid plaats is indien de bestuurder in ernstige mate kan worden verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane verplichting niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent. 4.4 Vast staat dat op 27 december 2003 bij arbitraal vonnis de subsidiaire vordering van [eiser] tot ontbinding van de V.O.F. wegens toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 2] is toegewezen en dat in dit vonnis tevens is beslist dat een mondelinge behandeling zal worden vastgesteld voor de vordering van [eiser] tot veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van € 551.913,- met rente, tot nakoming van de vennootschapsovereenkomst en tot betaling van een boete op grond van deze vennootschapsovereenkomst. 4.5 Tevens staat vast dat [gedaagde 1], handelend als rechtsgeldig vertegenwoordigingsbevoegde van [gedaagde 2], na deze uitspraak, op 19 april 2004, het winkelpand aan zichzelf heeft verkocht en geleverd voor een bedrag van € 235.000,-. Volgens [gedaagde 1] heeft hij op instigatie van zijn accountant, gegeven de slechte liquiditeits- en vermogenspositie van [gedaagde 2], het winkelpand verkocht en de geldmiddelen aangewend ter delging van schulden van [gedaagde 2] en ten behoeve van de bedrijfsvoering van [gedaagde 2]. 4.6 Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat [gedaagde 2], naast het winkelpand, op dat moment kennelijk geen andere vermogensbestanddelen had waaruit zij haar verplichting uit hoofde van haar aansprakelijkheid jegens [eiser] zou kunnen voldoen. [gedaagde 2] heeft het winkelpand aan zichzelf verkocht voor een bedrag dat € 170.000,- lager lag dan het bedrag genoemd in het taxatierapport van ABC Makelaardij Rotterdam B.V. van 19 maart 2004 ([gedaagde 1] heeft op de comparitie van partijen verklaard dat dit een objectieve makelaar is). Op het moment van verkoop van het winkelpand hing [gedaagde 2] een veroordeling boven het hoofd van maximaal € 551.913,- wegens toerekenbare tekortkoming jegens [eiser]. [gedaagde 1] heeft niet, althans onvoldoende, gemotiveerd aangegeven waarom het taxatierapport van ABC Makelaardij Rotterdam B.V. niet juist zou zijn. Hoewel het op zich niet onrechtmatig hoeft te zijn om een winkelpand van de vennootschap aan de bestuurder van die vennootschap te verkopen, treft [gedaagde 1], door dat als bestuurder van [gedaagde 2] onder deze omstandigheden wel te doen, in ernstige mate een verwijt in het geval zou komen vast te staan dat het winkelpand voor een te laag bedrag is verkocht, terwijl hij dat kon weten gezien de taxatie van ABC Makelaardij Rotterdam B.V. De schade die [eiser] daardoor heeft geleden dient [gedaagde 1] in een zodanig geval aan [eiser] te vergoeden. Om te kunnen bepalen of [gedaagde 2] het winkelpand voor een te laag bedrag heeft verkocht waardoor [gedaagde 2] geen verhaal meer bood aan [eiser] (en indien dat het geval is, voor hoeveel te laag het is verkocht), heeft de rechtbank behoefte aan het oordeel van een of meer makelaars die de waarde van het winkelpand dient/dienen te vast te stellen per 19 april 2004. Voorafgaand aan het hierna te noemen getuigenverhoor zal een comparitie van partijen gelast worden waarop [gedaagde 1] en [eiser] zich kunnen uitlaten over de in dit kader te benoemen deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.