RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 240189 / HA ZA 05-1687 Uitspraak: 15 augustus 2007 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur en advocaat mr. I.C.J. Brinkhof, - tegen - de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AUTOSERVICE WILLEMSE B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur en advocaat mr. D.H. Sterke. Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "Willemse". 1 Het verloop van het geding 1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 3 mei 2005 en de door [eiseres] overgelegde producties; - herstelexploit d.d. 20 mei 2005, waarbij [eiseres] Willemse heeft opgeroepen om op 8 juni 2005 bij procureur te verschijnen bij deze rechtbank; - conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties; - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 3 augustus 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast; - brief d.d. 18 augustus 2005 van mr. Sterke, met productie; - brief d.d. 12 oktober 2005 van mr. Brinkhof, met productie; - proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 27 oktober 2005; - conclusie van repliek in conventie, tevens inhoudende een wijziging van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met productie; - conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte tot vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties; - conclusie van dupliek in reconventie, tevens conclusie naar aanleiding van akte vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie; - brief d.d. 12 oktober 2006 van mr. Sterke, met producties; - brief d.d. 27 november 2006 van mr. Brinkhof, met producties; - brief d.d. 5 december 2006 van mr. Brinkhof, met productie; - brief d.d. 7 december 2006 van mr. Sterke, met productie; - de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities. 1.2 [eiseres] heeft bij conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende conclusie naar aanleiding van akte vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie bezwaar gemaakt tegen het aanvoeren van nieuwe feiten en stellingen door Willemse bij conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte tot vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie. Dit bezwaar wordt verworpen. [eiseres] wordt niet onredelijk in haar processuele positie geschaad, nu zij op de in de betreffende conclusie opgenomen feiten en stellingen heeft kunnen reageren; ook kan niet gezegd worden dat de procedure hierdoor onredelijk is vertraagd. 1.3 [eiseres] heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van Willemse in reconventie. [eiseres] stelt dat de eisvermeerdering niet toelaatbaar is omdat Willemse bij wijze van eisvermeerdering een eis in voorwaardelijke reconventie instelt, die bij conclusie van eis in reconventie ingesteld had moeten worden. Willemse kan geen aanvullende vordering formuleren die is gebaseerd op een andere grondslag dan de oorspronkelijke eis in reconventie, aldus [eiseres]. Dit betoog slaagt niet. Willemse heeft tijdig – bij conclusie van eis in reconventie – een eis in reconventie ingesteld. Het staat haar vrij haar eis en de gronden daarvan te wijzigen binnen de grenzen van artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Hiertoe behoort ook het (deels) voorwaardelijk maken van de (vermeerderde) eis in reconventie. De eiswijziging is niet in strijd met de goede procesorde, nu [eiseres] hierdoor niet onredelijk in haar processuele positie is geschaad en de procedure hierdoor niet onredelijk is vertraagd. 2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weer¬sproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voorzover van belang – het volgende vast: 2.1 Willemse heeft bij overeenkomst d.d. 4 juli 2002 (hierna: de koopovereenkomst) aan [eiseres] een nieuwe Peugeot 206 cc 2.0.-16V A2 met kenteken 49-JP-NR (hierna: de auto) verkocht. De koopprijs voor de auto was € 23.299,-- (incl. BTW). Voor de auto gold een tweejarige fabrieksgarantie. [eiseres] heeft door Autoshop Brabant een alarmsysteem in de auto laten inbouwen voor een bedrag van € 719,10 (incl. BTW). 2.2 De koopovereenkomst is een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW. 2.3 Willemse heeft [eiseres] op 4 juli 2002 gefactureerd voor de auto. Op de factuur staat onder meer: “Op al onze transacties zijn de BOVAG-standaardbepalingen van toepassing, welke verkrijgbaar en ter inzage zijn bij ons bedrijf.” 2.4 Artikel 21 van de BOVAG-standaardbepalingen bepaalt onder meer: “Is de in artikel 20 genoemde bemiddelingspoging niet geslaagd of geeft de koper/opdrachtgever niet de voorkeur aan een bemiddeling, dan kan de koper/opdrachtgever het geschil schriftelijk voorleggen bij de Geschillencommissie Auto van de Stichting Geschillencommissies (..). De Geschillencommissie Auto doet uitspraak in de vorm van een bindend advies (..)” 2.5 De auto is op of omstreeks 5 juli 2002 door Willemse aan [eiseres] geleverd. Na de levering hebben zich een aantal problemen voorgedaan met de auto waarop in dit vonnis nader wordt ingegaan. 2.6 [eiseres] heeft Willemse bij brief d.d. 6 maart 2003 in gebreke gesteld: “(..) Allereerst is de auto zo’n 7 keer bij uw garage terug geweest wegens het niet correct functioneren van de geluidsinstallatie. Vervolgens heb ik problemen gehad met de rechter voorportierruit, die niet wilde sluiten, en een niet goed sluitend bijrijderportier. Deze problemen zijn overigens inmiddels verholpen. Ook heb ik een probleem gehad met de airbag, hetgeen in eerste instantie goed is opgelost. Vanaf oktober ondervind ik zeer veel hinder door het niet normaal functioneren van het remsysteem. Wanneer ik het rempedaal aanraak, ontstaat er een hard en zeer irritant piepgeluid. (..) Momenteel doen zich wederom problemen voor met de airbag en is de auto weer een dag bij u geweest om een niet functionerend achterraam te repareren. Dit achterraam is gerepareerd maar nog geen week later bleek het raam nog altijd niet correct te functioneren. (..) Ook met betrekking tot de contactsleutels en sloten zal ik mijn auto weer bij uw garage moeten brengen voor enige werkzaamheden. (..) Ik stel u hierbij (..) in gebreke. Ik verzoek en voor zover nodig sommeer ik u binnen veertien dagen met een gedegen oplossing van het probleem te komen. Mocht u hiertoe niet overgaan, dan zal ik mij genoodzaakt voelen de koopovereenkomst te ontbinden. Tevens zal ik de schade welke ik door uw wanprestatie / toerekenbare tekortkoming heb geleden en de schade die ik dientengevolge eventueel in de toekomst nog zal lijden van u vorderen.” 2.7 Bij brief d.d. 28 mei 2003 heeft [eiseres] Willemse als volgt bericht: “Naar aanleiding van de door mij verstuurde ingebrekestelling van 6 maart 2003, is door u besloten alle klachten uit eerder genoemde brief in een keer te verhelpen. Dit zou gebeuren op 7 april 2003. Na de werkzaamheden die op 7 april 2003 zijn verricht heb ik met iemand van uw organisatie (..) gesproken. In dit telefonisch onderhoud gaf hij te kennen dat de oplossing die is toegepast op de piepende remmen, een oplossing van tijdelijke aard is. (..). Inmiddels bent u dan ook in verzuim. (..) Hier komt bij dat de problemen met de elektrische ramen nog altijd niet zijn opgelost. Inmiddels zijn de problemen verergerd. Wanneer harder dan 110 kilometer per uur wordt gereden, begint het raam hard te tikken. (..) Bovendien hebben wij nog regelmatig het probleem dat met name de bijrijderramen niet willen sluiten. Verder heb ik moeten constateren dat het dak sinds kort op twee plekken lekt. Met name wanneer de auto met een hogedrukspuit wordt gewassen of wanneer de auto door een wasstraat gaat, stroomt het water letterlijk naar binnen. (..) Als blijk van goede wil, zal ik echter vooralsnog niet overgaan tot ontbinding van de koopovereenkomst. Gaarne wil ik u drie opties bieden. Allereerst kunt u alsnog overgaan tot de oplossing van blijvende aard en herstel van de ramen en het dak. Ten tweede kunt u besluiten een toezegging te doen, dat wanneer in de toekomst opnieuw problemen ontstaan met het remsysteem, u alsnog zult overgaan tot toepassing van de oplossing van blijvende aard. (..) De derde optie is akkoord te gaan met ontbinding van de koopovereenkomst, de aankoopsom te retourneren en de schade die ik door uw wanprestatie heb geleden en nog zal lijden te vergoeden. (..) Gaarne verneem ik uw reactie en keuze voor 12 juni 2003. Mocht u voor die tijd geen gemotiveerde reactie op dit schrijven geven, dan rest mij geen andere optie dan ontbinding van de koopovereenkomst.” 2.8 In reactie op de brief d.d. 28 mei 2003 heeft Willemse [eiseres] bij brief d.d. 7 juni 2003 als volgt bericht: “Ten eerste spijt het mij dat de problemen met uw auto tot op heden niet afdoende zijn opgelost. (..). Ik zal donderdag 12 juni contact met u opnemen, om tot een oplossing te komen.” 2.9 Willemse heeft [eiseres] bij brief d.d. 21 augustus 2003 bericht: “De remmen zijn de laatste keer door ons behandeld met een anti piep middel en daarvoor ontwikkelde plaatjes. Als er in de toekomst weer problemen met de remmen ontstaan op het gebied van piep geluiden dan zal Auto Service Willemse deze behandeling weer uitvoeren en de kosten hiervan op zich nemen. Elk rem systeem is onderhevig aan slijtage, de kosten hiervan zijn voor rekening van de klant. Wij zijn ook van mening dat u in het eerste jaar te veel ongemakken aan de auto heeft ondervonden. Wij willen u dan ook het volgende voorstellen. De leeuwenkeur verzekering zoals in uw brief aangegeven daar zullen wij de helft van voor onze rekening nemen. (..)” 2.10 Bij brief d.d. 2 maart 2004 heeft [eiseres] een opsomming gegeven van de problemen die zij in de 18 maanden sinds de aanschaf van de auto heeft gehad en heeft zij gevraagd om een bespreking om tot een oplossing te komen. Op 9 maart 2004 vond deze bespreking plaats. Willemse heeft daarbij een voorstel gedaan tot inruil van de auto tegen een nieuwe Peugeot 206cc 2.0 liter Roland Garros met alarm, waarbij [eiseres] € 8.825,-- zou moeten bijbetalen. Bij brief d.d. 23 maart 2004 heeft [eiseres] het voorstel van Willemse verwor¬pen en een tegenvoorstel gedaan, waarbij zij een bedrag zou bijbetalen van € 3.000,--. [eiseres] heeft dit bedrag later verhoogd tot € 4.000,--. Partijen hebben geen overeen¬stemming bereikt over een inruil van de auto. 2.11 [eiseres] heeft de koopovereenkomst bij brief d.d. 15 juni 2004 ontbonden en Willemse gesommeerd tot terugbetaling van de koopprijs. Willemse heeft de ontbinding van de hand gewezen. Diverse schikkingspogingen in de periode van juli 2004 tot januari 2005 hebben niet tot een oplossing geleid. [eiseres] heeft de auto na de ontbinding van de koopovereenkomst onder zich gehouden en daarvan gebruik gemaakt. 3 Het geschil in conventie 3.1 [eiseres] vordert – na eiswijziging en zakelijk weergegeven – om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Primair: a. te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst bij brief d.d. 15 juni 2004 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden; b. Willemse te veroordelen om aan [eiseres] de koopsom ad € 24.018,10 terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2004; Subsidiair: a. de koopovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden met dien verstande dat de koop¬prijs wordt verminderd met een bedrag ter grootte van het verschil tussen de huidige verkoopwaarde en de oorspronkelijke koopprijs, nader op te maken bij staat, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; b. Willemse te veroordelen om aan [eiseres] het door de rechtbank aldus vast te stellen bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de koopovereenkomst, althans vanaf 15 juni 2004, althans vanaf de dag van de dagvaarding; II. Willemse te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 342,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding; III. Willemse te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, zijnde een bedrag van € 998,--; IV. Willemse te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat Willemse de proces¬kosten dient te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan Willemse de wettelijke rente over de proceskos¬ten verschuldigd is. 3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan haar vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd: a. Willemse heeft niet voldaan aan haar verplichtingen onder de koopovereenkomst. De auto bezat en bezit niet de eigenschappen die [eiseres] op grond van de koopover¬een¬komst mocht verwachten. Van een nieuwe auto mag verwacht worden dat deze gedurende geruime tijd probleemloos functioneert. De auto had echter een groot aantal gebreken, waardoor de auto veelvuldig en langdurig terug moest naar de garage. De reparaties aan de auto waren echter vaak niet afdoende. Hierbij heeft Willemse slechts een enkele keer gezorgd voor vervangend vervoer. b. [eiseres] heeft steeds tijdig geklaagd over de geconstateerde gebreken. [eiseres] heeft Willemse bij brief d.d. 6 maart 2003 in gebreke gesteld, waarbij een termijn is gegeven van 14 dagen om met een gedegen oplossing te komen. Willemse heeft hieraan geen gevolg gegeven. c. Nadat besprekingen over een inruil van de auto in 2004 niet tot overeenstemming hebben geleid – mede doordat Willemse niet voldoende wilde betalen voor de auto – heeft [eiseres] de koopovereenkomst bij brief d.d. 15 juni 2004 ontbonden. Het gevolg hiervan is dat op beide partijen een ongedaanmakingsverplichting is komen te rusten. [eiseres] is gehouden de auto te retourneren, Willemse is gehouden de betaalde koopprijs terug te betalen. [eiseres] heeft haar verplichting tot teruggave van de auto opgeschort omdat Willemse waarschijnlijk de koopprijs niet zou terugbetalen. d. Als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Willemse heeft [eiseres] schade geleden. [eiseres] is met de auto ten minste 15 keer heen en weer naar de garage gereden ten behoeve van reparaties. De kosten hiervan begroot [eiseres] op (15 * 47 km * € 0,28 =) € 197,40. Voorts zijn er twee reparaties aan de auto uitgevoerd door een andere Peugeot dealer. De kosten van deze reparaties bedragen € 31,83 (voor de stuurkogel) respectieve¬lijk € 113,55 (voor vervanging van de remblokken). e. [eiseres] heeft buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht. De kosten hiervan begroot zij op grond van Voorwerk-II op € 998,--. 3.3 Het verweer van Willemse strekt tot afwijzing van de vordering van [eiseres], met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding. Willemse heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd: a. Willemse stelt dat er sprake was van enige kinderziekten en ongemakken, maar niet van tekortkomingen. De ondervonden problemen zijn niet ernstig en vormen geen aantasting van de veiligheid van de auto. De auto heeft vanaf de levering in 2002 tot september 2006 ongeveer 109.000 kilometer gereden, zodat alleen daaruit al blijkt dat de auto geschikt was voor normaal – zelfs intensief – gebruik. Tijdens de zogeheten A-beurt in oktober 2003 (maar ook bij de APK keuring in 2006) bleek dat de auto geen enkel (noemenswaardig) probleem had. Willemse heeft alle klachten serieus genomen, onderzocht en, waar de klacht gegrond bleek, verholpen. Zij heeft zoveel mogelijk een leenauto ter beschikking gesteld. Willemse is niet in verzuim. b. [eiseres] heeft de auto sinds medio 2004 niet meer ter reparatie aangeboden aan Willemse, zodat de vermeende aanhoudende klachten voor Willemse oncontroleer¬baar en niet te repareren zijn. c. De ontbinding van de koopovereenkomst is tardief. [eiseres] heeft de koopovereen¬komst pas ontbonden na twee jaar en na een groot aantal kilometers te hebben gereden met de auto. [eiseres] heeft zich bovendien bijzonder onredelijk opgesteld, onder meer door niet in te stemmen met een redelijk voorstel tot inruil van de auto. d. De door [eiseres] gevorderde reiskosten van (15 * 47 km * € 0,28 =) € 197,40 worden betwist. De afstand van de woning van [eiseres] naar de garage van Willemse is slechts 5,6 en geen 47 kilometer. Bovendien dient te worden uitgegaan van een kilometerprijs van € 0,18. Willemse heeft bovendien zoveel mogelijk een leenauto ter beschikking gesteld c.q. [eiseres] had een vervangen¬de auto kunnen huren of de auto van haar man kunnen gebruiken. De – zeer beperkte – reiskosten dienen bovendien op grond van de verkeersopvattingen voor rekening van [eiseres] te blijven. Willemse betwist voorts de vergoeding die [eiseres] vordert voor reparaties die zijn uitgevoerd door andere Peugeot-dealers. De betreffende reparaties zijn uitgevoerd na het verstrijken van de garantietermijn van twee jaar en omvatten bovendien de gebruikelijke 60.000 kilometer beurt, waarvan de kosten in ieder geval voor [eiseres] moeten blijven. De vervanging van remblokken valt bovendien onder normaal onderhoud. e. Willemse betwist de buitengerechtelijke incassokosten, nu [eiseres] een rechts¬bijstandverzekering heeft. [eiseres] heeft hierdoor geen buitengerechtelijke incassokosten gemaakt. 4 Het geschil in (gedeeltelijk voorwaardelijke) reconventie 4.1 Willemse vordert – na eiswijziging en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 5.000,-- wegens nodeloos gemaakte kosten; II. [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 33.830,-- als vergoeding voor het gebruik van de auto in de periode van 6 maart 2003 tot 6 januari 2006, te vermeerderen met een bedrag van € 995,-- voor iedere maand vanaf februari 2006 tot de dag waarop de auto bij Willemse wordt ingeleverd, welke gebruiksvergoeding voorwaardelijk wordt gevorderd voor het geval de rechtbank in conventie vaststelt dat de koopovereen¬komst is ontbonden c.q. deze ontbindt; III. [eiseres] te veroordelen in de proceskosten. 4.2 Aan deze vordering heeft Willemse – naast hetgeen in conventie als verweer is aan¬gevoerd en zakelijk weergegeven – de volgende stellingen ten grondslag gelegd: a. [eiseres] is ten onrechte niet ingegaan op het door Willemse gedane, redelijke, voorstel tot inruil van de auto. Bovendien heeft [eiseres] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een bindend advies te vragen in overeenstemming met de toepasselijke BOVAG standaardbepalingen of van het voorstel van Willemse om een andere deskundige in te schakelen. Willemse heeft hierdoor substantiële (extra) kosten moeten maken, voor welke kosten [eiseres] aansprakelijk is. [eiseres] begroot deze schade op € 5.000,--. b. Indien de rechtbank de koopovereenkomst ontbonden acht, heeft Willemse recht op een vergoeding voor het gebruik door [eiseres] van de auto. Indien de koopover¬eenkomst ongedaan gemaakt zou moeten worden zonder enige vergoeding aan de zijde van [eiseres], zou [eiseres] een ongerechtvaardigd financieel voordeel hebben. Immers, [eiseres] heeft sinds juli 2002 gebruik kunnen maken van de auto en heeft dat ook in zeer ruime mate gedaan: 109.000 kilometer in iets meer dan vier jaar. De gevorderde vergoeding baseert Willemse op een maandelijkse huurprijs van € 995,-- en is berekend vanaf 6 maart 2003, de datum waarop [eiseres] voor het eerst met ontbinding dreigde. 4.3 Het verweer van [eiseres] strekt tot afwijzing van de vordering van Willemse, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Willemse in de kosten van het geding. Naast hetgeen [eiseres] in conventie heeft betoogd, heeft [eiseres] daartoe het volgende aangevoerd: a. [eiseres] betwist dat de BOVAG standaardbepalingen van toepassing zijn. Boven¬dien bepalen de BOVAG standaardbepalingen niet dat gebruik gemaakt moet worden van de mogelijkheid van een bindend advies, de algemene voorwaarden bieden slechts de mogelijkheid daartoe. [eiseres] betwist voorts dat zij onredelijk heeft gehandeld. b. [eiseres] betwist dat zij een gebruiksvergoeding verschuldigd is. Wanneer een koper op goede gronden het recht van ontbinding van de koop inroept, is de zaak voor risico van de verkoper. [eiseres] heeft zo weinig mogelijk gebruik gemaakt van de auto en heeft de auto laten onderhouden door een erkende Peugeot dealer. Er moet bovendien rekening mee worden gehouden dat [eiseres] doorreed in de auto om de schade voor Willemse te beperken. Voorts betwist zij de hoogte van de gevorderde vergoeding. Indien [eiseres] een gebruiksvergoeding zou moeten betalen, zou – zo heeft zij bij pleidooi betoogd – een dergelijke vergoeding ongeveer 6 % van de nieuwwaarde van de auto moeten bedragen. Bij de vaststelling van enige gebruiksvergoeding moet bovendien worden meegewogen dat de lange duur van de onderhavige procedure aan Willemse is te wijten, zodat er aanleiding is voor matiging. 5 De beoordeling in conventie A. Inleiding 5.1 De koopovereenkomst is een consumentenkoopovereenkomst die is gesloten op 4 juli 2002. De bepalingen van boek 7, titel 1 BW over de overeenkomst van koop zijn op 1 mei 2003 gewijzigd ter implementatie van richtlijn 99/44/EG. Het overgangsrecht voor deze wijzigingen in boek 7, titel 1 BW is neergelegd in artikel 196 Overgangswet Nieuw Burger¬lijk Wetboek. De hoofdregel van dit artikel is dat de per 1 mei 2003 ingevoerde bepalingen van boek 7, titel 1 BW over de consumentenkoop niet van toepassing zijn op een consumen¬tenkoop die vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde bepalingen is gesloten. Genoemd artikel 196 bevat enkele uitzonderingen op deze hoofdregel, maar gesteld noch gebleken is dat deze van toepassing zijn. 5.2 [eiseres] betoogt dat het voor 1 mei 2003 geldende recht richtlijnconform moet worden uitgelegd omdat richtlijn 99/44/EG geïmplementeerd had moeten zijn ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst. Vooropgesteld wordt dat de onderhavige procedure wordt gevoerd tussen twee particulieren, dat wil zeggen twee partijen die beiden niet tot de overheid behoren noch daaraan gelieerd zijn. In een dergelijk geval kan richtlijnconfor¬me interpretatie alleen bij hoge uitzondering leiden tot een wijziging van de verplichtin¬gen die tussen partijen gelden uit hoofde van een tussen hen afgesloten overeenkomst. Voorzover de toepassing van de richtlijn in dit concrete geval zou leiden tot een afwijking van het vóór 1 mei 2003 geldende recht, geldt dat het in strijd met het rechtszeker¬heidsbeginsel zou zijn, indien het per 1 mei 2003 ingevoerde recht feitelijk met terug¬werkende kracht toegepast zou worden op de in 2002 gesloten koop¬over¬een¬komst. De gewijzigde bepalingen over (de gevolgen van non-conformiteit bij) een consumenten¬koop blijven daarom buiten toepassing. 5.3 Het uitgangspunt bij de beoordeling van het geschil tussen partijen is artikel 7:17 lid 1 BW, dat in de kern bepaalt dat een verkochte zaak moet beantwoorden aan de overeen¬komst. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst, indien de zaak niet de eigenschap¬pen bezit die de koper op grond van de over¬eenkomst mocht verwachten. De koper mag in het bijzonder verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Daar¬bij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval waaronder de aard van de zaak, (serieus bedoelde) mededelingen van de verkoper, de prijs en de overige omstan¬digheden waaronder de koop plaats¬vond. Hierbij geldt dat gebreken die de veiligheid van de auto beïnvloeden, eerder tot de slotsom leiden dat de auto niet aan de overeenkomst beant¬woordt zodat de koopovereen¬komst daarom kan worden ontbonden, dan gebreken die de veiligheid niet beïnvloeden. Voorts kan meegewogen worden hoe vaak en hoe lang de auto voor reparatie terug moest naar de garage, maar dit is geen beslissende omstandigheid. 5.4 Bij de beoordeling of de auto beantwoordt aan de koopovereenkomst komt het aan op de toestand van de auto ten tijde van de levering. Bij gebreken die eerst later aan het licht komen, dient daarom te worden vastgesteld of deze zijn terug te leiden op de toestand van de auto ten tijde van de levering. Daarbij geldt – als algemeen gezichtspunt – dat gebreken die binnen afzienbare tijd na levering aan het licht komen, in beginsel geacht worden het gevolg te zijn van de toestand van de auto ten tijde van de levering, tenzij er feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die er op wijzen dat deze gebreken het gevolg zijn van gebeurtenissen na levering. B. Non-conformiteit B.1 Speakers 5.5 [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de speakers van de auto ondeugdelijk waren. Reeds op 16 juli 2002 is de auto (mede) hiervoor naar de garage geweest. Dit leidde volgens [eiseres] niet tot het gewenste resultaat en op 1 en 2 augustus 2002 is de auto wederom naar de garage gebracht voor de speakers. Op 2 augustus 2002 zijn de speakers vervangen. Echter, de problemen met de speakers hielden aan en op 20 september 2002 heeft Willemse zwaardere speakers geplaatst. [eiseres] heeft ter comparitie echter erkend dat het probleem met de speakers inmiddels opgelost is. 5.6 Willemse betwist voornoemde bezoeken aan de garage niet, maar stelt dat de speakers goed functioneerden. Nadat de echtgenoot van [eiseres] (hierna: [echtgenoot]) bij het bezoek aan de garage op 20 september 2002 had gezegd dat de problemen met de speakers vooral optraden als de radio “flink hard aan werd gezet”, werd volgens Willemse duidelijk dat het geluid bij een hard volume enigszins vervormde. Volgens Willemse is dit normaal voor de standaard (20W) speakers die in de auto zaten (en die [eiseres] had besteld). Willemse stelt dat zij de speakers alleen uit coulance heeft vervangen door 80W speakers. 5.7 De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door Willemse staat niet vast dat de speakers gebrekkig waren. De bewijslast van dit gebrek rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eiseres]. Echter, nu in redelijkheid niet geoordeeld kan worden dat deze (opgeloste) klacht, alleen of als onderdeel van een groter geheel van klachten, een ontbinding van de koopovereenkomst rechtvaardigt (en enkele bezoeken aan de garage als zodanig geen reiskostenvergoeding rechtvaardigen), wordt [eiseres] op dit punt niet toegelaten tot bewijsvoering. De klacht over de speakers wordt daarom buiten beschouwing gelaten. B.2 Piepende remmen 5.8 [eiseres] stelt dat de remmen van de auto sinds oktober 2002 een hard piepend geluid maken. Dit is direct gemeld aan Willemse en afgesproken werd dat het probleem zou worden opgelost bij de eerst volgende garantiebeurt die op 10 januari 2003 heeft plaats¬gevonden. Op 30 januari 2003 is er vervolgens een pasta aangebracht op de remschijven. [eiseres] stelt dat dit het piepende geluid niet heeft verholpen. Op 7 april 2003 zijn de remblokken vervangen en zijn “anti-piepplaatjes” aangebracht. Uiteindelijk is de pasta – zo stelt [eiseres] – enkele keren aangebracht. 5.9 Willemse erkent dat [eiseres] de problemen met de remmen heeft gemeld en dat de door [eiseres] gestelde werkzaamheden zijn uitgevoerd. Willemse stelt dat het probleem op 30 januari 2003 is opgelost, in die zin dat de remmen niet meer piepten tijdens de proefrit die is uitgevoerd na de werkzaamheden. Verder stelt Willemse dat piepende remmen een algemeen gegeven zijn bij auto’s sinds de verplichte afschaffing van remschijven met astbest in 2002; [eiseres] betwist dit. De piepende remmen functioneren overigens volgens Willemse goed, zodat er geen sprake is van een gevaarlijke situatie. Willemse heeft voorts aangegeven dat de piepende remmen mogelijk samenhangen met een “sportieve” rijstijl van [eiseres]. 5.10 Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, begrijpt de rechtbank dat het vaker voorkomt dat de remmen van een Peugeot 206cc van het bouwjaar 2002 piepende geluiden maken en dat er hiervoor – in ieder geval in theorie - drie oplossingen zijn. De eerste oplossing betreft het aanbrengen van een pasta op de remschijven, de tweede oplossing is het aanbrengen van anti-piepplaatjes en de derde oplossing is het aanbrengen van een ander soort remschijven (niet-piepende remschijven). De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiseres] over deze oplossingen aldus dat de pasta enkele keren is aangebracht en dat er anti-piepplaatjes zijn aangebracht, maar dat dit niet echt helpt. Het geluid is weliswaar iets minder geworden – het klinkt niet meer als “het metalige geluid van een tram” – maar de remmen piepen nog steeds, aldus [eiseres]. Willemse stelt dat de meeste mensen “van onderhoudsbeurt tot onderhouds¬beurt rijden”, waarbij de pasta tijdens de onderhoudsbeurt wordt aangebracht. Bij een dergelijk onderhoud piepen de remmen in de ochtend even, maar na enig remmen is dat weer over, aldus Willemse. Het aanbrengen van niet-piepende remschijven van een ander soort – door partijen in de procedure aangeduid als “Brembo-schijven” – is volgens Willemse een “over¬kill”, die er bovendien toe leidt dat de fabrieksgarantie voor de auto vervalt. [eiseres] betwist dat het vervallen van de garantie ooit ter sprake is gekomen. 5.11 De rechtbank overweegt hierover als volgt. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat de remmen van de auto piepten voordat de pasta en de anti-piepplaatjes werden aangebracht en dat dit tijdig aan Willemse is gemeld. Nu de remmen na circa drie maanden na levering zijn gaan piepen en Willemse geen – onderbouwde – feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat dit het gevolg is van een omstandigheid die zich heeft voorgedaan na levering, gaat de rechtbank er vanuit dat dit het gevolg is van de toestand van de auto ten tijde van de levering. Weliswaar suggereert Willemse dat het piepen van de remmen is te wijten aan de rijstijl van [eiseres], maar deze suggestie is door Willemse onvoldoende feitelijk onderbouwd, terwijl bovendien zonder een nadere toelichting niet valt in te zien dat de rijstijl van [eiseres] er toe leidt dat de remmen binnen drie maanden zijn gaan piepen. 5.12 De vraag is of hiermee vaststaat dat de auto op dit punt niet aan de koopovereenkomst beantwoordde ten tijde van de levering van de auto. De rechtbank kan deze vraag niet beantwoorden zonder een nadere voorlichting door een deskundige op de navolgende punten: a. Welk geluidsniveau kon in 2002 redelijkerwijs bij normaal gebruik verwacht worden van de remmen van een nieuwe auto van de prijsklasse waartoe een Peugeot 206cc behoort? Hierbij dienen zowel eventueel destijds geldende minimumnormen te worden betrokken als het gemiddelde geluidsniveau van nieuwe auto’s uit genoemde prijsklasse uit bouwjaar 2002. b. Maken de remmen van de auto thans meer geluid dan het onder a. bedoelde geluids¬niveau? Hoe significant is een eventuele overschrijding van dit geluidsniveau? Is het mogelijk om op basis van de huidige staat van de remmen of op een andere wijze vast te stellen of de remmen van de auto in 2003 – na het aanbrengen van de pasta en de anti-piepplaatjes – het onder a. bedoelde geluidsniveau overschreden? Hierbij kan – indien dit verantwoord is – mede rekening worden gehouden met algemene ervaringsgegevens over auto’s van het type Peugeot 206cc met bouwjaar 2002. c. Was (en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.