RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Voorzieningenrechter Reg.nrs.: VBC 07/3799-KRD VBC 07/3800-KRD VBC 07/3801-KRD Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in de gedingen tussen 1. GoodWood Investments B.V., te Zaandam (hierna ook: GoodWood), 2. Stichting Amazon Teak Foundation, te Zaandam (hierna: ook Amazon), 3. Stichting Administratie- en Trustkantoor Tectona, te Zaandam (hierna ook: Tectona), 4. [A], bestuurder van Amazon (hierna ook: [A]), 5. [B], bestuurder van Amazon (hierna ook: [B]), 6. [C], bestuurder van Tectona (hierna ook: [C]), 7. Floresteca B.V. te Amsterdam (hierna ook: Floresteca), tezamen verzoekers, gemachtigden mr. G.P. Roth en mr. M. van Eersel, advocaten te Amsterdam (hierna: Roth en Van Eersel), en Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster, gemachtigde mr. J.J. Knol, advocaat te Amsterdam. 1 Ontstaan en loop van de procedures Bij drie besluiten (hierna: bestreden besluiten) van 18 oktober 2007 heeft verweerster ingevolge artikel 1:76, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) ten aanzien van alle organen en vertegenwoordigers van respectievelijk GoodWood, Amazon en Tectona bepaald dat zij hun bevoegdheden met ingang van 19 oktober 2007 slechts mogen uitoefenen na goedkeuring van de daartoe door verweerster aangewezen curator mr. R.J. Schimmelpenninck (hierna: Schimmelpenninck). Bij brief van 19 oktober 2007 heeft Van Eersel namens GoodWood, Amazon en Tectona tegen de aan hen gerichte bestreden besluiten bezwaar gemaakt. Voorts is bij brief van diezelfde datum verzocht een voorlopige voorziening te treffen bestaande uit de schorsing van de bestreden besluiten. Diezelfde dag is de voorzieningenrechter per faxbericht verzocht de bestreden besluiten telefonisch te schorsen totdat naar aanleiding van een zitting uitspraak op de verzoeken zal zijn gedaan. Die middag heeft de fungerend voorzieningenrechter mr. A.I. van Strien het verzoek om telefonische schorsing, overeenkomstig artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), afgewezen, hetgeen partijen telefonisch is meegedeeld door de griffier. Aan die afwijzing lag de voorlopige beoordeling ten grondslag dat niet op voorhand ernstige twijfel bestond aan de rechtmatigheid en noodzaak van de benoeming van een zogenoemde stille curator, voorzover die betreden besluiten stoelen op artikel 1:76, tweede lid, onderdelen b en c, van de Wft, terwijl aan de hand van de op dat moment ingediende stukken niet kon worden geoordeeld dat de benoeming van een stille curator tot onomkeerbare gevolgen zou leiden. In de avond van 19 oktober 2007 heeft Schimmelpenninck het bestuur van GoodWood en Amazon per faxbericht meegedeeld dat zij en hun vertegenwoordigers niet zonder zijn toestemming gerechtigd zijn handelingen te verrichten namens GoodWood en Amazon en dat hij zo snel mogelijk overleg met hen wil hebben. Bij faxbericht van 21 oktober 2007 heeft Roth de voorzieningenrechter verzocht de beslissing niet telefonisch te schorsen in heroverweging te nemen. In dit verband is aangevoerd dat de situatie bij GoodWood en Tectona niet zodanig is gewijzigd dat nu ineens stille curatele van de ene op de andere dag noodzakelijk wordt, dat GoodWood inmiddels is gestopt met het aangaan van nieuwe overeenkomsten terzake beleggingsobjecten, en is nogmaals benadrukt dat de herfinanciering, die een einde zal moeten maken aan de lquiditeitsproblemen bij GoodWood, direct in gevaar komt indien een stille curator wordt benoemd. Die benoeming zou er namelijk minstgenomen aan in de weg staan dat het bestuur van GoodWood en Tectona op korte termijn de jaarrekeningen zal kunnen vaststellen, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde vormt voor het totstandkomen van een fiancieringsovereenkomst tussen [kredietinstelling] met Floresteca. De op 21 oktober 2007 fungerend voorzieningenrechter mr. L.A. Nifterick heeft met het oog op de gestelde onomkeerbaarheid beslist de bestreden besluiten per die dag, overeenkomstig artikel 8:83, vierde lid, van de Awb, te schorsen tot de zitting. De griffier heeft partijen dienovereenkomstig telefonisch bericht. Bij voornoemd faxbericht van 21 oktober 2007 heeft Roth voorts meegedeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening tevens wordt gedaan namens [A], [B], [E] en Floresteca en dat namens hen ook pro forma bezwaar wordt ingediend. Van de zijde van verweerster is per faxbericht van 22 oktober 2007 opgemerkt dat verweerster er bezwaar tegen heeft dat zonder wederhoor is geschorst. Bij faxbericht van 22 oktober 2007 heeft Roth de voorzieningenrechter verzocht te beslissen dat de zitting op 24 oktober 2007 achter gesloten deuren plaats heeft en voorts er voor zorg te dragen dat geen openbare bekendheid wordt gegeven aan de zitting. Van de zijde van verweerster is telefonisch ingestemd met afdoening achter gesloten deuren. Het onderzoek ter zitting heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden op 24 oktober 2007. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts is namens verzoekers verschenen mr. P. Bos, kantoorgenoot van de gemachtigden van verzoekers, [D], bestuurder van Floresteca (hierna: [D]), [B], [E] en V. Hecht, medewerker van GoodWood. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts zijn verschenen mr. drs. M.J. Blotwijk, drs. S. Windt en M.E.J. Verest, werkzaam bij verweerster. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de schorsing voortduurt tot aan de uitspraak terzake de verzoeken om voorlopige voorziening. 2 Overwegingen Gelet op de inhoud van de bestreden besluiten en hetgeen door verzoekers naar voren is gebracht heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien te bepalen dat het onderzoek ter zitting achter gesloten deuren plaats heeft. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op artikel 8:62, tweede lid, onderdeel d, van de Awb. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak. Artikel 1:76 van de Wft luidt als volgt: “1. De toezichthouder kan besluiten een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming indien die financiële onderneming niet voldoet aan hetgeen ingevolge deze wet is bepaald. 2. Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen: a. nadat door de financiële onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75, eerste lid, gevolg is gegeven; of b. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een adequate functionering van de financiële onderneming ernstig in gevaar brengt en die financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit; of c. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen van consumenten of, indien het financiële instrumenten of verzekeringen betreft, de belangen van cliënten met uitzondering van professionele beleggers ernstig in gevaar brengt en die financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit. (…) 5. Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan de financiële onderneming is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator. 6. Na de benoeming van een curator: a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de financiële onderneming de curator alle medewerking; b. kan de toezichthouder de betrokken organen of vertegenwoordigers van de financiële onderneming toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder goedkeuring te verrichten; c. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen curator vervangen; d. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste of derde lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de financiële onderneming dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de financiële onderneming, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden; e. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak. (…)”. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de verzoeken het volgende voorop. Verweerster heeft niet, althans niet uitdrukkelijk, gebruik gemaakt van haar in artikel 1:76, zesde lid, onderdeel b, van de Wft besloten liggende bevoegdheid organen en vertegenwoordigers van GoodWood, Amazon en Tectona toe te staan bezwaar te maken tegen de bestreden besluiten en een verzoek in te dienen tot het treffen van een voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van de bestreden besluiten zonder goedkeuring van de door haar benoemde curator. Evenmin blijkt dat Schimmelpenninck in zijn hoedanigheid van curator toestemming heeft verleend voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de bestreden besluiten. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet - voorzover uit artikel 1:76, eerste en zesde lid, onderdelen a en b, van de Wft volgt dat organen en vertegenwoordigers van GoodWood, Amazon en Tectona toestemming van verweerster danwel van de curator nodig hebben voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de bestreden besluiten - het er niettemin voor worden gehouden dat verweerster dan wel de curator die toestemming heeft verleend, omdat het niet verlenen van die toestemming naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd komt met de in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) besloten liggende recht op toegang tot de rechter. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraken van de rechtbank van 25 juli 2007 (LJN: BB2020; RF 2007/67 en LJN: BB2027), waarbij heeft te gelden dat - anders dan in die zaken - de bestreden besluiten zelf zien op de benoeming van een curator. Verder stelt de voorzieningenrechter voorop dat, gelet op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) van 29 april 2004 (AB 2004/308; LJN: AO8939), volgt dat GoodWood, Amazon, Tectona en hun successievelijke bestuurders slechts belanghebbende zijn bij de bestreden besluiten voorzover die aan ieder van die vennootschappen en hun organen zijn gericht. Voorts volgt uit die uitspraak van het College dat Floresteca geen rechtstreeks belang heeft, doch een afgeleid belang, zodat zij in haar bezwaar niet zal kunnen worden ontvangen. Voorzover het verzoek is gedaan mede namens Floresteca moet het derhalve reeds hierom worden afgewezen. Het verzoek van de overige verzoekers geeft wel aanleiding tot een inhoudelijke beoordeling voorzover zij aldus rechtstreeks in hun belang worden geraakt door de bestreden besluiten. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende. Gelet op artikel 1:76, eerste lid, van de Wft komt de bevoegdheid tot het benoemen van een stille curator in zicht indien een financiële onderneming niet voldoet aan hetgeen ingevolge de Wft is bepaald. Wel dient dan aan één van de in het tweede lid van dat artikel genoemde bijkomende voorwaarden te zijn voldaan. De grondslag van bestreden besluiten kan niet zijn gelegen in de in dat tweede lid genoemde a-grond. De aan GoodWood en Tectona gegeven aanwijzingsbesluiten van 20 september 2007 zijn immers door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 23 oktober 2007 (VBC 07/3549-KRD en VBC 07/3561-KRD) geschorst, terwijl ten aanzien van Amazon geen aanwijzing voorligt. De grondslag moet aldus worden gevonden in de b- of de c-grond. Uit de bestreden besluiten en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat verweerster meent dat zowel aan de b- als de c- grond is voldaan. De aan Amazon gerichte curatelebeslissing is eveneens op die laatstgenoemde gronden gebaseerd. Alvorens verweerster een zogenoemde stille curator kon benoemen bij organen en vertegenwoordigers van GoodWood, Amazon en Tectona golden aldus de volgende vereisten ten aanzien van zowel GoodWood, Amazon als Tectona: - zij vormen elk of tezamen een financiële onderneming (danwel zijn zij zelf orgaan of vertegenwoordiger van een financiële onderneming); - zij voldoen niet aan de bij of krachtens de Wft gestelde regels; - de overtredingen die zij begaan brengen een adequate functionering van de financiële onderneming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.