RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/700185-07 Datum uitspraak: 22 april 2008 Tegenspraak VONNIS van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte 3] geboren in 1983 te [plaatsnaam], [adres] ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerdraadsman mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Arnhem. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 en 8 april 2008 . TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Pols heeft gerequireerd tot: - vrijspraak van het onder 1 primair, 1 subsidiair, en 1 meer subsidiair ten laste gelegde; - bewezenverklaring van het onder 1 nog meer subsidiair (de medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag) en 2 ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE Namens verdachte is aangevoerd dat de politie ten tijde van de gebeurtenissen aan de [adres] zoveel fouten heeft gemaakt, dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hiertoe is gesteld dat wanneer de politie haar werk goed had gedaan en eerder had ingegrepen, het slachtoffer (wellicht) niet zou zijn overleden. De rechtbank is van oordeel dat in het algemeen het volgende heeft te gelden. Een niet tijdig ingrijpen van de politie, waardoor schade die door verdachten is toegebracht is opgelopen, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu die schade niet door de gestelde nalatigheid van de politie is veroorzaakt, maar door onrechtmatig handelen van de verdachten. Ook in deze zaak was dat het geval: de letsels van het slachtoffer zijn niet veroorzaakt door het door de raadsman gestelde niet tijdige ingrijpen van de politie, maar door de handelingen van de medeverdachten. Bovendien zijn het niet de belangen van verdachte, die kunnen worden geschaad door een mogelijk niet tijdig ingrijpen van de politie, maar hooguit die van het slachtoffer. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging. VRIJSPRAAK Het onder het onder 1 primair, 1 subsidiair, en 1 meer subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken BEWIJSOVERWEGING EN BEWEZENVERKLARING Vaststelling van de feiten In de nacht van 15 op 16 juni 2007 is [het slachtoffer], in de woning op de [adres][plaatsnaam] overleden. Daaraan is het volgende voorafgegaan. Het slachtoffer heeft met verdachte (hierna “[verdachte 3]”) een relatie gehad. Zij woonden tot 30 mei 2007 samen. Op die datum heeft zij de woning verlaten nadat tussen hen een vechtpartij had plaatsgevonden waarbij [verdachte 3] letsel aan haar voorhoofd had opgelopen. (blz. 171 en 638 e.v. dossier TGO) [verdachte 3] en [verdachte 1] hebben in de periode vanaf medio januari 2007 regelmatig contact met elkaar gehad, waarbij [verdachte 3] onder meer over haar relatie met het slachtoffer sprak. (verklaring [verdachte 1] als getuige bij rechter-commissaris) Zij vertelde dat zij door hem in elkaar werd geslagen en dat zij geld van zijn rekening naar haar rekening had overgemaakt. (blz. 126 en blz.175) [verdachte 3] vertelde verder dat het slachtoffer goed zijn geld verdiende. (blz. 34) [verdachte 3] en [verdachte 1] hebben zeven of acht keer gesproken over de beroving van het slachtoffer. [verdachte 3] heeft een keer tegen [verdachte 1] gezegd dat hij de beroving moest uitstellen omdat er op dat moment onvoldoende geld op de rekening van het slachtoffer stond. Ook heeft zij aan hem gevraagd hoe hij de beroving wilde fiksen, omdat het slachtoffer hem zou herkennen. (blz. 176) [verdachte 1] wilde dat [verdachte 3] een valse handtekening zou zetten onder een overschrijvingsformulier van het slachtoffer. Het op die manier op een bankrekening van derden overgemaakte geld zou worden gedeeld. (blz. 176) Op metrostation [naam] in [plaatsnaam] heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen [verdachte 3] en [verdachte 1], waarbij [verdachte 2] (hierna “[verdachte 2]”) ook aanwezig was. (blz. 127 en blz. 176) Daar is overlegd op welke manier het slachtoffer van zijn geld beroofd zou worden. Aanvankelijk is besproken dat [verdachte 3] een sleutel van de woning van het slachtoffer zou laten bijmaken zodat [verdachte 1] en [verdachte 2] ’s nachts zijn woning zouden kunnen binnengaan. [verdachte 3] heeft gezegd dat het slot niet was veranderd. Om te voorkomen dat het slachtoffer aangifte zou doen, zou hij worden gechanteerd met het feit dat er op zijn laptop - die [verdachte 3] in haar bezit had - kinderporno stond. Daarnaast zou [verdachte 3] aangifte doen van mishandeling. (blz. 127 en verklaringen [verdachte 1] bij de rechter-commissaris) Hierna zijn nog verschillende contacten geweest tussen de verdachten waarbij de plannen om het slachtoffer te beroven zijn besproken. (blz. 128 e.v. en blz. 176 e.v.) Uit de verschillende verklaringen maakt de rechtbank op dat [verdachte 3] en [verdachte 1] hierover samen spraken en ook [verdachte 1] en [verdachte 2] hierover samen spraken, waarbij [verdachte 1] zowel [verdachte 3] als [verdachte 2] op de hoogte hield van de zaken die buiten elkaars aanwezigheid waren besproken. [verdachte 1] wist van [verdachte 3] dat het slachtoffer een hoop geld op zijn rekening had staan. (blz 92) Op 7 juni 2007 is [verdachte 2] samen met getuige X in de woning van [verdachte 1] geweest waar eveneens is gesproken over de beroving van het slachtoffer. [verdachte 2] en [verdachte 1] hebben toen afgesproken de beroving in de woning van het slachtoffer te laten plaatsvinden, hem te slaan en zijn bankpas af te pakken en dan te gaan pinnen. [verdachte 1] heeft gezegd dat hij het slachtoffer zou slaan totdat hij zijn pincode zou geven. (blz. 92, blz. 129 en blz.185) Op 8 juni 2007 is [verdachte 2] wederom naar de woning van [verdachte 1] gegaan. Toen is besproken dat de beroving dat weekeinde niet door zou gaan omdat het slachtoffer dat weekend bij zijn ouders was. Dit had [verdachte 3] aan [verdachte 1] verteld, evenals dat zij niet wist wanneer het slachtoffer weer in zijn eigen huis ging wonen. [verdachte 2] heeft nog aan [verdachte 1] voorgesteld om zijn vuurwapen mee te nemen naar de beroving, maar [verdachte 1] vond dat geen goed idee (blz. 92, blz. 93 en blz. 129) Op 14 juni 2007 heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen de verdachten op het metrostation [naam]. (blz. 130, blz. 177 en blz. 956 e.v.) Daar is met z’n drieën afgesproken dat de beroving in de woning van [verdachte 1] zou plaatsvinden. Het slachtoffer zou naar die woning worden meegenomen en in de woning worden besprongen en vastgetapet. Om te voorkomen dat de buren dat zouden horen stelde [verdachte 3] voor om de muziek hard aan te zetten. [verdachte 2] zou een dvd met harde muziek meenemen. (blz. 132) [verdachte 3] zou later die nacht horen of het was gelukt. (blz. 130 e.v.) De opbrengst van de beroving zou door verdachten worden gedeeld. (blz. 181 en blz. 928) Zij verklaarden bij deze gelegenheid alle drie dat zij het geld goed konden gebruiken (blz. 131). Het was de bedoeling dat in de nacht van de beroving alle rekeningen van het slachtoffer zouden worden leeggehaald. (verklaring [verdachte 1] bij rechter-commissaris) [verdachte 1] heeft aan het slachtoffer gevraagd om mee uit te gaan. (blz. 132) Rond 22.15 uur is [verdachte 2] bij de woning van [verdachte 1] gearriveerd. Rond 22.30 uur hebben [verdachte 2] en [verdachte 1] wat gedronken in een café. Daarna zijn zij naar de woning van het slachtoffer gereden. In de auto op weg naar het slachtoffer is (nogmaals) besproken hoe de beroving zou plaatsvinden. (blz. 133) Toen is ook afgesproken dat gebruik gemaakt zou worden van het feit dat [verdachte 1] zijn portemonnee was vergeten, en met vermelding van deze reden het slachtoffer meegenomen zou worden naar de woning van [verdachte 1]. (verklaring verdachte/getuige [verdachte 1] ter zitting) [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben het slachtoffer bij zijn woning opgehaald en zijn naar de woning van [verdachte 1] aan de [adres] gereden. (blz. 39 e.v.), waar ze rond 23.15 uur zijn aangekomen. (blz. 522) In de woning heeft het volgende plaatsgevonden. [verdachte 1] en [verdachte 2] zijn met het slachtoffer de woning binnengegaan. In de woning hebben de verdachten en het slachtoffer cocaïne gebruikt, die [verdachte 2] had meegenomen. Hierna is het slachtoffer vastgepakt, waarna een worsteling is ontstaan en het slachtoffer op de grond terecht is gekomen. Terwijl [verdachte 1] op het slachtoffer zat en hem in bedwang hield, heeft [verdachte 2] de benen en de armen van het slachtoffer vastgetapet waarbij het slachtoffer zich verzette. (verklaring verdachte/getuige [verdachte 1] ter zitting) [verdachte 2] heeft hem toen met kracht in zijn buik geschopt. (blz. 96) Ook de mond van het slachtoffer werd getapet. [verdachte 1] heeft, toen het slachtoffer op de grond lag, ongeveer 15 maal geschopt en geslagen, onder meer tegen het hoofd zodat het slachtoffer zijn pincode zou geven. (verklaring verdachte/getuige [verdachte 1] ter zitting) Nadat het slachtoffer zijn pincode had gegeven en deze door [verdachte 1] was gecontroleerd met behulp van internet, heeft [verdachte 2] de woning verlaten met het doel te gaan pinnen. Toen [verdachte 2] het portiek verliet zag hij dat de politie ter plaatse was gekomen. Over het op het slachtoffer uitgeoefende geweld hebben [verdachte 2] en [verdachte 1] verschillend verklaard. [verdachte 2] heeft verklaard dat hij slechts één schop heeft gegeven. Naar zijn zeggen was [verdachte 1] helemaal doorgedraaid. Hij heeft [verdachte 1] horen schreeuwen “hou je bek anders maak ik je dood” en hem meerdere keren heel hard op het achterhoofd van het slachtoffer zien stompen. Hij vond het zo erg wat hij zag dat hij op een gegeven moment niet meer durfde te kijken. (blz. 42) Wel was naar zijn zeggen het slachtoffer nog aanspreekbaar toen hij de woning verliet. [verdachte 1] heeft ter zitting verklaard dat hij samen met [verdachte 2] het slachtoffer heeft mishandeld en dat [verdachte 2] - weliswaar minder vaak en minder hard dan hijzelf - ook meerdere malen heeft geschopt en geslagen. Verder heeft [verdachte 1] verklaard dat hij het slachtoffer niet meer heeft geschopt of geslagen nadat [verdachte 2] de woning had verlaten. De buren en de politie hebben het volgende verklaard over de gebeurtenissen. De buurman van [verdachte 1], getuige [getuige 1] (blz. 380) heeft om 23.45 uur (verslag meldkamer blz. 1863) de politie gebeld met de melding dat hij zag dat er een persoon in de woning van [verdachte 1] werd vastgetapet. Ongeveer vijf minuten voor de melding had hij hard gestommel en gebonk gehoord, dat klonk alsof er gevochten werd in de woning. Hij hoorde iemand constant “help” roepen. Toen hij op het balkon ging kijken zag hij iemand op de grond liggen die waarschijnlijk tegen de keukenkast aanlag. Hij zag dat er benen werden ingetapet en zag spartelen. Daarop heeft hij de politie gebeld. Tot aan het moment dat zijn zoon thuis kwam, heeft de buurman ongeveer een kwartier lang gebonk gehoord en - met tussenpauzes - hulpgeroep vanuit de woning van [verdachte 1]. (blz. 381) Getuige [getuige 2] bevond zich in een café aan de [adres]. Hij zag rond 23.55 uur politie voor het huis van zijn ouders aan de [adres] staan. Rond 00.00 uur kwam hij de woning van zijn ouders binnen. Hij hoorde vanuit de woning van [verdachte 1] een hoop gestommel. Hij heeft met een glas tegen de muur geluisterd en heeft in de woning van [verdachte 1], ter hoogte van de keuken, een soort doffe klappen gehoord en een hoop gekreun. Iets later heeft hij [verdachte 1] horen zeggen “waar is ze” of “waar is het” en hierna hoorde hij weer een hoop gestommel alsof er iemand klappen kreeg en gekreun. Tot slot hoorde hij een hoop enorm harde klappen die wel een minuut aanhielden. Daarna heeft hij niemand meer horen kreunen. Alles bij elkaar hoorde hij het slachtoffer een kwartier schreeuwen en daarna nog tien minuten kreunen. (blz. 384 en de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris) [Verbalisanten 1 en 2] zien om 00.10 uur (blz. 001) of 00.07 uur (blz. 423) een man uit het portiek van de woning komen. Deze man blijkt later [verdachte 2] te zijn. In het meldkamerverslag wordt vermeld dat deze verbalisanten om 00.03 uur een persoon zien die vermoedelijk uit de woning komt. De rechtbank neemt aan dat dit [verdachte 2] is. Om 00.06 uur hebben de verbalisanten contact met [verdachte 2]. (blz. 1865) De patholoog-anatoom heeft een groot aantal letsels geconstateerd aan in het bijzonder het hoofd, de hals en de rug van het slachtoffer. Daarnaast was er toegenomen bewegelijkheid van de halswervelkolom ter plaatse van de eerste en tweede wervel en het ruggenmerg was hier beschadigd. Tevens was er bloed onder de harde hersenvliezen. Al deze letsels kunnen het gevolg zijn van (hevig) herhaaldelijk (hard) slaan, al dan niet met een zwaar voorwerp en/of schoppen. Deze letsels verklaren het intreden van de dood zondermeer. Het is waarschijnlijk dat het slachtoffer na het oplopen van de geweldsinwerking nog enige tijd heeft geleefd. Het is waarschijnlijker dat de meeste verwondingen één of enkele uren voor het overlijden zijn toegebracht dan enkele minuten voor het overlijden. Het letsel aan de wervelkolom kan mogelijk recenter van aard zijn. (blz. 1833) Uit het rapport van de patholoog-anatoom volgt dat de kans groot is dat het merendeel van de letsels niet vlak voor het overlijden is aangebracht. Het tijdstip van het overlijden is niet exact bekend, maar toen de politie binnentrad tussen 00.41 en 00.44 uur (blz. 8, blz. 1836) werd er geen pols meer gevoeld. Gelet op het tijdstip dat [verdachte 2] de woning uitkomt (tussen 00.03 en 00.10 uur) en de verklaringen van de getuigen [getuigen 1 en 2] stelt de rechtbank vast dat er in elk geval gedurende een kwartier geweld is gebruikt jegens het slachtoffer door [verdachte 1] en [verdachte 2] samen, althans in elk geval waar [verdachte 2] bij was. Daarnaast is er nog geweld gebruikt nadat [verdachte 2] de woning heeft verlaten. Dit moet [verdachte 1] gedaan hebben. Gelet op de marges die de patholoog-anatoom heeft aangegeven bij zijn poging om de datering van de letsels weer te geven, kan de rechtbank niet vaststellen op welk moment de dodelijke letsels zijn toegebracht. Uit onderzoek is gebleken dat er bloed van het slachtoffer aan beide handen en de rechterschoen van [verdachte 1] zat. (blz. 1808) Na het overlijden van het slachtoffer heeft [verdachte 3] op 30 juni 2007 geprobeerd om na te gaan of er geld was afgeschreven van de rekening van het slachtoffer. (blz. 602) Deelneming en kwalificatie Namens verdachte heeft haar raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van het dubbel opzet, dat nodig is voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag: opzet gericht op de eigen behulpzaamheid en opzet op het gronddelict ten aanzien waarvan hulp wordt verleend. Hierbij is aangevoerd dat verdachte de plannen van de medeverdachten om het slachtoffer te beroven niet serieus nam en zich nooit heeft gerealiseerd dat er een concrete uitvoering aan zou worden gegeven. Met een beroep op het rapport van de psychologe Y van 12 december 2007 stelt de raadsman dat het ook in de persoonlijkheid van verdachte past dat zij de consequenties van haar uitlatingen en houding niet realiseert, zodat zij zich de aanmerkelijke kans van het zich voordoen van de overval niet heeft kunnen realiseren. Verdachte moet dan ook van de medeplichtigheid van de gekwalificeerde doodslag worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Ten aanzien van de hoofddaders is bewezen verklaard dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan medeplegen van gekwalificeerde doodslag. Ten aanzien van verdachte is voldoende wettig en overtuigend bewijs dat zij zich als medeplichtige heeft schuldig gemaakt aan deze gekwalificeerde doodslag ook al is de opzet van verdachte niet gericht geweest op de dood van het slachtoffer. De medeplichtige volgt immers de kwalificatie van de dader indien het opzet van de medeplichtige tenminste op een deel van de bewezenverklaring was gericht. Ingeval de pleger meer heeft gedaan dan waarop het opzet van de medeplichtige was gericht, wordt met dat mindere opzet pas bij de strafoplegging rekening gehouden. Verdachte en haar mededaders hadden geld nodig en het plan om het slachtoffer te beroven is samen door verdachte en haar mededaders gemaakt. Ook de wijze waarop de beroving zou plaatsvinden, namelijk dat er geweld zou worden gebruikt en de buit zou worden verdeeld, is besproken. Uit haar eigen verklaringen en die van mede[verdachte 1] blijkt dat verdachte in de verschillende stadia van overleg en ook bij het bespreken van het uiteindelijke plan heeft meegedacht over de manier waarop het slachtoffer zou worden beroofd. De plannen voor de beroving die zijn besproken waren zodanig concreet, dat verdachte zich er achteraf niet meer met vrucht op kan beroepen dat zij er geen rekening mee hield dat deze echt zouden worden uitgevoerd. Het opzet van de verdachte is dan ook gericht geweest op de beroving van het slachtoffer. Zodoende is zij medeplichtig aan de gekwalificeerde doodslag. Gelet op het bepaalde in artikel 49, lid 4 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank bij het bepalen van de straf alleen die handelingen in aanmerking nemen die verdachte als medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, te weten de beroving. Bij het bovenstaande is meegewogen hetgeen de psycholoog Y in haar rapport over verdachte heeft opgemerkt. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte de reikwijdte van haar handelen niet heeft kunnen overzien nu zij blijkens genoemd rapport van de psycholoog slechts enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht. Deze mate van toerekeningsvatbaarheid impliceert immers niet dat verdachte de reikwijdte van haar handelen niet of in onvoldoende mate heeft kunnen overzien. Bewezenverklaring Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 nog meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: [verdachte 1] en [verdachte 2] in de periode van 15 juni 2007 tot en met 16 juni 2007 te [plaatsnaam], tezamen en in vereniging opzettelijk [slachtoffer] van het leven hebben beroofd, immers hebben verdachten opzettelijk - de armen en benen van die [naam slachtoffer] met tape samengebonden/vastgebonden en - tape op de mond van die [naam slachtoffer] geplakt en(vervolgens) meermalen, met kracht - (terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag) met de vuist(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.