Uitspraak Rechtbank Rotterdam Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 279866 / HA ZA 07-661 Uitspraak: 16 april 2008 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IDM FINANCIERINGEN B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres, procureur mr. D.L.A. van Voskuilen, advocaat mr. A.M. van Heest te Rotterdam, - tegen - 1. [gedaagde1], wonende te [woonplaats1], gedaagde, procureur mr. A.P.M. Henket, advocaat mr. A.M.H.C. Coppens te Roermond, 2. [gedaagde2], wonende te [woonplaats2], gedaagde, niet verschenen. Partijen worden hierna aangeduid als "IDM" respectievelijk "[gedaagde1]" en "[gedaagde2]". 1. Het verloop van het geding 1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: dagvaardingen d.d. 15 en 20 februari 2007 en de door IDM overgelegde producties; incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring aan de zijde van [gedaagde1]; akte tot referte aan de zijde van IDM; vonnis van deze rechtbank d.d. 4 juli 2007 waarbij het [gedaagde1] is toegestaan om [gedaagde2] in vrijwaring op te roepen; conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde1], met productie; tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 21 november 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast; faxberichten van mr. Van Heest d.d. 19 en 20 februari 2008 (per abuis gedateerd op 19 en 20 februari 2007); proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 5 maart 2008. 1.2 Tegen [gedaagde2] is verstek verleend. 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast: 2.1 Op 19 februari 1997 is tussen partijen een doorlopende kredietovereenkomst (009-59.95-23.204) gesloten waarbij door IDM aan [gedaagde1] en [gedaagde2] een kredietfaciliteit is verstrekt van € 6.806,70 (fl. 15.000,=) en waarbij is bepaald dat [gedaagde1] en [gedaagde2] een bedrag van € 102,10 (fl. 225,=) per maand aan IDM moeten aflossen. 2.2 Bij beschikking van 11 juni 1999 is tussen [gedaagde1] en [gedaagde2] de echtscheiding uitgesproken. De onderhavige lening is bij de boedelverdeling toegescheiden aan [gedaagde2]. Sindsdien worden de maandelijkse termijnbedragen van € 102,10 door [gedaagde2] en [gedaagde1] niet meer stipt betaald. Er zijn in ieder geval vanaf eind 2002 geen betalingen meer verricht. 2.3 Bij brief van 11 april 2006 heeft de Nederlandse Deurwaarders Associatie B.V. [gedaagde1] bericht dat er ten aanzien van de lening een betalingsachterstand bestaat van € 1.021,= waarvoor zij in gebreke wordt gesteld en opeising van het gehele saldo, op dat moment € 13.347,96, in het vooruitzicht wordt gesteld bij niet tijdige betaling. 3. De vordering De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde1] en [gedaagde2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 13.480,25 met de kredietvergoeding en kosten. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft IDM aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd: 3.1 [gedaagde1] en [gedaagde2] zijn ten minste twee maanden in gebreke gebleven met betaling van de voldoening van de maandtermijnen en hebben ook nadat zij in gebreke zijn gesteld niet betaald, waardoor zij het gehele bedrag van de lening ineens terug moeten betalen. 3.2 IDM heeft recht op vergoeding van de overeengekomen kredietvergoeding, berekend volgens de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK). 3.3 Per 29 januari 2007 bedraagt de hoofdsom € 14.380,25. [gedaagde1] heeft nog een bedrag van € 900,= betaald, zodat het saldo € 13.480,25 is. 4. Het verweer Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van IDM in de kosten van het geding. [gedaagde1] heeft daartoe het volgende aangevoerd: 4.1 Vanaf juli 1999 tot medio 2005 heeft [gedaagde1] geen enkel bericht over een achterstand ontvangen, zodat er sprake is van verjaring van de vordering van IDM. In ieder geval zijn de rentevorderingen verjaard, nu [gedaagde1] nimmer tot betaling daarvan is aangemaand. 4.2 Doordat [gedaagde1] niet op de hoogte was van de achterstand en IDM niet eerder incassomaatregelen heeft ondernomen dan 2006 is de rente zo hoog opgelopen dat het opeisen van het hele saldo niet meer redelijk en billijk is. 5. De beoordeling 5.1 De overeenkomst waarop IDM haar vordering grondt, is een krediettransactie als bedoeld in de WCK. 5.2 Tussen partijen staat onbetwist vast dat de onderhavige vordering van IDM op [gedaagde1] is ontstaan nadat zij op 11 april 2006 in gebreke is gesteld en nadien geen betaling heeft plaatsgevonden, zodat de lening toen is opgeëist. Van verjaring is dan ook geen sprake. Ook de rentevorderingen zijn niet verjaard, nu de rente krachtens de overeenkomst onderdeel uitmaakt van het uitstaande saldo van het geldkrediet, welke bedrag dus op 11 april 2006 opeisbaar is geworden. Deze verweren van [gedaagde1] worden dan ook verworpen. 5.3 [gedaagde1] heeft daarnaast nog gesteld dat het niet redelijk en billijk is dat IDM omdat zij niet eerder incassomaatregelen heeft genomen, het door de rente hoog opgelopen bedrag van € 14.380,25 vordert terwijl de oorspronkelijke lening zelf slechts een bedrag van € 6.806,70 bedroeg. 5.4 De rechtbank begrijpt dit verweer van [gedaagde1] aldus dat zij er een beroep doet op artikel 6:248 lid 2 BW. De vraag die dan aan de orde is, is of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat, nu op de aanmaning(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.