Rechtbank Rotterdam Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 276861/HA ZA 07-203 Uitspraak: 30 juli 2008 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: 1. de rechtspersoon naar het recht van haar vestigingsplaats MS "AQUILA" SHIPPING COMPANY LTD., gevestigd te Saint John's, Antigua and Barbuda, 2. de rechtspersoon naar het recht van haar vestigingsplaats ROHDEN BEREEDERUNG GMBH & CO KG, gevestigd te Hamburg, Duitsland, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, procureur mr E.A. Bik, advocaat mr M.J.E. Harmsen, - tegen - de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHUTTER SHIPPING B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur mr P.H.C.M. van Swaaij, advocaat mr M. Bolè (Amsterdam). Eiseressen in conventie / verweersters in reconventie worden hierna samen aangeduid als "Rohden c.s." en afzonderlijk als "Aquila" en "Rohden". Gedaagde in conventie / eiseres in reconventie wordt hierna aangeduid als "Schutter". 1. Het verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 23 november 2006; - herstelexploit d.d. 18 december 2006; - akte houdende overlegging producties van Rohden c.s.; - conclusie van antwoord alsmede eis in reconventie, met producties; - conclusie van repliek, tevens conclusie van antwoord in reconventie; - conclusie van dupliek in conventie alsmede conclusie van repliek in reconventie houdende vermeerdering van eis; - conclusie van dupliek in reconventie. - de stukken van het op 10 november 2006 ten verzoeke van Rohden c.s. en ten laste van Schutter onder Fortis Bank (Nederland) N.V. gelegde conservatoire beslag. 2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast: 2.1 In januari 2001 heeft Schutter, scheepsmakelaar, betalingen gedaan ter zake van leveranties en diensten ten behoeve van het ms. Aquila (later genaamd Cygnus) dat toen in de haven van Rotterdam lag. Het ging onder meer om bunkerolie, havengeld en loodsdiensten. Het schip was eigendom van Aquila. Schutter heeft de geleverde goederen en diensten aanvankelijk in rekening gebracht bij Emed Shipping, bevrachter van het schip, die echter insolvent bleek te zijn. Daarop heeft Schutter Rohden c.s. aangesproken tot betaling van de leveranties en diensten. Rohden wordt door Schutter aangeduid als reder van het schip en door Rohden c.s. als "operator". 2.2 Toen betaling door Rohden c.s. uitbleef, heeft Schutter op 4 januari 2002 voor haar vordering beslag doen leggen op het schip dat zich op dat moment in Panama bevond. Nadat door Rohden c.s. een garantie was gesteld voor het door Schutter gevorderde bedrag van USD 50.322,-, is het beslag opgeheven. Om onder de garantie betaling te kunnen verkrijgen, heeft Schutter voor de rechtbank in Panama een vordering tot betaling ingesteld tegen Rohden c.s. Deze is in het geding verschenen en heeft verweer gevoerd. 2.3 Bij uitspraak van 30 september 2004 (sentence no. 4) heeft de rechtbank te Panama de vordering van Schutter afgewezen en Schutter veroordeeld in de kosten. De kosten "for legal work" [in de Engelse vertaling] werden begroot op USD 10.288,69. Aan de griffier werd opdracht gegeven "to settle the relevant expenses". Deze uitspraak is op 7 oktober 2004 betekend aan Dudley & Asociados, de Panamese advocaat die optrad voor Schutter. 2.4 De Panamese advocaat van Rohden c.s., Morgan & Morgan, heeft vervolgens bij de rechtbank te Panama een verzoek ingediend om deze proceskostenveroordeling te herzien en het vastgestelde bedrag te verhogen (omdat er twee gedaagden waren en vanwege de complexiteit van de zaak). Bij uitspraak (court order no. 185) van 25 oktober 2004 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Deze uitspraak is op 16 november 2004 aan Dudley & Asociados betekend. 2.5 Blijkens een uitspraak (court order no. 182) van 3 oktober 2005 heeft de griffier een kostenbegroting opgesteld, kennelijk ter uitvoering van de uitspraak van 30 september 2004 en zoals verzocht door Rohden c.s. ("by petition contained on pg. 346 to 592 of the file"). De rechtbank keurde deze kostenbegroting goed en bepaalde het door Schutter aan Rohden c.s. te betalen bedrag op B/. 8.931,10 [Balboas vertaald als: $]. 2.6 De Panamese advocaat van Rohden c.s. heeft daarna bij de rechtbank te Panama een verzoek ingediend om de uitspraak van 3 oktober 2005 te herzien omdat geen rekening was gehouden met de kosten van het laten uitstaan van de garantie. Bij uitspraak (court order no. 30) van 22 februari 2006 heeft de rechtbank de uitspraak van 3 oktober 2005 in die zin herzien dat wegens die garantiekosten nog een bedrag van B/. 34.380,96 [vertaald als: $ 34.380,96] werd toegevoegd, derhalve tot een totaalbedrag van B/. 43.312,06 [$ 43.312,06] en welk totaalbedrag aan Rohden c.s. moest worden betaald [door Schutter]. Deze uitspraak van 22 februari 2006 is door de griffier bij decreet (edict no. 60) bekend gemaakt door middel van aanplakking op een bord in het gerechtsgebouw gedurende de periode van 23 tot 28 februari 2006. 2.7 Bij dagvaarding van 20 oktober 2006 heeft Rohden c.s. Schutter in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Rotterdam tot betaling van USD 53.600,57 (10.288,69 + 8.931,10 + 34.380,96). De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij vonnis van 21 november 2006 toegewezen tot een bedrag van USD 10.288,69, vermeerderd met rente en een bedrag wegens buitengerechtelijke kosten en de vordering voor het overige afgewezen. Schutter heeft het bedrag van USD 10.288,69 daarna betaald. 3. De vordering in conventie De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Schutter te veroordelen aan Rohden c.s. te betalen: -primair: USD 53.600,75, met rente over USD 10.288,69 per 30 september 2004, althans 7 oktober 2004 en over USD 8.931,10 per 3 oktober 2005 en over USD 43.312,06 per 22 februari 2006, althans in alle gevallen per 24 mei 2006, althans vanaf de dag van dagvaarding, -subsidiair: € 62.980,45 en USD 19.818,16, met rente per 4 januari 2002, althans per 30 september 2004, alsmede de verdere schade door Rohden c.s. geleden, inclusief de kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan de dagvaarding en van beslaglegging, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Schutter in de kosten van de procedure. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Rohden c.s. aan de vordering - kort en zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd: -primair: zij wil op de voet van art. 431 tweede lid Rv een executoriale titel in Nederland verkrijgen voor het bedrag van de kostenveroordelingen; daarvoor is een marginale toetsing van de beslissingen van de Panamese rechter voldoende; aan de daarvoor geldende eisen - rechtsmacht, behoorlijke rechtspleging, geen strijd met de openbare orde - is hier voldaan; ook bij een inhoudelijke beoordeling van de gevorderde kosten dienen deze te worden toegewezen; -subsidiair: Schutter heeft door de beslaglegging op het schip voor een grotendeels ondeugdelijke vordering onrechtmatig gehandeld, zodat zij gehouden is tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade wegens de kosten van de bankgarantie, koersverlies en juridische kosten ten belope van de gevorderde bedragen. 4. Het verweer in conventie Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Rohden c.s. in de kosten van het geding. Schutter heeft daartoe het volgende aangevoerd: -Schutter verzet zich niet tegen de kostenveroordeling tot USD 10.288,69 (waarvoor Rohden c.s. in kort geding al een titel heeft verkregen); daarop komt in mindering een door haar voor de beslaglegging in Panama gestelde en door haar verbeurde cautie van USD 4.400,-; het saldo van USD 5.888,69 is verrekend met de grotere vordering in reconventie; in elk geval kan vanwege de cautie USD 1.000,- worden afgetrokken; -de latere kostenveroordelingen zijn niet tot stand gekomen na een behoorlijke rechtsgang; de verzoekschriften daartoe waren Schutter niet bekend, de beweerde kosten waren niet in de hoofdprocedure aangevoerd, de beschikkingen zijn niet aan Schutter betekend; aanplakking kan niet gelden als voldoende kennisgeving; kopieën zijn pas verstrekt toen er geen verzet meer openstond; de aangevoerde kosten konden niet gelden als "expenses"; erkenning zou in strijd komen met de hier geldende openbare orde; -het beslag in Panama is niet ten onrechte gelegd, nu door of namens Rohden c.s. een bedrag van USD 3.878,55 schuldig is erkend. 5. De vordering in reconventie De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Rohden c.s. te veroordelen aan Schutter te betalen: -€ 12.824,25 met rente vanaf 4 januari 2002, -USD 28.443,45, althans de tegenwaarde in euro naar de koers van de dag van betaling, met rente vanaf 4 janauri 2002 over USD 18.154,76 en vanaf 7 oktober 2004 over USD 10.288,69, -€ 1.832,60 wegens buitengerechtelijke kosten met rente vanaf 25 april 2007, met veroordeling van Rohden c.s. in de kosten van het geding. Aan deze vordering heeft Schutter naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, kort en zakelijk weergegeven ten grondslag gelegd: -Rohden c.s. is ingevolge art. 8:360 lid 1 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de goederen en diensten die Schutter heeft geleverd [betaald], ten bedrage van (USD 31.322,- min USD 3.878,55 betaald is pro resto) USD 27.443,45 en NLG 28.260,93 (€ 12.824,25) en deze bedragen zijn met voorrang verhaalbaar op het schip krachtens art. 8:217 lid 1 sub c BW; -Rohden c.s. is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van Schutter en dient de genoemde bedragen uit hoofde van art. 6:212 BW te vergoeden; -zij verkreeg een vordering op grond van zaakwaarneming (art. 6:200 BW); -het bedrag van USD 27.443,45 kan worden verminderd met USD 9.288,69 (USD 10.288,69 min USD 1.000,- vanwege de gestelde cautie) en moet weer worden vermeerderd met USD 10.288,69 tot USD 28.443,45; -Schutter heeft aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 1.832,60. 6. Het verweer in reconventie Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Schutter in de kosten van het geding. Naast hetgeen Rohden c.s. in conventie heeft betoogd, heeft zij daartoe aangevoerd: -de vordering tot betaling van de facturen is verjaard; -op grond van het gezag van gewijsde van de Panamese uitspraak over de vordering van Schutter kan deze niet nogmaals worden ingesteld; -de gestelde grondslagen voor de vordering zijn ondeugdelijk; -van verrekening kan geen sprake zijn; de buitengerechtelijke kosten worden betwist. 7. De beoordeling in conventie 7.1 De rechtbank te Panama heeft de door Schutter aanhangig gemaakte vordering op 30 september 2004 afgewezen. De door Schutter aangevoerde grondslag van ongerechtvaardigde verrijking werd, als zijnde te laat ingebracht, gepasseerd. Schutter werd in de kosten veroordeeld. De proceskosten werden bepaald op USD 10.288,69. Aan de griffier werd verder opgedragen "to settle the relevant expenses". 7.2 Schutter heeft afgezien van hoger beroep, zodat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Niet is omstreden dat deze tussen partijen gezag van gewijsde heeft. Nadat Schutter daartoe ook nog in oktober 2006 door de voorzieningenrechter te Rotterdam was veroordeeld, heeft Schutter het bedrag van USD 10.288,69 betaald, volgens Schutter: met rente vanaf 7 oktober 2004. Het is niet duidelijk waarom Schutter van mening lijkt te zijn dat deze betaling onverschuldigd was (repliek in reconventie onder 6). Zij wenst dit bedrag blijkbaar in elk geval te verrekenen met haar vordering in reconventie. Nu dit bedrag inmiddels is betaald, kennelijk in januari 2007, kan dit niet meer (in hoofdsom) worden toegewezen. 7.3 De primaire vordering van Rohden c.s. berust voor het overige op de uitspraken van de rechtbank te Panama van 3 oktober 2005 en 22 februari 2006. De eerste betreft de goedkeuring van een door de griffier opgestelde "liquidation of expenses", de tweede behelst een verbetering en aanvulling van de eerste. Gelet op (de Engelse vertaling van) de tekst van deze uitspraken, kunnen deze bezwaarlijk anders worden begrepen dan als de vaststelling van hetgeen terzake van de "expenses" door Schutter aan Rohden c.s. moet worden betaald, zulks ten vervolge op en als uitvoering van de veroordeling in de kosten in de uitspraak van 30 september 2004. Ook deze nadere uitspraken kunnen derhalve worden gezien als veroordeling door de rechter van Schutter om de genoemde bedragen te betalen. 7.4 Bij gebreke van een daartoe strekkende wetsbepaling of verdrag (en nu de EEX-Vo toepassing mist), kan ten aanzien van deze twee nadere uitspraken geen verlof tot tenuitvoerlegging worden verleend. Voor het verkrijgen van een titel in Nederland moet Rohden c.s. haar vordering tot vergoeding van kosten bij de Nederlandse rechter instellen op de voet van art. 431 lid 2 Rv. 7.5 Voor de vraag in hoeverre daarbij aan de uitspraken van 3 oktober 2005 en 22 februari 2006 gezag behoort te worden toegekend is hier vooral van belang of deze uitspraken naar in Nederland heersende opvattingen zijn totstandgekomen na een behoorlijke rechtspleging. 7.6 Bij de beoordeling daarvan kan - naast hetgeen al is vermeld onder 2.5 en 2.6 - het volgende in aanmerking worden genomen. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.