RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 267477 / HA ZA 06-2352 Uitspraak: 24 september 2008 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [eiseres], gevestigd te Noordwijk, eiseres, advocaat mr. T. Steffens, - tegen - [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. E.G. Karel. Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]". 1 Het verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 18 augustus 2006, met producties 1 tot en met 5; - akte houdende overlegging producties, met producties 6 tot en met 8; - conclusie van antwoord, met producties; - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 6 december 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast; - proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 25 september 2007; - conclusie van repliek, met productie 9; - conclusie van dupliek; - de stukken van het op 1 september 2006 ten verzoeke van [eiseres] en ten laste van [gedaagde] onder Stichting Notarieel Pensioenfonds te ‘s-Gravenhage gelegde conservatoire beslag. 2 Het geschil De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 50.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2006 tot en met de dag der algehele voldoening; - [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding. 3 De beoordeling 3.1 Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast: a. Op 23 januari 1981 heeft [eiseres] het bedrijfspand “[het bedrijfspand]”, staande en gelegen aan de Parallelboulevard in Noordwijk aan Zee (hierna: het bedrijfspand) verkocht aan [persoon 1]. De koopsom bedroeg f 3.125.000,-- (€ 1.418.063,18). Partijen kwamen overeen dat het pand met ingang van de datum van het passeren van de akte in economische eigendom werd overgedragen. De (juridische) levering zou uiterlijk op 1 februari 1983 plaatsvinden. b. Op 23 januari 1981 is het bedrijfspand door [persoon 1] belast met een (tweede) hypotheek ten behoeve van Tilburgsche Hypotheekbank N.V. (hierna: THB) voor een bedrag van f 3.201.400,-- (€ 1.452.731,98). c. De koopovereenkomst en de hypotheekakte werden gepasseerd ten overstaan van notaris [de not[de notaris]. [gedaagde] en [de notaris] werkten samen als notaris binnen hetzelfde kantoor. d. De hypothecaire geldgever van [persoon 1] heeft op 23 januari 1981 de koopsom bijgeschreven op de rekening van het kantoor waar [gedaagde] en [de notaris] deel van uitmaakten. [eiseres] heeft op genoemde datum kwijting van de koopsom verleend aan [persoon 1]. e. [gedaagde] heeft op 26 januari 1981 via cheques een bedrag van f 3.000.000,-- (€ 1.361.340,65) opgenomen van de kantoorrekening en dat bedrag betaald aan een derde die dat in strijd met gemaakte afspraken niet heeft terugbetaald. Als gevolg hiervan is de koopsom nooit aan [eiseres] betaald. f. [eiseres] heeft de (juridische) eigendom van het bedrijfspand niet voor de uiterlijk beoogde leveringsdatum van 1 februari 1983 noch nadien aan [persoon 1] overgedragen. g. [gedaagde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 1981 in staat van faillissement verklaard. h. Op 16 december 1987 heeft [eiseres] het bedrijfspand en drie andere registergoederen verkocht en geleverd aan Binex. (hierna: Binex), welke vennootschap eigendom was van [eiseres]. De koopprijs voor de vier registergoederen bedroeg f 2.100.000,-- (€ 952.938,45). i. De curator in het faillissement van [gedaagde] heeft tijdens de verificatievergadering van 27 oktober 1994 de vordering van [eiseres] in zijn geheel erkend. [gedaagde] heeft de vordering in zijn geheel betwist. j. Uit het faillissement van [gedaagde] zijn aan [eiseres] betaald: Medio november 1995 € 425.418,95 Medio juli 1999 € 212.709,95 Medio februari 2006 € 58.435,12 k. Het faillissement van [gedaagde] is op 24 februari 2006 geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. 3.2 [eiseres] grondt haar vordering primair op een toerekenbare tekortkoming en subsidiair op onrechtmatige daad. 3.3 [gedaagde] heeft ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen erkend dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door de op de kantoorrekening van haar en notaris [de notaris] ontvangen koopsom ten behoeve van [eiseres] aan een derde ter beschikking te stellen, waarna betaling van de koopsom aan [eiseres] niet meer heeft kunnen plaatsvinden. De rechtbank neemt dit derhalve als vaststaand aan. Hiervan uitgaande, kan ik het midden blijven of [gedaagde], zoals [eiseres] primair aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een tussen [eiseres] en [gedaagde] bestaande overeenkomst. 3.4 Derhalve resteert de vraag of [eiseres] schade heeft geleden als gevolg van de door [gedaagde] gepleegde onrechtmatige daad en zo ja, wat de omvang van de schade is. 3.5 [eiseres] stelt dat de hoor haar geleden schade gelijk is aan de ten onrechte niet door haar ontvangen koopsom ad € 1.418.063,18 minus de uit het faillissement van [gedaagde] ontvangen uitkeringen ad in totaal € 696.564,02, derhalve € 721.499,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.