RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: TELEC 08/1113-VRLK Uitspraak in het geding tussen Tele2 Netherland B.V., gevestigd te Amsterdam Zuidoost, eiseres, gemachtigde mr. G.J. Zwenne, advocaat te Den Haag, en het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA), verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 21 november 2007 heeft verweerder aan eiseres wegens overtredingen van artikel 4.2, elfde lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) een boete opgelegd van € 200.000,-. Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiseres bij brief van 4 december 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van 19 december 2007 heeft eiseres de gronden van bezwaar ingediend. Bij besluit van 5 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 12 maart 2008 beroep ingesteld. Bij brief van 6 mei 2008 heeft eiseres de beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft bij brief van 30 juli 2008 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2008. Voor eiseres is mr. N.J. Linssen verschenen, bijgestaan door drs. R. Polmans. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.H.T.W. Zee, bijgestaan door dr. ir. H. Barnard en drs. S. de Vries. 2 Overwegingen 2.1 Wettelijk kader Artikel 1.1, aanhef en onder bb, van de Tw luidt als volgt: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: nummer: cijfers, letters of andere symbolen, al dan niet in combinatie, die bestemd zijn voor toegang tot of identificatie van gebruikers, netwerkexploitanten, diensten, netwerkaansluitpunten of andere netwerkelementen. Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Tw, stelt Onze Minister, na overleg met het college, nummerplannen vast waarin in ieder geval de bestemming van de daarin opgenomen nummers wordt aangegeven. In een nummerplan kan worden bepaald dat eenzelfde nummer aan meerdere aanvragers kan worden toegekend. Ingevolge het elfde lid van artikel 4.2, van de Tw, is het verboden nummers door Onze Minister aangewezen overeenkomstig het vijfde lid, alsmede nummers voorkomende in een nummerplan te gebruiken voor de in de aanwijzing onderscheidenlijk in een nummerplan opgenomen bestemming zonder of in afwijking van een toekenning. Op grond van artikel 15.4, vierde lid, in samenhang met artikel 15.10, eerste lid, onder b, van de Tw is het college bevoegd een boete van ten hoogste € 450.000,- op te leggen aan een overtreder in geval van overtreding van de in artikel 15.1, derde lid, van de Tw bedoelde voorschriften. Het bepaalde in hoofdstuk 4 Tw valt onder deze voorschriften. Verweerder heeft op 17 november 2004 de Boetebeleidsregels OPTA (Stcrt 2004, nr. 234, p. 18; hierna: Boetebeleidsregels) vastgesteld. Op 29 juli 2005 (Stcrt 2005, nr. 145, p. 10) zijn de Boetebeleidsregels aangepast. 2.2 Feiten en omstandigheden De Minister van Economische Zaken (verder: de Minister) heeft bij besluit van 28 april 2006 tot wijziging van het Nummerplan voor telefoon- en ISDN-diensten (Stcrt. 2006, nr. 96, p. 16; hierna: het Nummerplan) een nieuwe nummerreeks ingevoerd voor abonnee-informatiediensten. Het gaat om viercijferige nummers, beginnend met de cijfercombinatie 18. Deze reeks kent 100 nummers, waarvan het nummer 1818 niet voor toekenning beschikbaar is. De bestemming van nummers uit deze zogenoemde 18xy-reeks is in het nummerplan als volgt omschreven: "Toegang tot gratis of betaalde abonnee-informatiediensten, waarmee primair en tenminste telefoonnummers kunnen worden opgevraagd aan de hand van gegevens betreffende de naam in combinatie met gegevens betreffende het adres en huisnummer, postcode of de woonplaats van de abonnee." Nummers uit de 18xy-reeks kunnen vanaf 28 juni 2006 bij het college worden aangevraagd voor toekenning. Daarnaast is bij dit zelfde besluit de bestemming van nummer 118 gewijzigd. Vanaf 17 januari 2007 mag het nummer 118 niet meer gebruikt worden voor het bieden van een abonnee-informatiedienst. Met de uitfasering van 118 en de introductie van de nieuwe nummers in de 18xy-reeks wordt beoogd de concurrentie te bevorderen door aan alle aanbieders van abonnee-informatiediensten een vergelijkbaar kort nummer ter beschikking te stellen. Bij besluit van 31 juli 2006 is aan eiseres één nummer uit de 18xy-serie toegekend, namelijk het nummer 1802. Bij brief van 2 april 2007 ontving verweerder een handhavingsverzoek van Vodafone Libertel B.V. (verder: Vodafone) waarin werd gemeld dat eiseres het abonnee-informatienummer van Vodafone, nummer 1800, doorschakelde naar de abonnee-informatiedienst van eiseres. In het daaropvolgend onderzoek is door toezichthoudende ambtenaren van verweerder op 3 april 2007 geconstateerd dat oproepen naar 1800, 1850 en 1888 werden doorgeschakeld naar 1802, het abonnee-informatienummer van eiseres. Eiseres is vervolgens mondeling gesommeerd daarmee te stoppen. Eiseres deelde daarop mede dat zij een afspraak had gemaakt met een nummerhouder om het betreffende nummer door te routeren naar 1802. Nadat toezichthoudende ambtenaren op 4 en 5 april 2007 wederom constateerde dat er ten onrechte werd doorgeschakeld, is op 5 april 2007 eiseres een last onder dwangsom opgelegd, waarin haar werd opgedragen de routering van de nummers 1820, 1850 en 1888 naar haar eigen nummer te beëindigen. Op 6 april 2007 is geconstateerd dat eiseres aan de last had voldaan. Die middag en ook op 10 april 2007 bleek evenwel dat eiseres 28 andere nummers uit de 18xy-serie doorschakelde naar 1802. In een telefonisch gesprek is van de zijde van eiseres aangegeven dat de nummerhouder(s), met wie de afspraak zou zijn gemaakt over het mogen doorschakelen van gesprekken naar 1802, zou(den) hebben aangegeven dat die afspraak niet meer geldt. Op 11 april 2007 heeft verweerder vervolgens eiseres een last onder dwangsom opgelegd, waarin zij werd opgedragen de routering van de daarin genoemde 28 nummers te beëindigen. Geconstateerd is dat eiseres aan deze last heeft voldaan. Desgevraagd heeft eiseres op 18 mei 2007 aan verweerder informatie verschaft over de periode waarin de verschillende nummers uit de 18xy-serie zijn doorgeschakeld naar 1802 en de hoeveelheid oproepen die in deze periode zijn doorgeschakeld. Daaruit blijkt dat in de periode van 2 april 2007 tot 12 april 2007 in totaal 15.162 oproepen van 49 verschillende 18xy-nummers zijn doorgeschakeld naar 1802. Op 4 september 2007 is vervolgens een rapport (verder: onderzoeksrapport) in de zin van artikel 15.8 van de Tw opgemaakt. Hierin is geconcludeerd dat eiseres in strijd met artikel 4.2, elfde lid, van de Tw, in de periode van 2 tot 12 april 2007 telefonische oproepen voor andere nummers uit de 18xy-reeks heeft doorgeschakeld naar haar eigen abonnee-informatiedienst. Daarbij zaten zowel aan andere aanbieders toegekende nummers als niet uitgegeven nummers. Voor de doorschakeling heeft eiseres geen toestemming van nummerhouders kunnen aantonen. Wat betreft de duur van de overtredingen wordt in het onderzoeksrapport gesteld dat de periode van de overtredingen, van 2 tot respectievelijk 3, 6 en 12 april 2007, als bijzonder lang moet worden aangemerkt, nu eiseres reeds op 3 april 2007 mondeling is medegedeeld dat zij in overtreding was en voor het beëindigen van de overtredingen twee maal een last onder dwangsom moest worden opgelegd. Wat betreft de ernst van de overtredingen, wordt in het onderzoeksrapport gesteld dat, nu eiseres gedurende een groot gedeelte van de periode de overtreding willens en wetens heeft begaan, de integriteit van het nummerplan is geschaad (vertrouwen eindgebruikers) en eiseres voordelen heeft behaald (omzet en benadeling concurrenten), er sprake is van een ernstige overtreding. Ten aanzien van de verwijtbaarheid is gesteld, dat de overtreding eiseres volledig toe te rekenen is en dat zij de overtredingen tegen beter weten in heeft begaan. Nadat eiseres in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze ten aanzien van het onderzoeksrapport mondeling toe te lichten heeft verweerder aan eiseres wegens overtredingen van artikel 4.2, elfde lid, van de Tw, bij het primaire besluit een boete opgelegd van € 200.000,-. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten. 2.3 Standpunten van partijen In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat door de handelwijze van eiseres de de integriteit van het Nummerplan is geschaad. Hoofdstuk 4 van de Tw is er immers voor bedoeld om een betrouwbare telefooncommunicatie in Nederland mogelijk te maken. Als aanbieders willekeurig niet door verweerder uitgegeven nummers gaan inzetten voor hun dienstverlening, valt de orde in de telefoniemarkt weg en kunnen conflicten op het gebied van bijvoorbeeld gebruiksrecht, tarieven en interoperabiliteit niet uitblijven. Als aanbieders nummers, die aan andere aanbieders zijn toegekend, zonder toestemming inzetten voor hun eigen diensten kunnen eindgebruikers er niet meer op vertrouwen dat zij in verbinding komen met de juiste persoon of instantie en kunnen aanbieders geen business case meer maken voor de dienstverlening die zij met hun nummers willen bieden. Verweerder is van mening dat het van groot belang is voor de maatschappij en voor aanbieders en eindgebruikers om handhavend op te treden tegen een aanbieder die deze regels uit Hoofdstuk 4 van de Tw overtreedt. Op grond van de feiten, zoals verwoord in het onderzoeksrapport, acht verweerder de daarin vastgestelde overtredingen ernstig. Daarbij merkt verweerder op de hoogte van de bedragen bij de 18xy-nummerveiling mee te hebben gewogen, omdat deze veilingbedragen een indicatie geven van de waarde die de aanbieders aan deze nummers koppelen. Bovendien meent verweerder dat eiseres zeer verwijtbaar heeft gehandeld. Anders dan in het onderzoeksrapport is gesteld, meent verweerder dat de overtredingen kort hebben geduurd. Verweerder kan eiseres niet volgen in haar stelling dat het primaire besluit niet door het onderzoeksrapport wordt gedragen. Hij wijst erop dat in het boeterapport zowel een kwalitatieve analyse (integriteit van het nummerplan en schade aan het vertrouwen van de eindgebruikers in de telefonie) als een kwantitatieve analyse van de door eiseres behaalde voordelen is gemaakt. De zienswijze van eiseres heeft ertoe geleid dat de kwantitatieve analyse van het onderzoeksrapport niet door verweerder is gevolgd. De geconstateerde overtredingen zijn bij het primaire besluit beoordeeld op basis van de in het onderzoeksrapport opgenomen kwalitatieve economische analyse van de overtreding, waarmee verweerder zich volledig kan verenigen. Op grond daarvan zijn de overtredingen gekwalificeerd en is de hoogte van de boete vastgesteld. Hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd ter zake van het ontbreken van enig voordeel vormt voor verweerder geen aanleiding het primaire besluit te herzien. Ten aanzien van de grief van eiseres dat het primaire besluit is gebaseerd op mondelinge verklaringen van betrokkenen zonder dat voorafgaand daaraan de cautie is gegeven, stelt verweerder zich op het standpunt dat het primaire besluit is gebaseerd op het door de toezichthoudende ambtenaren vastgestelde feitelijke kader. Door vanaf een aansluiting van eiseres te bellen naar allerlei nummers uit de 18xy-reeks hebben zij eerst zelf vastgesteld welke nummers op welk moment werden doorgeschakeld naar de abonnee-informatiedienst van eiseres. Daarnaast steunt het primaire besluit op schriftelijke verklaringen van eiseres, verstrekt op verweerders verzoek, waarin eiseres duidelijk maakt welke nummers gedurende welke periode doorgeschakeld stonden naar de abonnee-informatiedienst van eiseres. Verweerder is van mening dat de mondelinge verklaringen die door medewerkers van eiseres zijn gedaan volledig worden ondersteund door de bewijsmiddelen. Overigens is verweerder van mening dat, ook in het geval voorafgaand aan de mondelinge verklaringen een cautie had moeten worden gegeven, het primaire besluit in het licht van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (verder: CBb) van 12 juni 2007, LJN: BA7438, stand kan houden. De abusievelijke vermelding in het onderzoeksrapport van een geasssocieerd collegelid als toezichthoudend ambtenaar heeft naar de mening van verweerder geen gevolgen voor de geldigheid van het onderzoeksrapport, dan wel de rechtmatigheid van het primaire besluit. Eiseres heeft in beroep in de eerste plaats aangevoerd dat in het kader van de voorbereiding van het Nummerplan door een ieder de zorg werd uitgesproken over de aankiesbaarheid van de 18xy-nummers. Hoewel de Minister meende dat verweerder de mogelijke problemen dienaangaande zou kunnen oplossen, liet verweerder na daaromtrent beleidsregels vast te stellen. KPN bleek vervolgens alleen bereid om haar 1888-nummer op het netwerk van eiseres aankiesbaar te maken tegen voorwaarden en tarieven die voor eiseres zeer verliesgevend zijn. Hierdoor kon dit nummer niet op het netwerk van eiseres aankiesbaar worden gemaakt. Het gevolg was dat ruim één miljoen abonnees van eiseres het 1888-nummer niet konden aankiezen, terwijl KPN op grote schaal reclame maakte voor haar 1888-nummer. Door het niet aankiesbaar zijn van het 1888-nummer werd eiseres geconfronteerd met veel klachten van abonnees. Vooral waar het ging om noodsituaties hadden deze abonnees er weinig begrip voor dat zij het 1888-nummer niet konden bereiken. Eiseres zag zich op 2 april 2007 dan ook genoodzaakt om iets te doen aan de problemen met betrekking tot de aankiesbaarheid van 1888. Om te voorkomen dat haar abonnees telkens weer werden geconfronteerd met doodlopende gesprekken heeft zij gedurende korte tijd de gesprekken naar de niet op haar netwerk aankiesbare 18xy-nummers doorgeschakeld naar het enige 18xy-nummer dat wel op haar netwerk aankiesbaar was, te weten haar eigen 1802-nummer. Dit heeft in één geval (nummer 1800) één dag geduurd, in twee andere gevallen (nummers 1850 en 1888) vier dagen en in de overige gevallen 10 dagen. Naar de mening van eiseres is er geen, dan wel slechts minimaal, sprake van aantasting van de integriteit van het Nummerplan. Eiseres meent in de loop van de procedure uitvoerig uiteen te hebben gezet dat het ging om een heel specifieke, eenmalige situatie. In redelijkheid kan dan ook niet worden volgehouden dat er op enig moment sprake is geweest of had kunnen zijn van ernstige negatieve gevolgen. Ook meent eiseres dat de doorschakeling uiteindelijk voor eindgebruikers en abonnees voordelig was, aangezien zij er baat bij hadden dat hun oproepen niet doodliepen en dat zij in noodsituaties (pech langs de weg, ziek kind) de gevraagde informatie (wegenwacht, huisarts) toch snel konden krijgen. Uiteindelijk was de doorschakeling, aldus eiseres, ook voor de nummerhouders voordelig omdat de praktijk uitwijst dat abonnees doodlopende nummers in de regel uit hun (telefoon)geheugen wissen. Nu de oproepen wel werden beantwoord bleven abonnees het desbetreffende 18xy-nummer gebruiken. Eiseres voert verder aan dat het onderzoeksrapport alsmede het primaire en bestreden besluit uitgaan van een onjuiste en onvolledige weergave van de feiten. Anders dan verweerder stelt, houdt het aantal oproepen naar 18xy-nummers niet uitsluitend verband met marketingcampagnes of reclames van nummerhouders, maar ook met de boodschap die KPN ongevraagd en in strijd met wettelijke en contractuele verplichtingen gedurende ten minste een half jaar aan de abonnees van eiseres heeft laten horen, waarbij hen werd aangeraden 1888 te bellen. Het is daarmee duidelijk dat de aan het primaire besluit ten grondslag liggende veronderstelling, dat eiseres op oneigenlijke wijze ten koste van onder andere KPN haar naamsbekendheid zou hebben vergroot, feitelijk onjuist is. Immers, door de misleidende boodschap van KPN belden de abonnees van eiseres niet het 1802 nummer maar het niet-aankiesbare nummer 1888. In het licht van de economische context is er geen sprake van dat eiseres enig voordeel heeft genoten ten koste van KPN, danwel dat KPN anderszins zou zijn benadeeld. Als er één partij op oneigenlijke wijze voordeel heeft genoten is dat KPN, en niet eiseres. Eiseres uit voorts twijfels over de namens verweerder gevoerde telefoongesprekken. Eiseres heeft onderzoek gedaan naar de wijze waarop haar call centers werken, omdat verweerder vooral veel gewicht toekent aan wat in deze gesprekken precies zou zijn gezegd. Met name de uitlating van één call center-medewerker op 3 april 2008: "1800 bestaat niet, U heeft 1802 gebeld" heeft verweerder zwaar laten wegen. Omdat eiseres in haar eigen onderzoek niet heeft kunnen achterhalen wat er in deze gesprekken precies is gezegd, heeft zij aan verweerder gevraagd om verstrekking van de opnamen of transcripts van de gesprekken die in het kader van het onderzoek met de call center-medewerkers zijn gevoerd. Doordat verweerder heeft volstaan met het overleggen van enkele korte aantekeningen van de gesprekken die twee van de bij het onderzoek betrokken ambtenaren met de call center-medewerkers hebben gevoerd, stelt eiseres dat zij zich niet goed heeft kunnen verweren. Eiseres merkt in dit verband op dat in de rechtspraak is uitgemaakt dat er aan de bewijsvoering ten aanzien van overtredingen en aan de onderbouwing van het boetebesluit strenge eisen worden gesteld. Van belang daarbij is dat de partij aan wie de boete is opgelegd ten minste de mogelijkheid heeft om de door het bestuursorgaan gestelde feiten te verifiëren. Eiseres wijst daarbij op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2007, LJN: BA6377. Nu zij deze mogelijkheid niet of niet in voldoende mate heeft gehad, acht eiseres het bestreden besluit in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Eiseres stelt verder dat het onderzoek naar de overtredingen en het opstellen van het onderzoeksrapport voor een deel niet is gedaan door een toezichthoudend ambtenaar in de zin van artikel 15.5, eerste lid, van de Tw in verbinding met het Besluit Aanwijzing toezichthouders OPTA 2006 (Stcrt. 2006, 45; verder: Aanwijzingsbesluit). Hoewel verweerder dit in het bestreden besluit erkent, verbindt hij daar ten onrechte geen conclusies aan. Met betrekking tot de andere ambtenaren die het onderzoek hebben gedaan stelt eiseres dat hij niet kan controleren of deze ambtenaren inderdaad daartoe bevoegd waren. Ook om deze reden kan het bestreden besluit naar de mening van eiseres niet in stand blijven. Daarnaast voert eiseres aan dat, in strijd met artikel 15.6 Tw, medewerkers van eiseres niet gedurende het onderzoek zijn gewezen op hun wettelijk zwijgrecht. De cautie is pas op de hoorzitting van 28 september 2007 gegeven, terwijl uit het feitencomplex volgt dat de ambtenaren die het onderzoek deden reeds vanaf 3 april 2007 het redelijke vermoeden hadden dat artikel 4.2, elfde lid, van de Tw werd overtreden. Ofschoon verschillende medewerkers van eiseres mondeling is gevraagd om terzake (incriminerende) verklaringen af te geven en die verklaringen ook zijn gegeven, is het in geen van deze gevallen nodig gevonden om de betrokkenen te wijzen op hun zwijgrecht. Eiseres stelt hierdoor te zijn benadeeld. Deze tekortkomingen in het onderzoek kunnen niet volledig worden geheeld doordat verweerder op basis van zijn bevoegdheden van artikel 18.7 van de Tw informatie bij eiseres heeft opgevraagd (en verkregen) over de resultaten van het telefonisch onderzoek. Eiseres wijst in dit verband naar de uitspraak van het CBb van 3 september 2003, LJN: AL8124. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat het primaire besluit niet kan worden gedragen door het onderzoeksrapport. De conclusie in het onderzoeksrapport, dat er sprake is van een ernstige overtreding, is onder andere gebaseerd op de standpunten dat eiseres een groot voordeel zou hebben genoten en dat de overtredingen bijzonder lang zouden hebben geduurd. Het primaire besluit onderschrijft deze conclusies niet. Daarnaast meent eiseres dat de opgelegde boete niet in verhouding staat tot de ernst van de overtreding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.