RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/690203-08 Datum uitspraak: 26 januari 2009 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], verblijvende op het adres [adres], raadsman mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2009. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. Het onder 1 ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte betrokken is bij de dood van [slachtoffer]; primair in de vorm van het medeplegen van moord dan wel doodslag, subsidiair als medeplichtigheid daaraan en meer subsidiair zou sprake zijn van dood door schuld. Onder 2 wordt de verdachte verweten het medeplegen van het wegmaken van voorwerpen waarmee voornoemde moord/doodslag is gepleegd, teneinde dat misdrijf te bedekken of de nasporing te beletten of te bemoeilijken. EIS OFFICIEREN VAN JUSTITIE De officieren van justitie mrs. Baars en Knobbout hebben gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van moord en het onder 2 ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest voor wat betreft feit 1 en ontslag van alle rechtsvervolging voor wat betreft feit 2; - gevangenneming van de verdachte bij eindvonnis; - niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en benadeelde partij 2]. MOTIVERING VRIJSPRAAK Het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde wordt het volgende overwogen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte, op het moment dat zij samen met haar zus, de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]), naar de woning van het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) ging, het voornemen had om [slachtoffer] om het leven te brengen. Niet vast is komen te staan dat de verdachte en [medeverdachte] daartoe een van te voren opgezet plan hadden, noch dat de verdachte wist of kon vermoeden dat [medeverdachte] naar [slachtoffer] toe ging met het voornemen haar om het leven te brengen. Voorts is niet komen vast te staan dat de verdachte enige feitelijke handeling heeft verricht die heeft bijgedragen aan de dood van [slachtoffer]. Vervolgens dient bezien te worden of de verdachte in strafrechtelijke zin verweten kan worden dat ze niet heeft ingegrepen toen duidelijk werd dat [medeverdachte] [slachtoffer] van het leven wilde beroven. Het staat vast dat in de loop van de avond verdachte en [medeverdachte] bij [slachtoffer] waren en dat er handelingen zijn verricht en opmerkingen zijn gemaakt waarmee werd gezinspeeld op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank gaat er echter vanuit dat een en ander door de verdachte niet zodanig geïnterpreteerd werd, dat zij op dat moment besefte of heeft moeten beseffen dat [medeverdachte] daadwerkelijk van plan én in staat was [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte heeft aldus geen wetenschap gehad van het voornemen van [medeverdachte] om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank volgt de verdachte in haar verklaring dat zo’n scenario, het doden van [slachtoffer], op dat moment voor haar geen realiteit was. Achteraf bezien is weliswaar duidelijk waar de handelingen en opmerkingen van [medeverdachte] op duidden, maar van belang is wat de verdachte op dát moment wist of kon vermoeden. Gelet op het vorenoverwogene was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ‘stilzwijgende’ bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met [medeverdachte] of van een strafwaardig nalaten om in te grijpen. Dit betekent dat de verdachte van het onder feit 1, in alle modaliteiten, ten laste gelegde vrijgesproken moet worden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde wordt het volgende overwogen. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat [medeverdachte], bij het verlaten van de woning van [slachtoffer] een blikje cola en een asbak meenam om deze later weg te (laten) gooien, omdat zij, zoals zij tegenover de politie verklaarde, bang was dat haar zusje de schuld zou krijgen. Er zijn onvoldoende redenen om dit handelen van [medeverdachte] ook aan de verdachte toe te rekenen. Ook van dit feit wordt de verdachte vrijgesproken. VORDERING GEVANGENNEMING Nu de verdachte van de gehele tenlastelegging wordt vrijgesproken, dient de vordering tot gevangenneming te worden afgewezen. VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de moeder van [slachtoffer], mevrouw [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00. Als benadeelde partij heeft zich voorts in het geding gevoegd de vader van [slachtoffer]heer [benadeelde partij 2] wonende te [woonplaats], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 8.829,00 en immateriële schade tot een bedrag van € 4.500,00. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden. BESLISSING De rechtbank: - verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; - wijst af de vordering tot gevangenneming; - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering; - verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering; - veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil; - veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil. Dit vonnis is gewezen door: mr. Klein Wolterink, voorzitter, en mrs. Van Dijke en Werkhorst, rechters, in tegenwoordigheid van dhr. Meulendijk-Giese, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 januari 2009. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage bij vonnis van 26 januari 2009. TEKST TENLASTELEGGING Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. zij op of omstreeks 06 juli 2007, althans in of omstreeks de periode van 6 juli 2007 tot en met 7 juli 2007, te [woonplaats slachtoffer] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben/is/zijn verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.