Uitspraak Rechtbank Rotterdam Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 304073 / HA ZA 08-842 Uitspraak: 25 maart 2009 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: 1. [eiser sub 1], 2. [eiseres sub 2], beiden wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. A.G.H.M. Ganzeboom, - tegen - de GEMEENTE ROTTERDAM, zetelende te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. R.W. van Harmelen. Eisers worden hierna ook aangeduid als “[eiser sub 1]” respectievelijk “[eiseres sub 2]”. Gedaagde wordt hierna ook aangeduid als “de gemeente”. 1 Het verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: vonnis d.d. 29 februari 2008 van deze rechtbank, sector kanton, waarbij deze zaak naar de rol van de sector civiel recht is verwezen, met het daaraan ten grondslag stuk (inleidende dagvaarding d.d. 31 augustus 2007); oproepingsexploot d.d. 22 maart 2008; conclusie van antwoord, met producties; - conclusie van repliek, met producties; - conclusie van dupliek. 2 De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weer¬sproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast: 2.1 Eisers hebben vanaf 1997 tot en met 1 oktober 2004 een van gemeentewege verstrekte (bijstands)uitkering genoten. 2.2 Bij brief van maart 1998 heeft de directeur van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegen¬heid (hierna ook: “de dienst”) van de gemeente aan [eiser sub 1] medegedeeld dat aan hem “enige tijd geleden” te veel aan bijstand is uitgekeerd en dat de dienst verplicht is dit bedrag van hem terug te vragen. Voorts heeft hij medegedeeld: “(…) U had deze schuld, voor zover ik op dit moment kan nagaan, op 31 december 1997 nog niet (helemaal) terugbetaald. Tot en met 31 december 1997 mocht u de schuld netto terugbetalen. Dat wil zeggen: u betaalde precies hetzelfde bedrag terug als u van SoZaWe te veel heeft ontvangen. SoZaWe is verplicht om het per 1 januari van dit jaar resterende schuldbedrag bruto van u terug te vragen. Dit betekent dat u niet alleen het bedrag terugbetaalt dat u heeft ontvangen. Daarnaast moet u loonbelasting en premies voor onder meer AOW terugbetalen. Het gaat om bedragen die SoZaWe tegelijk met het betalen van de uitkering heeft afgedragen aan de belastingdienst. Tot onze spijt is SoZaWe verplicht om de premies en loonbelasting op deze manier van u terug te vragen. Dat is vastgelegd in artikel 90 van de Algemene Bijstandswet. U kunt de premies en loonbelasting die u in 1998 over uw schuld betaalt, in 1999 terugvragen bij de Belastingdienst. Van u is netto aan bijstand teruggevorderd f 5633,01 Hiervan moest u op 31 december 1997 nog betalen f 5633,01 Over dit bedrag heeft SoZaWe betaald aan de belastingdienst f 1640,66 Uw brutoschuld is dus per 1 januari 1998 f 7273,67 (…)” 2.3 Eisers hebben in de periode dat zij een bijstanduitkering ontvingen van de gemeente meerdere geldbedragen geleend. Het merendeel daarvan is afgelost. Zij hebben geleend: datum in guldens in euro’s a. 4 februari 1998 f 5.633,01 € 2.556,15 b. 2 februari 2001 f 1.000,00 € 453,78 c. 13 februari 2001 f 3.190,00 € 1.435,87 d 20 februari 2001 f 6.277,96 € 2.848,81 e 16 april 2001 f 890,75 € 404,20 f. 20 oktober 2001 f 1.030,68 € 467,70 2.4 Bij brief van 12 mei 1999 is van de zijde van de dienst aan [eiser sub 1] medegedeeld dat bij vergissing op 6 mei 1999 over de periode 1 maart 1999 tot en met 30 april 1999 een bedrag van f 497,66 te veel is overgemaakt aan hem. Voorgesteld wordt dit bedrag op de eerstkomende uitkering in te houden. 2.5 Bij besluit van 3 november 2004 heeft de dienst aan eisers medegedeeld dat de uitkering op basis van de Algemene bijstandswet met ingang van 1 oktober 2004 wordt beëindigd, dat over de periode waarin zij een uitkering ontvingen nog een bedrag gereserveerd staat aan vakantiegeld en dat dit tegoed wordt verrekend met openstaande vorderingen. In deze brief wordt aan op eisers rustende verplichtingen genoemd: “een restant van € 967,67”. 2.6 De dienst heeft bij brief van 16 maart 2005 aan [de vader van eisers sub 2] (de vader van [eiseres sub 2]) medegedeeld dat eisers een schuld van € 833,75 aan de dienst hebben. 2.7 Bij brief 20 mei 2005 heeft de dienst aan [de vader van eisers sub 2] medegedeeld: “(…) Hoewel het niet onze taak is om de informatie te verstrekken waar u om vraagt, zullen wij in dit geval een uitzondering maken en u een betalingsoverzicht geven van alle betalingen die in ons systeem geboekt zijn vanaf 1 januari 1997 tot en met 20 mei 2005 op naam van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2]. Wij willen u vragen om onderstaand overzicht te vergelijken met uw eigen administratie en ons binnen 14 dagen te berrichten of het klopt. Indien blijkt dat u geen gevolg geeft aan deze brief, zijn wij genoodzaakt een incassoprocedure te starten waarbij er beslag gelegd kan worden op uw inkomsten en/of bezittingen. Hierover wordt u vooraf niet meer geïnformeerd. Nummer/Aard/Terugvord.besluit (Bruto)Vordering Ontvangst Saldo 10336/ Abw / 19-12-1997 € 3.300,66 € 3.300,66 € 0,00 10337/ Abw/27-01-1999 € 256,42 € 256,42 € 0,00 10338/ Abw/ 12-05-1999 € 337,29 € 337,29 € 0,00 104209/ Leenbijstand/ 20-02-2001 € 2.848,82 € 2.482,77 € 366,05 118899/ Leenbijstand/ 09-04-2001 € 404,20 € 404,20 € 0,00 171452/ Leenbijstand/ 13-10-2001 € 467,70 € 0,00 € 467,70 211625/ Abw/24-04-2003 € 242,80 € 242,80 € 0,00 215493/ Wet boeten Abw / 22-04-2003 € 45,00 € 45,00 € 0,00 Het saldo van de vorderingen bedraagt thans € 833,75. (…)” 2.8 Bij brief van 14 juni 2005 heeft [vader van eiseres sub 2] aan de dienst medegedeeld niet geheel met de opstelling akkoord te kunnen gaan. Hij heeft daarbij een uittreksel gemaakt van alle schulden die naar zijn mening niet correct zijn afgerekend. [vader van eiseres sub 2] heeft daarbij de dienst verzocht de bewijzen van alle aflossingen toe te zenden. [vader van eiseres sub 2] heeft voorts medegedeeld dat eisers van de dienst € 573,89 dienen terug te ontvangen. Ten aanzien van de schuld “211625/Abw/24-12-2003” ad € 242,80 heeft [vader van eiseres sub 2] medegedeeld dat de opgave van de dienst correct is. 2.9 De dienst heeft [vader van eiseres sub 2] bij brief van 2 augustus 2005 bericht dat zij heeft geconstateerd dat de boete, bekend onder volgnummer 215493 afgeboekt had moeten worden op grond van het besluit van de bezwaarschriftencommissie d.d. 21 oktober 2003. Voorts heeft de dienst medegedeeld dat dit bedrag zal worden afgeboekt, dat het bedrag van de boete dat al voldaan is, zal worden overgeboekt naar de nog openstaande vordering en dat het saldo van de vorderingen thans € 788,75 bedraagt. 2.10 Bij brief van 30 maart 2006 heeft de dienst aan de werkgever van [eiser sub 1], Roteb Gemeente Rotterdam, medegedeeld dat [verzoeker sub 1] een (restant)schuld heeft aan de dienst van € 788,75 en dat de dienst gerechtigd is om beslag te leggen. Zij heeft Roteb verzocht om conform de bepalingen van de WWB en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering maandelijks het gedeelte van het netto salaris dat de beslagvrije voet te boven gaat van [verzoeker sub 1] in te houden en aan de dienst over te maken. 2.11 Bij brief van 20 februari 2007 heeft de dienst aan Afdeling WSW medegedeeld dat [verzoeker sub 1] een (restant)schuld heeft aan de dienst van € 449,09 en dat de dienst gerechtigd is om beslag te leggen. Zij heeft WSW verzocht om conform de bepalingen van de WWB en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering maandelijks het gedeelte van het netto salaris dan wel de netto uitkering of enige andere periodieke uitkering dat de beslagvrije voet te boven gaat van [verzoeker sub 1] in te houden en aan de dienst over te maken. 3 Het geschil De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis voor zover toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad: “A. Gedaagde te veroordelen om binnen een bij de uitspraak te bepalen termijn ten overstaan van een daarbij te benoemen rechter-commissaris aan eisers rekening en verantwoording af te leggen van het door haar gevoerd beheer met bepaling, dat, bijaldien gedaagde in gebreke mocht blijven op de door de rechter-commissaris bepaalde dag te verschijnen of rekening te doen, of aan de rechter-commissaris overgelegde rekening binnen de daarvoor bepaalde termijn aan eisers te betekenen, zij aan eisers een dwangsom zal verbeuren van € 125,= per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen Voorts het bedrag van ontvangsten en uitgaven der rekening zal worden vastgesteld, het saldo zal worden bepaald en gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling aan eisers van zodanige som, als aan deze blijkens de rekening en verantwoording zal toekomen, met wettelijke rente vanaf de dag, dat gedaagde in verzuim is gekomen tot aan die der voldoening; dan wel - in het geval dat mocht komen vast te staan dat eisers een alsdan bedrag aan gedaagde dienen te voldoen - dat zodanige som, als aan deze blijkens de rekening en verantwoording aan gedaagde zal toekomen, te verrekenen is met het bruto equivalent van de korting op de uitkering van eisers over de periode juli 2001 tot en met februari 2002, te weten het bruto equivalent van in ieder geval € 800,=; Gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.” De gemeente heeft de vordering van eisers gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van eisers in de kosten van het geding. 3 De beoordeling 3.1 Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de gemeente de administratie c.q. het beheer over de inhoudingen en aflossingen voerde en uit dien hoofde jegens hen rekenplichtig is. Op basis van de door de gemeente verstrekte bescheiden en ontvangen specificaties is volgens eisers slechts een gedeeltelijk inzicht te verkrijgen in de gevoerde administratie. Eisers vermoeden dat de berekening van de gemeente van de (restant)schuld incorrect is. Voorts hebben eisers gesteld dat zij ten onrechte over de periode juli 2001 tot en met (mogelijk) februari 2002 zijn gekort op hun uitkering in verband met inkomsten uit arbeid. Volgens eisers heeft [eiseres sub 2] in die periode niet gewerkt in verband met haar zwangerschap en - vervolgens - de geboorte van haar [kind] op 29 september 2001. Eisers stellen dat van de eventuele vordering van de gemeente op grond van de redelijkheid en billijkheid het ten onrechte op de uitkering gekorte bedrag moet worden afgetrokken. 3.2 De gemeente meent dat zij aan haar informatieplicht heeft voldaan. Zij blijft niettemin bereid om eisers zo veel als mogelijk inzage in de aflossing van de verschillende schulden te verschaffen. Met betrekking tot de stelling van eisers dat zij ten onrechte zouden zijn gekort wegens inkomsten uit arbeid, geldt volgens de gemeente dat die kwestie niet in de onder¬havige procedure thuishoort. Voor zover eisers menen dat destijds ten onrechte op de uitkering is gekort, hebben daartegen bestuursrechtelijke voorzieningen open gestaan. Eisers hebben deze bestuursrechtelijke mogelijkheden onbenut gelaten, aldus de gemeente. 3.3 Als uitgangspunt geldt het volgende. Op grond van de destijds geldende Algemene bijstandswet (hierna: “Abw”) waren de beslissingen van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbij leenbijstand werd verstrekt, alsmede die waarbij tot terugvordering werd besloten, besluiten tegen welke bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurs¬recht openstond. Artikel 86 Abw bepaalde destijds dat het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt en de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald. Voorts was de gemeente overeenkomstig artikel 14f Abw gerechtigd de terug te vorderen bedragen te verrekening met de uitkering. Het terugvorderingbesluit levert op grond van het destijds geldende artikel 87 Abw een executoriale titel op. 3.4 Voor zover geen bezwaar is gemaakt tegen een door burgemeester en wethouders genomen terugvorderingbesluit, moet in een civielrechtelijk geschil dienaangaande bijzondere omstandigheden daargelaten - op grond van het beginsel van de formele rechts¬kracht worden uitgegaan van de rechtmatigheid van dat besluit. 3.5 Dit laat onverlet dat de gemeente de bevoegdheid die haar krachtens het burgerlijk recht toekomt, niet mag uitoefenen in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiek¬recht. Hetgeen betekent dat de gemeente bij de civiel¬rechtelijke invordering van een (restant-) schuld door middel van executoriaal (loon)beslag de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen. In het geval als het onderhavige, waarin de gemeente als uitkerings¬verlenende instantie tevens meerdere malen leenbijstand heeft verstrekt ten behoeve van schulden van de uitkeringsgerechtigde aan de gemeente zelf als ook aan derden en waarbij zij (geregeld) ten aanzien van die derden als ‘doorgeefluik’ heeft gefungeerd, brengen die algemene beginselen van behoorlijk bestuur mee dat zij steeds op een voor de betreffende uitkeringsgerechtigde begrijpelijke wijze inzichtelijk moet hebben gemaakt en gehouden wanneer, welke bedragen aan welke schuldeiser zijn overgeboekt en wanneer, welke bedragen, op welke schuld van de uitkerings¬gerechtigde, op welke wijze zijn afgelost. Vooralsnog lijkt dit in het onderhavige geval onvoldoende te zijn gebeurd. 3.6 De rechtbank zal een verschijning van partijen ter terechtzitting bevelen teneinde een schikking te beproeven en tot het geven van inlichtingen, waarbij de gemeente zich zal moeten laten vertegenwoordigen door iemand die van deze zaak goed op de hoogte is en die genoegzaam antwoord zal kunnen geven op de hieronder te vermelden vraagpunten. De voorkeur gaat daarbij uit naar [persoon 1] (destijds werkzaam bij district Hoogvliet van de dienst.) De rechtbank neemt vooralsnog aan dat de in de brief van 14 juni 2005 van [vader van eiseres sub 2] opgenomen vraagpunten ook thans nog als vraagpunten van eisers hebben te gelden. Deze onderwerpen zullen daarom ter terechtzitting in ieder geval aan de orde komen, zij het met de beperkingen hierop die hieronder worden gegeven.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.