vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector Civiel – Afdeling Handel zaaknummer / rolnummer: 290519 / HA ZA 07-2110 Vonnis van 8 april 2009 in de zaak van [eiseres], gevestigd te ‘s-Gravenhage, eiseres, advocaat mr. G.F. van den Ende te Rotterdam, tegen 1. [gedaagde 1], wonende te [woonplaats], 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], 3. [gedaagde 3], gevestigd te Rotterdam, gedaagden, advocaat mr. J. Kneppelhout te Rotterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (gezamenlijk [gedaagden]) genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) heeft van d[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) de aan [bedrijf 1] in eigendom toebehorende bedrijfsruimte, gelegen aan de Scheldeweg 6 te Boom (België) gehuurd. [bedrijf 2] exploiteerde in de bedrijfsruimte een groothandel (een cash & carry voor detaillisten in de “Home, Garden & Gift sector”). 2.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn bestuurders en aandeelhouders van [bedrijf 2]. Daarnaast is [gedaagde 3] aandeelhouder van [bedrijf 2]. 2.3. [eiseres] is in december 2006 in onderhandeling getreden met [bedrijf 2] en [bedrijf 1]. De onderhandelingen waren gericht op enige vorm van overname door [eiseres] van in hoofdzaak (de aandelen van) [bedrijf 2] en het bedrijfspand van [bedrijf 1]. 2.4. In verband met huurachterstand heeft [bedrijf 1] begin 2007 in België een civiele procedure tegen [bedrijf 2] aangespannen, strekkende tot betaling van de huurachterstand en beëindiging van de huurovereenkomst. Op 31 mei 2007 heeft er een mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden, bij welke gelegenheid [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] te kennen heeft gegeven slechts bereid te zijn om de procedure te beëindigen, indien [bedrijf 2] op zeer korte termijn haar huurachterstand ad € 126.174, 94 zou voldoen. [bedrijf 2] was daartoe niet in staat. 2.5. [eiseres] heeft -voorafgaande aan bedoelde zitting- bij brief van 31 mei 2007 (productie 1 van [gedaagden]) aan [bedrijf 2] en [bedrijf 1] onder meer laten weten: “(...) In die zelfde periode is met [bedrijf 2] afgesproken en recentelijk vastgesteld dat [eiseres] een overname som van € 350.000,- betaald voor de business (technisch wordt nog bepaald, in de aankomende 10 dagen, of het asset of stock deal wordt). Materieel maakt dat niet zo veel uit omdat [eiseres] in beide gevallen staat voor de aflossing van alle mogelijke schulden (...). [eiseres] is van mening (…) dat [bedrijf 2] haar verplichting en dus ook betaling moet nakomen aan [bedrijf 1]. [eiseres] is bereid oplossingen te genereren op basis van de uitgangspunt: borging betaling aan [bedrijf 1] van de aan de orde zijnde huurachterstand. [eiseres] wil vastleggen (en borgen met zekerheidstelling door pandrecht) en overeenkomen met partijen ([bedrijf 2] en [bedrijf 1]) dat de overnametransactie (€ 350K) in twee delen wordt beknipt: een deel te betalen aan [bedrijf 1] (gelijk de huurachterstand) en een tweede deel aan [bedrijf 2] (het restant: € 350K minus huurachterstand aan [bedrijf 1]) (…).” 2.6. Op 3 juni 2007 heeft er een telefonische bespreking plaatsgevonden, waaraan onder meer [eiseres], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben deelgenomen. 2.7. Op 4 juni 2007 heeft [gedaagde 1] onder vermelding van “betreft spoedoverboeking lening [eiseres]” een bedrag van € 12.500,-- overgemaakt naar de rekening van [eiseres] (productie 1 van [eiseres]). [eiseres] heeft op 5 juni 2007 namens [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] een bedrag van € 80.000,-- betaald en op 8 juni 2007 een bedrag van € 46.374, 94. Hiermee was de huurachterstand van [bedrijf 2] ingelopen. 2.8. Begin juli 2007 zijn de hiervoor sub 2.3. bedoelde onderhandelingen, waarbij ook [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) als door [eiseres] beoogde opvolgende koper betrokken waren, uiteindelijk afgebroken. 2.9. [bedrijf 2] is bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 9 juli 2007 in staat van faillissement verklaard. 2.10. Bij brieven van 10 juli 2007 heeft [eiseres] [gedaagden] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 147.874, 94, uiterlijk op 11 juli 2007. [gedaagden] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven. 2.11. [eiseres] heeft op 16 juli 2007 ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] conservatoir beslag gelegd. 2.12. Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 27 september 2007 zijn voormelde beslagen opgeheven (productie 12 van [gedaagden]). 3. De vordering 3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: A. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 147.874,94, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 11 juli 2007, subsidiair vanaf 10 augustus 2007, meer subsidiair vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag der algehele voldoening; B. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen, des dat één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen ter zake de buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 2.842,--; C. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen, des dat één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen de kosten van dit geding, waaronder begrepen de kosten van beslaglegging, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf de dag van het vonnis, tot aan die der algehele voldoening en met begroting van de na de uitspraak ontstane kosten op € 131,--, dan wel, indien betekening plaatsvindt, op € 199,--, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf de dag van het vonnis, tot aan die der algehele voldoening, onder afgifte van een bevelschrift op de voet van artikel 237 lid 4 Rv. 3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, kort samengevat de navolgende stellingen ten grondslag. Op 3 juni 2007 heeft zij met [gedaagden] afgesproken dat [eiseres] aan [gedaagden] een bedrag van € 113.874, 94 zou lenen en na ontvangst van [gedaagde 1] van een bedrag van € 12.500,-- de totale huurachterstand van [bedrijf 2] rechtstreeks aan [bedrijf 1] in twee tranches zou voldoen en dat [eiseres] van [gedaagden] een bedrag van € 34.000,-- zou ontvangen voor de directe terbeschikkingstelling van de gelden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld omdat zij op het moment van de lening wisten, althans behoorden te weten dat [bedrijf 2] niet zou kunnen nakomen en evenmin verhaal zou bieden ter zake van de lening van de huurachterstand. 4. Het verweer 4.1. [gedaagden] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiseres] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het geding en daarbij zal bepalen dat de proceskosten worden vermeerderd met het nasalaris (€ 131,-- zonder betekening en € 199,-- bij betekening) en met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum van het vonnis. 4.2. Op het verweer van [gedaagden] zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan. 5. De beoordeling 5.1. Vaststaat dat toen op 31 mei 2007 de mondelinge behandeling plaatsvond van de door [bedrijf 1] jegens [bedrijf 2] aangespannen procedure, strekkende tot betaling van de huurachterstand en ontbinding van de huurovereenkomst, [eiseres] nog steeds geïnteresseerd was in overname van het concept van [bedrijf 2] en verwerving van het door de [bedrijf 2] van [bedrijf 1] gehuurde bedrijfspand. De mondelinge behandeling van die procedure is toen aangehouden, om [bedrijf 2] in de gelegenheid stellen om gelden te verwerven waarmee de huurachterstand kon worden ingelopen. [bedrijf 1] verlangde op 4 juni 2007 voldoening van de huurachterstand. [eiseres] heeft niet weersproken dat haar voornemen om na verwerving van het pand van [bedrijf 1] en het concept van [bedrijf 2], het geheel door te verkopen aan [bedrijf 3] niet gerealiseerd zou kunnen worden indien de huurovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zou worden ontbonden. [eiseres] had er derhalve een groot belang bij om dit laatste door betaling van de huurachterstand aan [bedrijf 1] te voorkomen. [eiseres] heeft de huurachterstand van [bedrijf 2] voor en namens [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] betaald. Hierdoor verkreeg [eiseres] in ieder geval een vordering op [bedrijf 2] ter hoogte van het door [eiseres] aan [bedrijf 1] betaalde bedrag, verminderd met het bedrag van € 12.500,-- dat door [gedaagde 1] aan [eiseres] was betaald. 5.2. [gedaagden] heeft niet bestreden dat tijdens een op 3 juni 2007 gehouden telefoon- conferentie is afgesproken dat [eiseres] de huurachterstand van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] zou voldoen alsmede dat [gedaagde 1] in dat verband aan [eiseres] een bedrag van € 12.500,-- zou overmaken ter doorbetaling aan [bedrijf 1]. [gedaagden] heeft evenwel met klem bestreden dat op enig moment en meer in het bijzonder tijdens het telefoongesprek van 3 juni 2007 zou zijn afgesproken dat [eiseres] het bedrag dat [eiseres] uit eigen middelen aan [bedrijf 1] zou betalen ter inlossing van huurachterstand, aan [gedaagden] in hun hoedanigheid van aandeelhouders van [bedrijf 2] zou lenen. [gedaagden] heeft aangevoerd dat dat laatste nooit zijn bedoeling is geweest en dat [eiseres] dit ook niet heeft mogen afleiden uit de gedragingen van [gedaagden]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voorts gesteld [bedrijf 2] een huurschuld had en niet [gedaagden] en dat zij naar [eiseres] toe altijd zijn opgetreden in hun hoedanigheid van bestuurders van [bedrijf 2]. [gedaagden] betwist tot slot de stelling van [eiseres] dat [gedaagden] op 1 juni 2007 aan [eiseres] heeft gevraagd om het verstrekken van een geldlening aan de aandeelhouders van [bedrijf 2],[gedaagden] 5.3. In deze kan -anders dan door [eiseres] is betoogd- niet behoudens tegenbewijs worden aangenomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tijdens het telefoongesprek van 3 juni 2007 mede namens [gedaagde 3] in de hoedanigheid van aandeelhouders van [bedrijf 2] met [eiseres] hebben afgesproken dat de door [eiseres] uit eigen middelen aan [bedrijf 1] te verrichten betalingen dienden te worden aangemerkt als een door [eiseres] aan [gedaagden] in hun hoedanigheid van aandeelhouders van [bedrijf 2] verstrekte geldlening. 5.4. De door [eiseres] als productie 8 overgelegde schriftelijke verklaringen d.d. 23 juli 2007 van [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], die door [gedaagden] gemotiveerd zijn tegengesproken, kunnen immers niet op één lijn worden gesteld met onder verband van de eed of belofte afgelegde getuigenverklaringen ten overstaan van een rechter. 5.5. [eiseres] heeft voorts gesteld dat één van de doelstellingen van de onderhandelingen was de gecontroleerde exit van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en niet zozeer opbrengst maximalisatie en dat om die reden een lening aan [bedrijf 2] niet aan de orde is. De rechtbank volgt [eiseres] hierin niet. Het feit dat het de bedoeling was dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar de schuldeisers van [bedrijf 2] toe met “opgeheven hoofd” [bedrijf 2] zouden kunnen verlaten, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat het hierbij gaat om hulp van [eiseres] aan de aandeelhouders van [bedrijf 2]. In hun hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 2] hadden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] misschien nog wel een groter belang om op waardige wijze [bedrijf 2] te verlaten. 5.6. Ook het feit dat [gedaagde 1] voormeld bedrag van € 12.500,-- aan [eiseres] heeft overgemaakt onder vermelding van “betreft spoedoverboeking lening [eiseres]” is niet zonder meer een aanwijzing voor de juistheid van de stelling van [eiseres] dat [gedaagden] het door [eiseres] daarnaast aan [bedrijf 1] uit eigen middelen betaalde bedrag van de huurachterstand aan [gedaagden] in hun hoedanigheid van aandeelhouders zou hebben geleend. 5.7. [eiseres] was kennelijk (gelet op de inhoud van haar brief van 1 juni 2007, productie 7 van [eiseres]) op 3 juni 2007 nog optimistisch over het doorgaan van de door haar beoogde transactie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.