RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 233049 / HA ZA 05-423 Uitspraak: 28 januari 2009 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: de besloten vennootschap FORTRESS VASTGOED ROTTERDAM B.V., hierna ook te noemen: Fortress, gevestigd te Rotterdam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. W.J. Hengeveld, - tegen - 1. de naamloze vennootschap VASTNED OFFICES / INDUSTRIAL N.V., gevestigd te Rotterdam, hierna ook te noemen: VastNed NV, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, 2. de besloten vennootschap VASTNED INDUSTRIAL B.V., hierna ook te noemen: VastNed BV, gevestigd te Rotterdam, gedaagde (in conventie), hierna gezamenlijk ook te noemen: VastNed c.s., advocaat mr. J.A.J. Leeman. 1 Het verdere verloop van het geding De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende processtukken: ? het tussenvonnis van 28 november 2007 en de daarin genoemde stukken; ? de conclusie na tussenvonnis van Fortress; ? de antwoordconclusie na tussenvonnis. 2 De verdere beoordeling In conventie en in reconventie: 2.1 Bij voormeld tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over het verjaringsverweer van VastNed c.s. en de door Fortress gestelde stuiting van de verjaring. Partijen hebben hun standpunten hierover nader uiteengezet. 2.2 Grondslag van de primaire vorderingen 2.2.1 Fortress heeft bij conclusie na tussenvonnis aangevoerd dat de verjaringstermijn van twee jaren van artikel 7:23 lid 2 BW niet van toepassing is omdat haar (primaire) vorderingen niet (zelfstandig) zijn gebaseerd op een onrechtmatige daad, maar zijn gegrond op een door [[persoon 1] namens VastNed c.s. gedane toezegging tot compensatie. Het gestelde onrechtmatige handelen heeft volgens Fortress alleen betekenis voor het geval in deze procedure moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van VastNed c.s. dat zij niet onvoorwaardelijk heeft toegezegd dat er zou worden verrekend maar alleen indien zij fouten heeft gemaakt bij de transactie van 2001. Bij conclusie na tussenvonnis (onder 8 en 9) heeft Fortress de nadere toelichting gegeven dat zij er belang bij heeft dat komt vast te staan dat de voorwaarde is/was vervuld omdat "zonder die vaststelling wellicht niet kan worden geconcludeerd dat VastNed haar compensatieverplichting toerekenbaar niet is nagekomen" en dat haar stellingen strekken "ter vaststelling dat aan de voorwaarden voor nakoming van de compensatietoezegging is voldaan". 2.2.2 De rechtbank stelt met VastNed c.s. vast dat Fortress hiermee de grondslag van haar primaire vordering heeft gewijzigd (vergelijk overweging 3.2 van het vorige tussenvonnis). De primaire vordering tot betaling van een schadevergoeding van € 2.095.342,24 wordt thans (uitsluitend) gegrond op het door Fortress gestelde niet nakomen door VastNed c.s. van een door deze gedane - onvoorwaardelijke, althans voorwaardelijke - toezegging tot compensatie in verband met de hoogte van de erfpachtcanon voor het object Scharenburg. 2.2.3 De stellingen van Fortress zijn niet geheel eenduidig ten aanzien van de vraag of zij zich beroept op een schadevergoedingsplicht wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de (gestelde) compensatietoezegging dan wel op een nakomingsverplichting ter zake van die toezegging. Anders dan eerder in deze procedure heeft Fortress in haar conclusie na tussenvonnis haar stellingen met name toegespitst op (een vordering tot) nakoming van de compensatietoezegging, waarbij aansluit haar betoog dat artikel 3:307 lid 2 BW de verjaring beheerst (en derhalve niet artikel 3:310 BW, dat betrekking heeft op vorderingen tot schadevergoeding). De vorderingen van Fortress, zoals geformuleerd in het petitum (zie het vorige tussenvonnis onder 2), strekken evenwel niet tot nakoming maar tot schadevergoeding. De rechtbank zal er in deze situatie van uitgaan dat Fortress beoogt schadevergoeding te vorderen. 2.3 Verjaring (vordering tot schadevergoeding)? 2.3.1 Bezien dient te worden of al dan niet sprake is van verjaring van de vordering tot schadevergoeding wegens de (gestelde) niet nakoming van de (gestelde) toezegging tot compensatie. De rechtbank vat het betoog van Fortress aldus op, dat zij aanvoert dat artikel 3:307 BW en niet artikel 7:23 lid 2 BW hierop van toepassing is, omdat haar stellingen niet strekken tot de vaststelling dat het geleverde niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. Uitgaande van lid 2 van artikel 3:307 BW zou de verjaring volgens Fortress pas voltooid zijn op 8 maart 2022 en uitgaande van lid 1 van genoemde bepaling op 8 maart 2007, ware het niet dat de verjaring tijdig is gestuit door de fax van [persoon 2] aan VastNed van 11 april 2003, de fax van [persoon 3] aan de advocaat van VastNed van 26 november 2003 en (in elk geval) door het uitbrengen van de dagvaarding in deze procedure op 1 februari 2005. VastNed c.s. betoogt (antwoordconclusie na tussenvonnis onder 3.2) dat de uitlatingen van [persoon 1] niet meer inhielden dan de constatering dat VastNed schade moet vergoeden indien zij onrechtmatig heeft gehandeld, hetgeen in de visie van VastNed c.s. geen verbintenis schept en geen overeenkomst oplevert, docht hooguit een voorwaardelijke erkenning. Ook ingeval wel moet worden gesproken van een overeenkomst als door Fortress gesteld, is volgens VastNed c.s. (zie antwoordconclusie na tussenvonnis onder 3.2) sprake van verjaring op grond van artikel 7:23 (juncto 3:319 BW), nu deze regeling van toepassing is wanneer de feiten daartoe aanleiding geven, ongeacht de wijze waarop de vordering is ingekleed. 2.3.2 Bij de beoordeling van de verjaringsvraag dient te worden uitgegaan van de (door de betwisting van VastNed c.s. in rechte niet vaststaande) stellingen van Fortress dat door [persoon 1] compensatie is toegezegd door middel van toekomstige vastgoedtransacties - primair onvoorwaardelijk, subsidiair voorwaardelijk (zie conclusie na tussenvonnis onder 5; te weten onder de voorwaarde dat VastNed c.s. in enig opzicht onjuist zou hebben gehandeld ter zake van de erfpachtcanon) - en dat Fortress daarmee heeft ingestemd (vergelijk dagvaarding onder 12 tot en met 15, 21 en 25). 2.3.3 Naar het oordeel van de rechtbank impliceert het primaire standpunt van Fortress (een onvoorwaardelijke toezegging) een overeenkomst, waarbij partijen afspraken hebben gemaakt ter zake van de onzekerheid en/of hun geschil over de feiten (betreffende het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige informatie door VastNed c.s. omtrent de erfpachtcanon) die, de visie van Fortress volgend, de stelling zouden rechtvaardigen dat het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt. Deze (gestelde) nadere overeenkomst, die te kwalificeren is als een vaststellingsovereenkomst, biedt een andere grondslag voor de vordering van Fortress dan de feiten waarop die overeenkomst betrekking heeft. Hiervoor geldt derhalve niet de verjaringstermijn van twee jaren van artikel 7:23 lid 2 BW, maar de verjaringstermijn van vijf jaren van artikel 3:307 BW (nakoming) of artikel 3:310 BW (schadevergoeding), zodat - uitgaande van levering in maart 2002 - reeds door het uitbrengen van de dagvaarding in deze procedure op 1 februari 2005 geen sprake kan zijn van een voltooide verjaring. 2.3.4 Dit ligt anders voor het subsidiaire betoog van Fortress (een voorwaardelijke toezegging), waarin geen einde is gemaakt aan voormelde onzekerheid en/of geschil over feiten die in de visie van Fortress de stelling zouden rechtvaardigen dat het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, doch waarin (slechts) de mogelijke gevolgen daarvan zijn bepaald (te weten compensatie door middel van toekomstige vastgoedtransacties). Hiervoor geldt dat, in de lijn van HR 21 april 2006 (NJ 2006/272), de verjaringstermijn van twee jaren van artikel 7:23 lid 2 BW van toepassing is. 2.3.5 Uitgaande van de klacht van 8 maart 2002 van Fortress over de erfpachtcanon, is behoudens tijdige stuiting de verjaring op 8 maart 2004 voltooid. Van belang is dan ook of de fax van [persoon 2] aan VastNed van 11 april 2003 of de fax van [persoon 3] aan de advocaat van VastNed van 26 november 2003 de verjaring heeft gestuit in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW, dat voor stuiting een schriftelijke aanmaning vereist of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. 2.3.6 Artikel 3:317 lid 1 BW moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling, te weten een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er rekening mee moet houden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een mogelijkerwijs dan nog door de schuldeiser in te stellen vordering behoorlijk kan verweren. Gelet op deze strekking oordeelt de rechtbank dat in dit geval sprake is van stuiting van de lopende verjaring door voormelde brieven, die tegen de navolgende achtergrond dienen te worden begrepen. Fortress is voor de onderhavige vastgoedtransactie op 18 december 2001 opgericht door de heren J.R. en R. Voerman (directeuren van Fortress Participations B.V.), Breevast B.V. en Muermans Vastgoed Holding B.V.. Deze genoemde vennootschappen zijn als borg verbonden ter zake van de door Fortress van VastNed c.s. verkregen hypothecaire geldleningen (in verband met de aankoop van de vastgoedportefeuille door Fortress). Over de aflossing van deze geldlening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.