RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 08/2071 WET-T1 Uitspraak in het geding tussen [naam], wonende te Barendrecht, eiser, gemachtigde mr. W. Visser, medewerker van Stichting Achmea rechtsbijstand te Leeuwarden, en de raad van de gemeente Albrandswaard, verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 2 april 2007, verzonden op 12 april 2007, heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) een planschadevergoeding toegekend van € 8.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2005 tot de dag der uitbetaling. Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 24 mei 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser voor wat betreft het motiveringsgebrek gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 15 mei 2008 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 15 januari 2009 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2009. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Brandes en J. de Ruiter. 2 Overwegingen Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Nu de aanvraag om planschadevergoeding op 8 juni 2005 is ingediend, dient in dit geval te worden getoetst aan de WRO zoals die gold voor 1 juli 2008. Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals dat artikel gold ten tijde hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan en het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. In zijn verzoek tot vergoeding van planschade stelt eiser schade te leiden ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan “Rhoonse Baan” op basis waarvan globaal ten noordwesten van zijn woning de aanleg van een weg, de zogenaamde Rhoonse Baan, mogelijk wordt gemaakt. Hij meent dat zijn woongenot als gevolg van geluid-, licht- en stankoverlast aanzienlijk zal verminderen. Daarnaast stelt eiser schade te leiden ten gevolge van de planologische maatregelen die woningbouw mogelijk maken ten westen van zijn woning. Verweerder heeft daarop besloten de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) om advies te vragen. In haar advies van juni 2006, opdrachtnummer 25.11341 B, stelt de SAOZ vast dat globaal ten noordwesten van eisers perceel, dat hij sedert 1992 in eigendom heeft, op een kortste afstand van circa 50 meter, een nieuwe weg zal worden aangelegd, de Rhoonse Baan, die het dorp Rhoon zal ontsluiten. Wat betreft de voorgenomen woningbouw ten westen van diens woning merkt de SAOZ op dat met verweerder de afspraak is gemaakt dat eisers verzoek dienaangaande wordt aangehouden, aangezien de planologische besluiten hiertoe nog niet zijn genomen. In het kader van de planologische vergelijking stelt de SAOZ vast dat op de gronden waarop thans de Rhoonse Baan zal worden aangelegd, voorheen het bestemmingsplan “Buitengebied” gold, dat op 10 juli 1984 onherroepelijk is geworden. De gronden globaal ten noordwesten van eisers perceel, alsmede de tussengelegen gronden, hadden voor zover relevant de bestemming “Agrarische doeleinden”, bedoeld voor agrarisch gebruik en de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. Deze gronden mochten, uitsluitend binnen een terreinmaat van 1 hectare, ter plaatse van de daartoe op de kaart aangegeven locaties, en wel binnen een afstand van maximaal 100 meter vanuit de weg van waaruit het betreffende agrarische bedrijf wordt ontsloten, worden bebouwd met niet voor bewoning bestemde gebouwen, met een maximale hoogte van 8 meter, een bedrijfswoning met een maximale bouwhoogte van 6 meter en met silo’s en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale hoogte van 25 meter. Buiten de aangegeven terreinmaat is voorts per 10 hectare bedrijfsomvang het oprichten van een agrarisch hulpgebouw met een maximale hoogte van 3 meter en een maximale oppervlakte van 40 m2 toegestaan. Burgemeester en wethouders waren voorts bevoegd vrijstelling te verlenen voor de vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf en in dat geval voor de bouw van bij het bedrijf behorende agrarische bedrijfsgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en een bedrijfwoning overeenkomstig de hiervoor genoemde criteria en hoogtematen. Daarnaast waren burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. Op de gronden waarop de “Rhoonse Baan” - een gebiedsontsluitingsweg met fysiek gescheiden rijstroken en met een maximale verwerkingscapaciteit van circa 10.000 motorvoertuigen per etmaal - zal worden aangelegd vigeert thans het bestemmingsplan “Rhoonse Baan”. Dit plan is op of omstreeks 1 september 2004 in werking getreden en onherroepelijk geworden. De gronden globaal ten noordwesten van eisers perceel hebben thans, op een kortste afstand van circa 50 meter, de bestemming “Verkeersdoeleinden”. Op de gronden met deze bestemming, onder meer bedoeld voor wegen, fiets- en voetpaden, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, tuinen en het behoud van archeologische waarden, mogen uitsluitend andere bouwwerken, kunstwerken en straatmeubilair ten dienste van de bestemming worden gebouwd met een hoogte van maximaal 10 meter. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan geluidwerende constructies. Daarnaast kent het bestemmingsplan een algemene vrijstelling ten behoeve van de afwijking van de maximale afmetingen voor ten hoogste 10%. De SAOZ overweegt dat op de onderhavige en tussengelegen gronden, de reeds toegestane gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in planologische zin al aanzienlijke vormen van beperkingen, hinder en overlast met zich brachten. Zo kon het uitzicht op en over de gronden in noordwestelijke richting, en op kortere afstand dan waarop thans de Rhoonse Baan wordt aangelegd, aanzienlijk worden beperkt door de vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf, met de daarbij behorende bedrijfsbebouwing en dienstwoningen. Ten aanzien van deze aspecten is de SAOZ van mening dat de planologische mutatie voor eiser geen verdergaande nadelige gevolgen met zich brengt. Voorts merkt de SAOZ op dat ook de voorheen geldende agrarische bestemming bepaalde vormen van geluid-, licht- en stankhinder met zich kon brengen. Mede gelet op de uitkomsten van het in het kader van het bestemmingsplan “Rhoonse Baan” overeenkomstig het “Besluit Luchtkwaliteit” (Blk) uitgevoerde onderzoek, is de SAOZ van mening dat er geen sprake zal zijn van een toename van de stankoverlast. De luchtkwaliteit zal voldoen aan de in 2010 gestelde grenswaarde van 40 µgr/m3. Evenmin zal er sprake zijn van een toename van lichtoverlast. Wat betreft de geluidsbelasting wijst de SAOZ op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 7 januari 1997 (BR 1998, 516), waarin door de Afdeling is overwogen en bepaald dat een woning die was gelegen op een afstand van circa 60 meter van een omleidingsweg met een geluidscherm (met een verkeersintensiteit van circa 9.800 voertuigen per etmaal), waarbij diverse bebouwing tussen de woning en het geluidsscherm gelegen was, geen hinder ondervindt van de weg in de zin van geluidsoverlast. Nu eisers woning is gelegen op een kortste afstand van circa 55 meter tot aan de Rhoonse Baan, deze een maximale verkeersintensiteit van circa 10.000 voertuigen per etmaal heeft en langs de Rhoonse Baan een geluidwerende constructie van 11 meter hoog kan worden opgericht, is de SAOZ van mening dat eiser met betrekking tot de geluidsbelasting evenmin in een planologisch nadeliger positie terecht is gekomen. De door eiser overgelegde brief van de gemeente Barendrecht, betreffende de toename van de geluidsbelasting als gevolg van de aanleg van de Carnisserbaan op het grondgebied van de gemeente Barendrecht, kan, zo stelt de SAOZ in een nader advies van 28 september 2006, niet in het kader van de beoordeling van het onderhavige verzoek worden meegenomen. De SAOZ meent echter wel dat, ondanks de reeds toegestane gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden, de directe omgeving van eisers woning voorheen een zekere landelijke en open uitstraling had, die door de onderhavige planologische mutatie en de aanleg van de Rhoonse Baan in beperkte mate in nadelige zin wordt aangetast. Hierdoor is er sprake is van een voor eiser nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 49 van de WRO voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid. Het nadeel is naar de mening van de SAOZ als licht te kwalificeren. De waarde van eisers object bedroeg volgens de SAOZ per peildatum september 2004 circa € 400.000,=. De specifieke gevolgen van de onderhavige planologische mutatie hebben ertoe geleid dat voor een willekeurige derde de waarde van het object per peildatum met een bedrag van € 8.000,= is gedaald naar een bedrag van circa € 392.000,=. Doordat op de dag dat de eigendom van de onroerende zaak werd verworven de onderhavige planologische mutatie in deze vorm en op deze locatie niet was te voorzien komt het schadebedrag geheel voor vergoeding in aanmerking. De SAOZ stelt in het nadere advies van 28 september 2006, dat de verlaging van de WOZ-waarde van eisers woning met € 30.000,=, haar geen aanleiding geeft het eerdere advies te heroverwegen. Bij het bepalen van de waarde in het kader van een planschadebeoordeling wordt immers uitgegaan van de maximale planologische invulling van het oude planologische regime terwijl bij een WOZ-waardering vooral de feitelijke situatie bepalend is. Bij het primaire besluit heeft verweerder overeenkomstig de voornoemde adviezen van de SAOZ aan eiser een planschadevergoeding van € 8.000,= toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2005 tot de dag der uitbetaling. De commissie voor de bezwaar- en beroepschriften (verder: de commissie) heeft in het kader van het door eisers gemaakte bezwaar, in haar advies aangegeven dat de adviezen van de SAOZ op een aantal punten onvoldoende zijn gemotiveerd. Op 1 november 2007 heeft de SAOZ verweerder desgevraagd nader geadviseerd en ter zake van de luchtkwaliteit gewezen op het in opdracht van verweerder opgestelde conceptrapport “Aanvullend luchtonderzoek Portland-Noord”. Daarin is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit - per 2005, 2010 en 2020 - in het gebied waarin onder meer de Rhoonse Baan is gelegen. Op basis van die gegevens concludeert de SAOZ dat, gelet op de geringe toename van de concentratie stikstofdioxide en de verbetering per saldo van fijn stof, de luchtkwaliteit niet van invloed is op de waardeontwikkeling van eisers object. De SAOZ ziet verder geen aanleiding om ervan uit te gaan dat, wegens de ondergrondse leidingen(straat), de maximale invulling van de bepalingen van het bestemmingsplan “Buitengebied” als illusoir is te bestempelen. Dit is slechts aan de orde wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Noch uit de bepalingen van het bestemmingsplan “Buitengebied” noch uit de circulaires van het ministerie van VROM “Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen” uit 1984 en “Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2-, K3-categorie” van 1991 volgt dat niet mag worden gebouwd op een afstand van 50 tot 100 meter van een ondergrondse leiding. De SAOZ is derhalve van mening dat haar eerdere adviezen dienaangaande geen aanpassing hoeven. Te dien aanzien merkt de SAOZ verder nog op dat agrarische bijgebouwen zelfs op zeer korte afstanden van bijvoorbeeld een aardgastransportleiding mogen worden opgericht. In een e-mailbericht van 10 januari 2008 stelt de SAOZ vervolgens dat een zelfstandige beoordeling heeft plaatsgevonden van het aspect geluidhinder en dat een nader aanvullend geluidsonderzoek in het licht van de uitspraak van de ABRvS van 7 januari 1997 niet nodig is. Nu bovendien destijds geen onderzoek is verricht naar de planologische geluidsproductie van de agrarische bestemmingen van het bestemmingsplan Buitengebied is niet (goed) vast te stellen of er in planologische zin sprake is van een toename van 5 dB(A) of meer dan wel minder. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie van 12 juli 2007, eisers bezwaar tegen het primaire besluit wegens een motiveringsgebrek gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de hiervoor aangehaalde nadere motivering van de SAOZ. Eiser wijst in beroep naar de contra-expertise van mr. T.A.P. Langhout van 28 juni 2007, die in bezwaar is overgelegd. Daarin wordt aangegeven dat de SAOZ is uitgegaan van een onjuiste maximale invulling van het voorafgaande planologische regime. Ten aanzien van een strook met een diepte van 100 meter uit het hart van Rijksweg A15 binnen de bestemming “agrarische doeleinden” met de aanduiding (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.