RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 299372 / HA ZA 08-167 Uitspraak: 20 mei 2009 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: 1. [eiser 1], 2. [eiser 2], beiden wonende te Rotterdam, eisers, advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij, - tegen - de naamloze vennootschap SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS N.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. W.J. Hengeveld. Eisers blijven hierna gezamenlijk aangeduid als “[eisers]” en afzonderlijk als “[eiser 1]” respectievelijk “[eiser 2]”. Gedaagde blijft hierna aangeduid als “Erasmus”. 1 Het verloop van het geding 1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 18 maart 2009 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - proces-verbaal van de op 12 mei 2009 gehouden comparitie van partijen. 1.2 Met instemming van partijen is de naam van gedaagde gerectificeerd. 2 De verdere beoordeling 5.1 [eisers] stellen dat zij schade hebben geleden en nog lijden als gevolg van het feit dat zij op 9 november 1999 zijn blootgesteld aan fosfine en dit hebben geïnhaleerd. Zij zijn van mening dat [persoon 1] hiervoor aansprakelijk is. Op 6 maart 2000 hebben zij daarom [persoon 1] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, waarna [persoon 1] verweer heeft gevoerd (hierna: de eerste procedure). Bij vonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat [persoon 1] inderdaad aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden en nog te lijden schade en [persoon 1] veroordeeld deze schade aan [eisers] te vergoeden. [persoon 1] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Tijdens de appelprocedure is het faillissement van [persoon 1] uitgesproken. Erasmus was de aansprakelijkheidsverzekeraar van [persoon 1]. Thans spreken [eisers] Erasmus rechtstreeks aan voor de door hen geleden en nog te lijden schade als hiervoor bedoeld. In haar tussenvonnis van 18 maart 2009 heeft de rechtbank beslist dat [eisers] deze directe actie krachtens artikel 7:954 BW toekomt. 5.2 Vervolgens is de vraag aan de orde welke betekenis voormeld vonnis van 30 juni 2004 in onderhavige procedure heeft. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 18 maart 2009 een comparitie van partijen gelast teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich hieromtrent uit te laten. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Vast staat dat Erasmus in de eerste procedure ingevolge een volmacht namens [persoon 1] verweer heeft gevoerd. Hoewel Erasmus formeel geen partij was bij deze procedure dient zij om die reden in materiële zin wel als procespartij aangemerkt te worden. De stellingen die zij thans in onderhavige procedure naar voren heeft gebracht, zijn in grote lijnen dezelfde als de stellingen die in de eerste procedure door haar namens [persoon 1] naar voren zijn gebracht en waaromtrent de rechtbank in haar vonnis van 30 juni 2004 een oordeel heeft gegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beginselen van een goede procesorde met zich brengen dat dit vonnis van 30 juni 2004 als uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling in onderhavige procedure. 5.3 In haar vonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank omtrent de aansprakelijkheid van [persoon 1] (aangeduid als [persoon 1]) het volgende overwogen: “3.1 De lading maakte deel uit van een grotere lading rijst die met het m.s. "Sweder" van Suriname naar Schiedam is vervoerd. Voor vertrek uit Suriname is deze lading in de "Sweder" ter bestrijding van ongedierte bestrooid met fosfinetabletten, die tijdens de reis zijn opgelost en een laag grijs poeder bovenop de lading hebben achtergelaten. Partijen zijn het erover eens dat de lading tijdens het vervoer met de "Sweder" van Suriname naar Schiedam onvoldoende is ontgast. [persoon 1] heeft op het voorgaande gewezen bij haar betwisting (van) de vordering. De verantwoordelijkheid van de vervoerder voor ontgassing van de lading tijdens het vervoer van Suriname naar Nederland laat echter onverlet dat [persoon 1] uit eigen hoofde aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [e[eisers] gevorderde schade. 3.2 [eisers] hebben gesteld dat de controleur van [persoon 1] onrechtmatig heeft gehandeld door - kort gezegd - geen maatregelen te nemen nadat hij aanwijzingen van behandeling van de lading met fosfine had waargenomen. 3.3 De controleur van [persoon 1], die de lading aan boord van de "Sweder" heeft gecontroleerd, heeft aanwijzingen van gassing van de lading met fosfine waargenomen: een laag grijs poeder op de lading, een lichte gaslucht en dode insecten. Hij heeft naar aanleiding daarvan geen maatregelen genomen, naar [persoon 1] heeft aangevoerd omdat het wel vaker voorkomt dat ladingen voor vertrek worden gegast, doch dat deze tijdens het vervoer worden ontgast, terwijl er ook na ontgassing sprake is van een lichte gaslucht. Nadat [eiser 1] tijdens belading een gaslucht had waargenomen in de "COJA" en onwel was geworden, heeft hij de controleur van [persoon 1] gewezen op de gaslucht. Deze stelde vast dat er een sterke gaslucht hing in het ruim van de "COJA" en heeft gasmetingen laten verrichten. 3.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan van de controleur van [persoon 1] worden gevergd dat hij, indien hij, zoals in dit geval, op aanwijzingen van gassing van de lading met fosfine stuit, zoveel mogelijk zeker stelt dat de lading geen gevaar (meer) oplevert voor de gezondheid, alvorens de lading wordt overgeslagen. Fosfine is immers een zeer gevaarlijke stof, die kan leiden tot vergiftigingsverschijnselen en uiteindelijk dodelijk kan zijn. Voorts is de maximaal toegestane concentratie fosfine (0,3 ppm) zeer laag, zodat er al snel sprake zal zijn van een te hoge concentratie fosfine. Indien er derhalve aanwijzingen zijn dat een lading is behandeld met deze gevaarlijke stof en zich dus mogelijk resten daarvan in de lading zullen bevinden, dient het risico van blootstelling aan te hoge concentraties van deze stof zoveel mogelijk te worden uitgesloten. Tegen deze achtergrond kan van de controleur van [persoon 1] worden gevergd dat hij al het mogelijke doet om zeker te stellen dat personen niet worden blootgesteld aan te hoge concentraties fosfine, door bijvoorbeeld te vragen naar de uitgevoerde gasmetingen en vervolgens desnodig - bijvoorbeeld omdat de vervoerder geen gasmetingen heeft uitgevoerd - zelf gasmetingen uit te laten voeren aan de lading voorafgaand aan de overslag ervan. Door niets te doen nadat hij aanwijzingen van behandeling van de lading met fosfine had waargenomen, heeft de controleur van [persoon 1] dan ook zijn vorenbedoelde zorgplicht verzaakt en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eisers] [persoon 1] is derhalve aansprakelijk voor de schade die [eisers] dientengevolge hebben geleden. 3.5 In het midden kan blijven of [persoon 1] eveneens aansprakelijk is op grond van artikel 13 Bvvw.” De rechtbank ziet geen aanleiding om van voormeld oordeel af te wijken. Zij neemt voormelde overwegingen dan ook over en maakt deze tot de hare. Het feit dat de verantwoordelijkheid voor het ontgassen van de lading niet bij [persoon 1] ligt, doch bij de reder/kapitein, zoals Erasmus heeft aangevoerd, laat onverlet dat [persoon 1] (naast de reder/kapitein) aansprakelijk kan worden gehouden indien zij zelfstandig onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste inderdaad het geval, nu de controleur van [persoon 1] de op hem rustende zorgplicht als in rechtsoverweging 3.4 omschreven heeft verzaakt. Door Erasmus is niet betwist dat er aanwijzingen waren dat de lading was behandeld met fosfine. De rechtbank is van oordeel dat in dat geval van de controleur kan worden gevergd dat hij al het mogelijke doet om zeker te stellen dat personen niet worden blootgesteld aan te hoge concentraties fosfine. Vast staat dat de controleur dat heeft nagelaten. 5.4 In haar vonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank omtrent het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade het volgende overwogen: “3.6 Het is aannemelijk dat, indien de controleur wel aan zijn vorenbedoelde zorgplicht zou hebben voldaan, de lading niet zou zijn overgeslagen in de "COJA". Er zouden dan immers reeds aan boord van de "Sweder" gasmetingen zijn uitgevoerd en er zou dan ook waarschijnlijk voorafgaand aan de overslag zijn vastgesteld dat de lading te hoge concentraties fosfine bevatte. De gevolgen van belading van de "COJA" met de lading met een te hoog fosfinegehalte kunnen derhalve worden toegerekend aan het onrechtmatig handelen van de controleur van [persoon 1].” De rechtbank ziet geen aanleiding om van voormeld oordeel af te wijken. Zij neemt voormelde overweging dan ook over en maakt deze tot de hare. 5.5 Erasmus heeft nog betwist dat [eisers] aan een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.