beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 2 december 2009 Zaak-/rekestnummer: 341831 / J1 RK 09-1559 Beschikking in de zaak van: de stichting bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, hierna: de stichting, met betrekking tot de minderjarige: [naam minderjarige], geboren op [datum] 1991 te [geboorteplaats], kind van de met het gezag belaste ouder, [naam moeder], wonende: [adres]. Het verloop van de procedure Bij beschikking van 12 januari 2009 is - onder meer - de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 11 december 2009 en is met ingang van 12 januari 2009 machtiging verleend tot plaatsing om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven. Bij beschikking van 1 juli 2009 is de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven verlengd tot 11 december 2009. De stichting heeft op 04 november 2009 een verzoekschrift ingediend strekkende tot verlenging van de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven. Het plan van aanpak en het indicatiebesluit zijn daarbij gevoegd. Verzoeker heeft verklaard dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b, derde lid van de Wet op de jeugdzorg. Met deze verklaring heeft de gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort geleden heeft onderzocht, ingestemd. Van de zijde van de stichting is op 23 november 2009 een faxbericht ingekomen, met als bijlage een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper, gedateerd 20 november 2009. Aan de minderjarige is als advocaat toegevoegd mr. J.A. van Gemeren, namens wie mr. S. Lodder is verschenen. De zaak is behandeld op 23 november 2009. De minderjarige is ter zitting bijgestaan door mr. Lodder, voornoemd (hierna: de raadsman van de minderjarige). De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De beoordeling Aan de orde is de vraag of de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg moet worden verlengd tot na de meerderjarigheid. De stichting heeft verzocht de machtiging te verlengen voor de duur van het indicatiebesluit, dat aanspraak geeft op behandeling van de minderjarige in gesloten jeugdzorg voor de duur van één jaar. Ter zitting heeft de stichting haar verzoek gewijzigd in die zin, dat thans wordt verzocht de machtiging te verlengen voor de verwachte duur van de behandeling van de minderjarige, zijnde zes maanden. Standpunt van de stichting De stichting heeft aan haar verzoek in hoofdlijnen het navolgende ten grondslag gelegd. Bij de minderjarige is sprake van een posttraumatische stressstoornis, een borderline persoonlijkheidstoornis en middelenafhankelijkheid. Voorts is er bij de minderjarige regelmatig sprake van dreiging met suïcide, zelfdestructief gedrag en heftige agressieve buien. De minderjarige heeft problemen in het omgaan met autoriteit, het opvolgen van regels en aanwijzingen en het omgaan met haar gevoelens, met name agressie. In de vorige instelling waar zij verbleef - de Otto Gerhard Heldringstichting te Zetten, een orthopedagogische instelling - is zij tot vijfmaal toe met de groepsleiding in conflict gekomen. Tijdens het laatste conflict aldaar heeft zij een groepswerker meermalen met een stomp voorwerp op het hoofd geslagen, wat mede geleid heeft tot haar plaatsing in de huidige instelling, de Lindenhorst te Zeist. In laatstgenoemde instelling blijkt de minderjarige goed op haar plaats; zij volgt er onderwijs bij de interne school op VMBO-TL niveau en staat open voor de haar geboden hulp. Verlenging van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg wordt verzocht, opdat de minderjarige haar scholing en behandeling kan afronden en omdat er geen (reëel) alternatief is voor haar huidige plaatsing, waar de minderjarige bovendien mee in kan stemmen, evenals haar moeder. Standpunt van de gedragswetenschapper De gedragswetenschapper die de minderjarige op 20 november 2009 heeft onderzocht, acht blijkens voormelde instemmingsverklaring voortzetting van de huidige behandeling van de minderjarige - ook na het bereiken van de meerderjarigheid - geïndiceerd, gezien de langdurig ontwrichte ernstige persoonlijkheidsontwikkeling, de forse grensoverschrijdende gedragingen en de moeizame behandelingsgeschiedenis van de minderjarige. Sinds de plaatsing van de minderjarige in de Lindenhorst, staat zij meer open voor behandeling, contact met groepsgenoten en groepsleiding en is er sprake van een geringe positieve groei en een goede schoolontwikkeling. Standpunt van de minderjarige De minderjarige wil graag dat de verlenging van de machtiging tot plaatsing verleend wordt, omdat zij aldus de gelegenheid heeft om haar opleiding te voltooien. Dat is voor haar de belangrijkste reden om ook na haar meerderjarigheid nog in de Lindenhorst te willen blijven. Over de ingezette behandeling merkt de minderjarige op dat zij tot op heden maar één behandelsessie heeft gehad. Met deze behandeling stemt de minderjarige in. De raadsman van de minderjarige bepleit, niettegenstaande de wens van zijn cliënte, afwijzing van het verzoek. De machtiging zoals verzocht levert in zijn optiek strijd op met het bepaalde in artikel 5 van het EVRM. In dit verband verwijst de raadsman van de minderjarige naar een uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het hof) van 26 maart 2009 (LJN: BH9207), meer in het bijzonder rechtsoverweging 4.4 waar het hof heeft overwogen dat een jeugdige van 18 jaar of ouder niet kan worden aangemerkt als minderjarige in de zin artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM, zodat vrijheidsbeneming in het kader van gesloten jeugdzorg ten aanzien van een dergelijke jeugdige met toepassing van artikel 29a, eerste lid van de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz), niet verenigbaar is met deze een ieder verbindende verdragsbepaling. Subsidiair bepleit de raadsman van de minderjarige toewijzing van het verzoek, uiterlijk tot 1 juni 2010, omdat alsdan de opleiding en de behandeling van de minderjarige naar verwachting zullen zijn voltooid en de machtiging niet voor langere duur mag worden verlengd dan strikt noodzakelijk. Op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde overweegt de kinderrechter als volgt. De verzochte machtiging strekt ertoe het verblijf van de minderjarige in de huidige instelling voor gesloten jeugdzorg te doen voortduren tot na haar meerderjarigheid, waarvoor de wettelijke basis gevormd wordt door artikel 29b Wjz in samenhang met artikel 29a lid 1 Wjz. Gelijk de raadsman heeft betoogd, is in de jurisprudentie reeds een aantal malen uitgemaakt dat een dergelijke machtiging onverenigbaar is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d EVRM. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan een machtiging toch worden verleend. Bij de beantwoording van de vraag of dergelijke zeer bijzondere omstandigheden zich voordoen, dient te worden vastgesteld of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.