RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 345760 / KG ZA 09-1376 Uitspraak: 28 januari 2010 VONNIS in kort geding in de zaak van: [eiser], wonende te Burgh-Haamsteden, eiser, advocaat mr. J.P. Koets, - tegen - de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde], gevestigd te Zoetermeer, gedaagde, advocaat mr. H.L. Duijm. Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “VDI”. 1 Het verloop van het geding De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 29 december 2009; - pleitnotities en producties van mr. Koets; - pleitnotities en producties van mr. Duijm. De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 21 januari 2010. 2 Het geschil 2.1 [eiser] is één van de twee voormalig bestuurders van [rechtspersoon I (b.v.)]. Deze vennootschap was enig aandeelhouder en bestuurder van de Snelbouw Interieurgroep, die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder was van (onder meer) Snelwand B.V.. 2.2 Snelwand B.V. is op 28 juli 2009 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is aangevraagd door [eiser] als bestuurder van [rechtspersoon I (b.v.)]. Mr. Huijzer, ad-vocaat te Rotterdam, is als curator benoemd. 2.3 VDI heeft in opdracht en voor rekening van Snelwand B.V. werkzaamheden in onderaan-neming verricht. Voor de door haar verrichte werkzaamheden heeft VDI aan Snelwand B.V. facturen gezonden die deels onbetaald zijn gebleven. 2.4 Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter te Middelburg heeft VDI, ter verzekering van verhaal van haar gepretendeerde vordering op [eiser], op 27 november 2009 ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd op de in aanbouw zijnde woning (met grond) van [eiser]. 2.5 Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter te Rotterdam heeft VDI, ter verzekering van verhaal van haar gepretendeerde vordering op [eiser], op 4 december 2009 ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag gelegd onder Snelbouw Projecten B.V. op (onder meer) de zich in het bedrijfspand bevindende kunstcollectie. 2.6 De vordering waarvoor VDI de beslagen heeft doen leggen is begroot op € 150.000,00 en in essentie gebaseerd op de stelling dat [eiser] in naam van Snelwand B.V. verplichtin-gen is aangegaan, terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Snelwand B.V. niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van de niet nakoming te lijden schade. [eiser] treft hiervan een zodanig (per-soonlijk) verwijt, dat hij jegens VDI aansprakelijk is en de onbetaalde facturen aan haar dient te voldoen. 2.7 Daartoe in essentie stellende dat van enig onrechtmatig c.q. onzorgvuldig handelen van zijn kant geen sprake is, vordert [eiser] in dit kort geding – kort en zakelijk weergeven – dat de voorzieningenrechter de beslagen opheft, met veroordeling van VDI in de proceskosten. 2.8 VDI heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwij-zing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. 2.9 Bij de rechtbank Den Haag is thans een bodemprocedure aanhangig tussen VDI (als eiseres) en [eiser] (als één van de gedaagden). VDI vordert in die procedure – kort en zakelijk weergegeven – hoofdelijk veroordeling van onder meer [eiser] tot voldoening van de onbetaalde facturen, met rente en kosten. 2.10 Voorzover nodig zal op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, bij de beoordeling worden ingegaan. 3 De beoordeling 3.1 Vooropgesteld zij dat VDI ter zitting het verweer dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening, heeft ingetrokken. Overigens biedt artikel 705 Rv de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt door de genoemde wetsbepaling niet ver-eist. In zoverre is zij een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv.. 3.2 Vooropgesteld zij voorts dat de gevorderde opheffing van de beslagen dient te worden be-oordeeld binnen het toetsingskader van artikel 705 lid 2 Rv. Op grond van het bepaalde in dit artikel dient een conservatoir beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, zoals hier aan de orde, indien voor die vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing van het beslag vordert om, met in-achtneming van de beperkingen van de kort gedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is, of dat het voort-duren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Dit komt erop neer dat ook wanneer twij-fel mocht bestaan doch anderzijds het bestaan van de vordering niet bij voorbaat onwaar-schijnlijk voor komt, het beslag in beginsel gehandhaafd moet worden. De vordering van [eiser] dient dan ook binnen dit toetsingskader te worden beoordeeld. Die beoordeling kan evenwel niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de we-derzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. In dit verband verdient opmerking dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. 3.3 Partijen verschillen met betrekking tot het geschil dan aan de onderhavige beslagen ten grondslag ligt op vele (essentiële) onderdelen van mening, waarbij zij op elkaars stellingen uitvoerig en gemotiveerd verweer hebben gevoerd. [eiser] stelt dat de door VDI ge-legde beslagen moeten worden opgeheven omdat niet, zelfs niet summierlijk, is gebleken van een vorderingsrecht. De ondeugdelijkheid van de door VDI gepretendeerde vordering blijkt volgens [eiser] (onder meer) uit de brief van de Rabobank van 14 januari 2010 en de brief van de curator van 15 januari 2010. Bovendien is de door VDI gepretendeerde vordering niet (genoegzaam) onderbouwd, aldus [eiser]. VDI betwist het voorgaande, zich daarbij beroepende op onder meer diverse faillissementsverslagen. Het komt er in de visie van VDI op neer dat [eiser] het faillissement van Snelwand B.V. heeft bewerkstelligd met de bedoeling om Snelwand B.V. van haar schuldeisers, waar-onder VDI, te ontdoen en een doorstart te realiseren. Bij het aangaan van de onderaanne-mingsovereenkomst in december 2008, althans bij het verstrekken van meerwerkopdrachten in de periode van december 2008 tot en met juni 2009, wist [eiser], althans had hij moeten weten dat Snelwand B.V. haar verplichtingen niet (volledig) kon nakomen en ook geen verhaal zou bieden. 3.4 Beslag op de kunstcollectie Vast staat dat gedaagden beoogd hebben beslag te leggen ten laste van [eiser]. Feite-lijk is beslag gelegd op de kunstcollectie, welke, naar eigen zeggen van [eiser] – het-geen door VDI niet is weersproken – niet aan [eiser] in eigendom toebehoort, doch aan [rechtspersoon II] B.V.. Dit betekent dat het beslag niet ten laste van [eiser] is gelegd zoals door VDI oorspronkelijk was beoogd. Het beslag is daarmee foutief ge-legd, althans heeft geen doel getroffen. Reeds daarom dient tot opheffing te worden overge-gaan. Overigens, [eiser] is, anders dan VDI meent, als belanghebbende ten laste van wie het foutieve beslag is gelegd (artikel 705 Rv: “(…) op vordering van elke belanghebbende (…)”) gerechtigd de opheffing te vorderen. 3.5 Beslag op de in aanbouw zijnde woning (met grond) Vooropgesteld zij dat een bestuurder van een vennootschap onder meer aansprakelijk kan zijn in twee categorieën van gevallen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.