RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer 350243/KG ZA 10-219 Uitspraak: 30 maart 2010 VONNIS in kort geding in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. M.J. op 't Ende, - tegen - [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. C. Baris. Eisers worden hierna aangeduid als "[eiser]" en gedaagde worden hierna aangeduid als "[gedaagde]". 1. Het verloop van het geding De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 9 maart 2010; - producties van [eiser]; - producties van [gedaagde]; - pleitaantekeningen van mr. Op 't Ende; - verweerschrift van mr. Baris. De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 17 maart 2010 2. De vaststaande feiten In dit kort geding wordt van de volgende feiten uitgegaan. 2.1.1 Op 1 januari 2002 is [gedaagde] als statutair directeur in dienst getreden van [BV van eiser]. (hierna: [BV van eiser]). 2.1.2 Enig aandeelhouder van [BV van eiser] was Robininvest Beheer B.V. (hierna: Robininvest). [eiser] is enig aandeelhouder van Robinvest. 2.1.3 Per 5 januari 2005 is de arbeidsovereenkomst tussen [BV van eiser] en [gedaagde] ontbonden. 2.1.4 [BV van eiser] is op 20 november 2007 failliet verklaard. 2.2.1 Op 28 mei 2008 is in de zaak tussen [gedaagde] en [BV van eiser] onder zaak-/rolnummer: 259281/HA ZA 06-1066 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Rotterdam vonnis gewezen (hierna: het vonnis). In het vonnis is [BV van eiser] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 34.767,80, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 6 april 2006 tot aan de dag der voldoening. 2.2.2 Het betreft hier -verkort en zakelijk weergegeven- een door [BV van eiser] aan [gedaagde] verschuldigd bedrag aan provisiegelden op basis van (verzekerings)portefeuille-rechten, die [BV van gedaagde] in een met [BV van eiser] in december 2002 gesloten overeenkomst (hierna: de overeenkomst) heeft verkregen. 2.2.3 Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. 2.3.1 Bij dagvaarding d.d. 8 januari 2010 heeft [gedaagde] een bodemprocedure tegen [eiser] bij de rechtbank Rotterdam aanhangig gemaakt, waarin [gedaagde] -verkort weergegeven- vordert [eiser] te veroordelen om aan hem te voldoen een bedrag van € 34.767,80 (exclusief rente). 2.3.2 [gedaagde] heeft aan voornoemde vordering in essentie ten grondslag gelegd dat [eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [BV van eiser] in de periode van 3 juni 2002 tot 1 april 2007 op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) persoon- lijk aansprakelijk kan worden gehouden tot betaling van de bij het vonnis aan [BV van eiser] opgelegde veroordeling tot betaling van € 34.767,80 (exclusief rente). 2.4.1 Op 18 januari 2010 is op verzoek van [gedaagde], na verkregen verlof daartoe van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir beslag gelegd ten laste van [eiser] op de onverdeelde helft van de onroerende zaak, staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente Poortugaal, sectie A nummer 2688, groot 1 are en 25 centiare (hierna: de woning). 2.4.2 Op 12 februari 2010 is op verzoek van [gedaagde], na verkregen verlof daartoe van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir (derden)beslag gelegd ten laste van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Display4all B.V., gevestigd te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht, op alle vorderingen en/of roerende zaken die geen registergoederen zijn, die Display4all B.V. onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen, ten behoeve van [eiser]. De beslagvrije voet is vastgesteld op € 816,81. 2.4.3 De beslagen zijn gelegd ter verzekering van een vordering die [gedaagde] stelt te hebben op [eiser], welke vordering is begroot op € 45.200,00 (zie 2.3.2) met inbegrip van rente en kosten. 3. Het geschil 3.1 [eiser] vordert dat het de voorzieningenrechter behage, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de door [gedaagde] ten laste van [eiser] geleg-de beslagen op te heffen, op straffe van een onmiddellijk opeisbare en niet voor matiging vatbare dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] met de nakoming van dit bevel in gebreke blijft, zulks met een maximum van € 50.000,00 met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser]. 3.2 [eiser] legt aan zijn vordering primair ten grondslag dat de pretense vordering van [gedaagde] op hem summierlijk ondeugdelijk is, nu hij niet persoonlijk - uit hoofde van onrechtmatige daad - kan worden aangesproken tot betaling van € 34.767,80 (exclusief wettelijke rente), waartoe [BV van eiser] bij het vonnis is veroordeeld (zie 2.2.1). Subsidiair stelt [eiser] dat de onder hem gelegde beslagen op grond van een belangen- afweging dienen te worden opgeheven. 3.3 [gedaagde] heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd weersproken. Hierop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan. 4. De beoordeling 4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient een beslag onder meer te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijk-heid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Daarom moet degene die de opheffing vordert, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure, aannemelijk maken dat de door de beslaglegger gepretendeer-de vordering ondeugdelijk is. Dit komt erop neer dat ook wanneer twijfel mocht bestaan doch anderzijds het bestaan van de vordering niet bij voorbaat onwaarschijnlijk voorkomt, het beslag in beginsel gehand-haafd moet worden. Daarnaast kan een beslag worden opgeheven indien het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het belang van de beslaglegger bij handhaving daarvan. 4.2.1 [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn vordering op [eiser] aangevoerd dat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van [rechtspersoon eiser] -op grond van artikel 6:162 BW- persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de betaling van € 34.767,80 (exclusief rente) op grond van het volgende: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.