RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 09/743 BC - T1 Uitspraak in het geding tussen UPC Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres, gemachtigden mr. R. Kolthek en mr. K. Parren, werkzaam bij UPC, en de Consumentenautoriteit, verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 23 april 2008 heeft verweerder eiseres wegens overtredingen van artikel 2.7, eerste lid, juncto onderdeel b van de bijlage bij de Wet handhaving consumenten¬bescherming (hierna: Whc) juncto artikel 7, eerste en tweede lid, en artikel 8, aanhef en onder b, van de Colportagewet (hierna Cpw) en artikel 8.5, eerste en tweede lid, van de Whc diverse boetes opgelegd voor een totaal bedrag van € 303.000,--. Bij hetzelfde besluit is ter beëindiging van de overtreding van artikel 8.5, tweede lid, van de Whc juncto artikel 7:46h, eerste lid, juncto artikel 7:46i, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) tevens een last onder dwangsom opgelegd van € 1.000,--, per werkdag per ingeschakeld callcenter met een maximum van € 100.000,--, ongeacht het aantal door eiseres ingeschakelde callcenters. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 juni 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 januari 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het verzoek tot kostenvergoeding van de bezwaarprocedure afgewezen. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 3 maart 2009 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 2 juli 2009 een verweerschrift ingediend. Ten aanzien van (gedeelten van) stukken heeft verweerder op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de rechtbank medegedeeld dat uitsluitend zij daarvan kennis zal mogen nemen en verzocht met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij beslissing van 1 maart 2010 heeft de rechter-commissaris beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is met uitzondering van de dossierstukken 17/8, 17/106, 17/109, 17/113 en 17/116 en de delen van de stukken waarvan verweerder heeft verzocht om beperking van de kennisneming voor zover er een derde belanghebbende bij de zaak wordt betrokken. Bij faxbericht van 1 maart 2010 heeft verweerder de stukken 17/8, 17/106, 17/109, 17/113 en 17/116 alsnog overgelegd. Deze stukken zijn aan het procesdossier toegevoegd. Bij brief van 1 maart 2010 is eiseres verzocht om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb te verlenen. Bij brief van 3 maart 2010 heeft eiseres deze toestemming verleend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2010. Voor eiseres zijn verschenen haar gemachtigden. Voor verweerder zijn verschenen haar gemachtigden mr. I.M. Zuurendonk en mr. I.S. Post. 2 Overwegingen 2.1 Feiten Eiseres heeft in de periode 1 januari 2007 tot 1 april 2007 digitale televisie bij haar abonnees geïntroduceerd. Deze introductie is via - onder meer - colportage en telefonische verkoop van abonnementen op digitale televisie gegaan. Om gebruik te kunnen maken van de mogelijkheid van digitale televisie is een decoder, de UPC Mediabox (hierna: Mediabox), nodig, welke aan de consument in gebruik wordt gegeven. Begin 2007 heeft verweerder via diverse kanalen, waaronder ConsuWijzer en de Consumentenbond, klachten en meldingen ontvangen over de wijze waarop eiseres abonnementen op digitale televisie verkocht en de wijze waarop eiseres de Mediabox verspreidde. Mede naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek gestart naar de verkoop - en handelspraktijken van eiseres in de periode 1 januari 2007 tot 1 april 2007. Op 25 januari 2008 is op basis van het onderzoek rapport van overtreding opgemaakt als bedoeld in artikel 2.8 van de Whc. Bij het primaire besluit heeft verweerder diverse overtredingen van eiseres geconstateerd en daarvoor boetes en ten aanzien van één overtreding ook een last onder dwangsom opgelegd. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 2.2 Wettelijk kader De rechtbank stelt allereerst vast dat ingevolge artikel IV, eerste lid, van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (hierna: Vierde Tranche Awb), indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor 1 juli 2009, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Het voorgaande betekent dat paragraaf 3 van de Whc, zoals deze luidde tot 1 juli 2009, van toepassing is. Op grond van artikel 2.2 van de Whc is verweerder belast met handhaving van de wettelijke bepalingen bedoeld in onderdelen a en b van de bijlage bij deze wet. Ingevolge artikel 2.7 van de Whc worden de onderhavige overtredingen bestuursrechtelijk gehandhaafd. Op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de Whc kan verweerder, indien verweerder van oordeel is dat een overtreding heeft plaatsgevonden, de overtreder opleggen: a. een last onder dwangsom; b. een bestuurlijke boete. In artikel 2:15 van de Whc is bepaald dat de in artikel 2.9 bedoelde bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie geldboete, bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt. Gelet op het bepaalde in artikel 2.21 van de Whc stemt verweerder de bestuurlijke boete af op de ernst en duur van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Verweerder houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. 2.3 Geconstateerde overtredingen 2.3.1 Colportage 2.3.1.1 Verweerder stelt dat eiseres artikel 7 van de Cpw heeft overtreden doordat de in opdracht van eiseres werkzame colporteurs bij aanvang van het colportagegesprek niet steeds hebben medegedeeld dat het verkopen van een abonnement op digitale televisie het oogmerk van het gesprek was. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete van € 45.000,-- opgelegd. 2.3.1.2 Voorts heeft verweerder vastgesteld, dat de in opdracht van UPC werkzame colporteurs, in strijd met artikel 8, aanhef en onder b, van de Cpw, mededelingen hebben gedaan die misleidend zijn in de zin van artikel 6:194 van het BW, ten aanzien van: - de aanleiding en het doel van de aanbieding (artikel 6:194, aanhef en onder e, van het BW, boete opgelegd van € 45.000,--); - de voorwaarden, waaronder de goederen werden geleverd en de diensten werden verricht (artikel 6:194, aanhef en onder g, van het BW, boete opgelegd van € 45.000,--); - de identiteit van degene door wie de goederen worden aangeboden en de diensten worden verricht (artikel 6:194, aanhef en onder i, van het BW, boete opgelegd van € 45.000,--). 2.3.1.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet bij aanvang van het colportagegesprek vermelden van het oogmerk van het gesprek en het doen van misleidende mededelingen omtrent aanleiding en doel, de voorwaarden van het abonnement en de identiteit van de onderneming namens wie gecolporteerd wordt, als zeer ernstige overtredingen dienen te worden aangemerkt. De consument wordt op een voor hem onverwacht moment geconfronteerd met een professionele verkoper, die hem tracht te bewegen tot, in dit geval, het afsluiten van een abonnement op digitale televisie, al dan niet met aanvullende diensten. Slechts indien de consument bij aanvang en gedurende het colportagegesprek op een juiste en volledige wijze wordt geïnformeerd, is hij in staat om een weloverwogen aankoopbeslissing te nemen. In de onderhavige zaak is gebleken, dat de in opdracht van UPC werkzame colporteurs niet hebben voldaan aan de verplichtingen op grond van de Colportagewet. De nadelige gevolgen hiervan rustten vervolgens op de consument, aangezien deze zelf in actie diende te komen. Het lag immers op zijn weg de Mediabox te retourneren en om daarmee het abonnement op digitale televisie te beëindigen. 2.3.2 Telemarketing 2.3.2.1 Eiseres heeft consumenten via telemarketing benaderd met de vraag of zij een abonnement op digitale televisie, al dan niet aangevuld met bijzondere diensten zoals bijvoorbeeld extra televisiekanalen, willen afsluiten. Verweerder heeft gesteld dat eiseres hierbij heeft verzuimd om de consument, tijdig voor het sluiten van de overeenkomst, te informeren over de bedenktijd. Eiseres heeft hiermee artikel 8.5, tweede lid, van de Whc juncto artikel 7:46c, eerste lid, aanhef en onder f, van het BW juncto artikel 7:46i, eerste lid, van het BW overtreden en verweerder heeft haar daarvoor een boete opgelegd van € 18.000,--. Volgens verweerder heeft eiseres de consument ook niet of onvoldoende duidelijk geïnformeerd over het commerciële oogmerk van het telefoongesprek, waarmee eiseres artikel 8.5, tweede lid, van de Whc juncto artikel 7:46h, eerste lid, van het BW juncto artikel 7:46i, eerste lid, van het BW heeft overtreden. Verweerder heeft eiseres hiervoor een boete opgelegd van € 45.000,--. Verweerder heeft ten aanzien van deze overtreding tevens een last onder dwangsom opgelegd. 2.3.2.2.Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet vermelden van de bedenktijd bij de telefonische verkoop een overtreding is die kan leiden tot een ernstige beschadiging van het consumentenvertrouwen bij kopen op afstand. Doordat de aanbieder niet vermeldt of er sprake is van een bedenktijd wordt een consument niet geïnformeerd over de hem toekomende rechten en kan hij deze niet ten volle uitoefenen. Het niet direct vermelden van het commerciële oogmerk bij telefonische verkoop is volgens verweerder een zeer ernstige overtreding die kan leiden tot een zeer ernstige beschadiging van het consumentenvertrouwen bij kopen op afstand. Bij telefonische verkoop wordt de consument onvoorbereid geconfronteerd met een professionele verkoper die tracht de consument tot een aankoop te bewegen. Een duidelijke vermelding aan het begin van een verkoopgesprek van het commerciële oogmerk is voor de consument dan ook van groot belang. Alleen op deze wijze kan de consument zich aan het begin van het verkoopgesprek realiseren dat het niet om een vrijblijvende situatie gaat, maar om een situatie waarin zijn reactie tijdens het verkoopgesprek kan leiden tot een overeenkomst die voor hem kosten met zich meebrengt. Het bestaan van een eventuele gratis proefperiode doet daaraan niet af. Immers het verkoopgesprek is bedoeld om een overeenkomst te sluiten die, al dan niet na een gratis proefperiode, tot kosten voor de consument gaat leiden. 2.3.3 Ongevraagde toezending 2.3.3.1 Verweerder heeft tot slot geconstateerd dat eiseres aan een aanzienlijk aantal consumenten de Mediabox heeft toegezonden, zonder dat deze consumenten expliciet akkoord zijn gegaan met het aanbod voor een abonnement op digitale televisie. Voor deze overtreding van artikel 8.5, eerste lid, van de Whc juncto artikel 7:7, tweede juncto vierde lid, van het BW heeft verweerder een boete opgelegd van € 60.000,--. 2.3.3.2 Volgens verweerder is het toezenden van een Mediabox ten behoeve van het afnemen van digitale televisie, al dan niet met aanvullende diensten, zonder expliciete toestemming van de consument, een zeer ernstige overtreding. Zonder dat sprake is van een expliciete wilsovereenstemming wordt door de onderneming aan de consument een product en een dienst met een verzoek om betaling gestuurd. Daaraan doet niet af dat er bij het afnemen van uitsluitend digitale televisie sprake is van een gratis proefperiode. Consumenten worden door een dergelijke handelspraktijk gedupeerd aangezien zij, hoewel zij geen toestemming hebben gegeven, zelf actie dienen te ondernemen om een abonnement met de bijbehorende kosten te voorkomen. De overtreding kan daarmee tot financiële schade voor de consument leiden. Bovendien leidde deze handelwijze voor consumenten tot overlast aangezien van de consument werd verwacht de Mediabox aan UPC te retourneren, indien hij geen abonnement op digitale televisie wenste. 2.3.4 Overige boetebepalende omstandigheden 2.3.4.1 Bij het bepalen van de hoogte van de boetes heeft verweerder tevens acht geslagen op de omvang van de bedrijfsactiviteiten van eiseres en het aantal betrokken consumenten. 2.3.4.2 Verweerder heeft bij de overtreding inzake het niet vermelden van de bedenktijd rekening gehouden met het feit dat eiseres deze overtreding heeft erkend en heeft beëindigd. Voorts heeft verweerder rekening gehouden met de specifieke omstandigheid dat de financiële schade van deze overtreding voor consumenten naar alle waarschijnlijkheid beperkt is gebleven, gelet op de gratis proefperiode in combinatie met het coulancebeleid voor consumenten voor wie een periode met een gereduceerd tarief gold. De boete voor deze overtreding heeft verweerder met 10% verlaagd tot € 18.000,-. Voor het overige heeft verweerder geen boeteverlagende omstandigheden aanwezig geacht. 2.4 Omvang beroep 2.4.1 Ter zitting is aan de orde gesteld en door eiseres is bevestigd dat zij in beroep niet bestrijdt dat de overtredingen zijn begaan, maar dat zij bestrijdt dat deze op grote schaal hebben plaatsgevonden. Dat laatste dient naar het oordeel van eiseres zijn weerslag te krijgen op de (hoogte van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.