RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 08/5255 MEDED-T1 Uitspraak in het geding tussen [naam], gevestigd te [plaats], eiseres, gemachtigden mr. P.H.L.M. Kuypers, en mr. N. van Nuland, advocaten te Brussel, en de Raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 10 september 2008 heeft verweerder aan eiseres een boete van € 776.000 opgelegd wegens overtreding artikel 27, eerste lid, van de Spoorwegwet en artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Spoorwegwet in verbinding met artikel 14, eerste lid, en artikel 20, eerste lid, van richtlijn 2001/14/EG (hierna: de Richtlijn) en een boete van € 100.000 wegens overtreding van artikel 61 van de Spoorwegwet in verbinding met artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur (hierna: het Besluit) en artikel 25, derde lid, van de Richtlijn. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Na te hebben ingestemd met het verzoek tot rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder het bezwaarschrift als beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2009. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. N. van Nuland, bijgestaan door [namen], beiden werkzaam bij eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T. Algera, mr. J. de Vries en drs. C. Timmerman. 2 Overwegingen 1.1 Verweerder heeft de boetes opgelegd naar aanleiding van de resultaten van een ambtshalve door verweerder verricht onderzoek naar de wijze waarop eiseres, als beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur in Nederland, gehandeld heeft bij de verdeling van de capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur voor de jaardienstregeling 2007 en na de overbelastverklaring van het baanvak Amersfoort-Ede en het emplacement Amersfoort (hierna zowel afzonderlijk als gezamenlijk aangeduid als: Amersfoort-Ede). De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 oktober 2007. 1.2 Op grond van dit rapport heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres de capaciteitsaanvraag van [spoorwegonderneming 1] niet gelijk heeft behandeld als die van [spoorwegonderneming 2], de aanvraag van [spoorwegonderneming 2] voorrang heeft gegeven boven die van [spoorwegonderneming 1] en niet heeft getracht alle aanvragen zoveel mogelijk te honoreren en zoveel mogelijk rekening te houden met de gevolgen van alle beperkingen voor de aanvragers (hierna: overtreding 1). Hiervoor heeft verweerder een boete van € 776.000 opgelegd. 1.3 Voorts heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres de capaciteitsanalyse Amersfoort-Ede niet heeft voltooid binnen zes maanden na de overbelastverklaring van Amersfoort-Ede (hierna: overtreding 2). Voor deze overtreding heeft verweerder een boete van € 100.000 opgelegd. 2 Overtreding 1 betreft de wijze waarop eiseres in de periode van 15 maart 2006 tot en met 24 juni 2006 heeft gehandeld bij de capaciteitsverdeling van de hoofdspoorweg¬infrastructuur voor de jaardienstregeling 2007, in het bijzonder de wijze van afhandeling van de conflicterende aanvragen van [spoorwegonderneming 1] en [spoorwegonderneming 2]. Volgens verweerder heeft eiseres bij de afhandeling van dit conflict artikel 27, eerste lid, van de Spoorwegwet en artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Spoorwegwet in verbinding met artikel 14, eerste lid, en artikel 20, eerste lid, van de Richtlijn overtreden. 3.1 In artikel 27, eerste lid, van de Spoorwegwet is bepaald dat een spoorwegonderneming op niet-discriminerende grondslag recht heeft op toegang tot hoofdspoorwegen. 3.2 Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Spoorwegwet worden aan een concessie – zoals die aan eiseres is verleend – in elk geval voorschriften, onder meer houdende prestatie-indicatoren, verbonden om te waarborgen dat voldaan wordt aan ondermeer de Richtlijn. 3.3 Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn zorgt de infrastructuurbeheerder voor de afwikkeling van de capaciteitstoewijzingsprocedure en draagt hij er zorg voor dat de infrastructuurcapaciteit op een billijke, niet-discriminerende wijze en overeenkomstig het gemeenschapsrecht wordt toegewezen. 3.4 In artikel 20, eerste lid, van de Richtlijn is bepaald dat de infrastructuurbeheerder tracht alle infrastructuurcapaciteitsaanvragen zoveel mogelijk te honoreren en zoveel mogelijk rekening tracht te houden met de gevolgen van alle beperkingen voor aanvragers, zoals het economische effect op hun activiteiten. 4 Verweerder heeft drie van meerdere in het rapport van 29 oktober 2007 neergelegde stellingen over de afhandeling door eiseres van de conflicterende aanvragen van [spoorwegonderneming 1] en [spoorwegonderneming 2] overgenomen en aan overtreding 1 ten grondslag gelegd. Ten eerste verwijt verweerder eiseres dat zij de aanvraag van [spoorwegonderneming 1] van 1 maart 2006 niet gelijk behandeld heeft met de aanvraag van [spoorwegonderneming 2] van 15 maart 2006, omdat eiseres op 26 april 2006 alleen [spoorwegonderneming 1] in de gelegenheid heeft gesteld om een variant te maken waarin inzichtelijk wordt gemaakt wat de gevolgen voor de andere aanvragers zijn en niet ook [spoorwegonderneming 2] in het desbetreffende stadium van de coördinatiefase daartoe in de gelegenheid heeft gesteld. Ten tweede verwijt verweerder eiseres dat zij de aanvraag van [spoorwegonderneming 2] zonder daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aan te voeren voorrang heeft gegeven boven die van [spoorwegonderneming 1]. Dit heeft zich volgens verweerder geuit in het streven zo min mogelijk aan te passen in de capaciteitsaanvraag van [spoorwegonderneming 2], zoals volgens verweerder blijkt uit de e-mail van 3 mei 2006 van een medewerker van eiseres en uit de opmerking in de brief van 22 juni 2006 van eiseres dat de principiële keuzes in het ontwerp 2007 al waren gemaakt en dat de landelijke structuur al vast lag. Ten derde verwijt verweerder eiseres dat zij niet, zoals blijkt uit de opmerking in de brief van 22 juni 2006, getracht heeft alle infrastructuur¬capaciteitsaanvragen zoveel mogelijk te honoreren en zoveel mogelijk rekening te houden met de gevolgen van alle beperkingen voor de aanvragers, zoals het economische effect op hun activiteiten. 5.1 Eiseres stelt dat verweerder de genoemde gedragingen onjuist heeft gekwalificeerd en onvoldoende rekening heeft gehouden met de context waarin deze plaatsvonden. Eiseres heeft gewezen op de omstandigheid van de totstandkoming van het nieuwe spoorboekje met ingang van de jaardienstregeling 2007, de voorspelbaarheid van de uiteindelijke uitkomst van het conflict en het feit dat [spoorwegonderneming 1] heeft berust in het compromis. 5.2 Eiseres heeft uiteengezet dat de invoering van het nieuwe spoorboekje voor het personenvervoer op het Nederlandse hoofdspoor tot stand is gekomen na een ingewikkeld en tijdrovend proces dat heeft geleid tot een intensivering van het treinverkeer op de hoofdspoorwegen. In overleg met een groot aantal betrokkenen zijn spoorverbindingen onderling en aansluitingen op het openbare streekvervoer op elkaar afgestemd. Deze afstemming heeft geresulteerd in het zogenaamde ontwerp 2007, dat de basis vormde voor de door betrokken spoorvervoerders ingediende capaciteitsaanvragen voor de jaardienstregeling 2007. Deze aanvragen zijn zodanig nauw op elkaar afgestemd dat er in feite sprake was van een gezamenlijke aanvraag. De aanvraag van [spoorwegonderneming 1] viel wat betreft de Valleilijn (het regionale spoor rond Amersfoort) hier buiten, omdat [spoorwegonderneming 1] wegens de duur van de aanbestedingsprocedure pas in een laat stadium de concessie heeft verkregen voor de Valleilijn. De aanvraag van [spoorwegonderneming 1] conflicteerde met de aanvraag van [spoorwegonderneming 2] wat betreft de aansluitingen van de regionale valleilijn op de treinen van [spoorwegonderneming 2] op het landelijke hoofdspoorwegnet in Amersfoort. Eiseres stelt dat de aanvraag van [spoorwegonderneming 1] in feite niet enkel met die van [spoorwegonderneming 2] conflicteerde, maar met de gehele gezamenlijke aanvraag en dat bij dit conflict niet alleen de belangen van [spoorwegonderneming 1] en [spoorwegonderneming 2] een rol speelden, maar ook de belangen van de andere partijen die betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van het nieuwe spoorboekje. Een significante wijziging in de gezamenlijke aanvraag, waaronder de aanvraag van [spoorwegonderneming 2], heeft niet enkel gevolgen voor de trein waarmee een conflict was, maar heeft effect op het merendeel van de verbindingen waarmee de desbetreffende lange afstandstrein in aanraking komt. 5.3 Eiseres bestrijdt dat zij de aanvraag van [spoorwegonderneming 1] gediscrimineerd heeft, maar integendeel door bemiddelend optreden een capaciteitsgeschil tussen verschillende vervoerders heeft opgelost. Eiseres bestrijdt dat zij alleen [spoorwegonderneming 1] in de gelegenheid heeft gesteld om een variant te maken waarin inzichtelijk zou worden gemaakt wat de gevolgen van haar aanvraag voor de andere aanvragers zouden zijn. Eiseres stelt dat zij [spoorwegonderneming 2] hiertoe eveneens in de gelegenheid heeft gesteld, maar dat [spoorwegonderneming 2] daarvan heeft afgezien. 5.4 Voorts stelt eiseres dat de voorrangsregeling van artikel 10 van het Besluit in zoverre een rol heeft gespeeld, omdat alle betrokken partijen wisten dat, indien zij zouden vasthouden aan hun conflicterende aanvragen, eiseres het traject overbelast zou moeten verklaren en deze voorrangsregels zou moeten toepassen. Dit zou voor [spoorwegonderneming 1] als streekgewestelijk openbaar vervoerder en daardoor lager geprioriteerde geen winst opleveren, omdat de aanvraag van [spoorwegonderneming 2] als hoger geprioriteerde nationale openbaar vervoerder uiteindelijk voorrang zou hebben gekregen. Eiseres stelt dat het voor iedereen duidelijk was dat [spoorwegonderneming 2] niet zou inschikken. Verder wijst eiseres erop dat de capaciteitsverdeling voor 2007 onder grote tijdsdruk stond en dat mede gelet daarop [spoorwegonderneming 1] op 14 juni 2006 ervoor gekozen heeft om in te stemmen met de variant die partijen samen hadden ontwikkeld. Daarbij wijst eiseres erop dat het gaat om een in overleg tot stand gekomen compromis en dat er geen geschilbeslechting heeft plaatsgevonden. 6.1 De rechtbank is van oordeel dat op basis van de gedingstukken, in het bijzonder de door eiseres desgevraagd bij brief van 12 maart 2007 aan verweerder overgelegde brieven, mailberichten en notulen betreffende de afhandeling van de conflicterende aanvragen van [spoorwegonderneming 1] en [spoorwegonderneming 2], niet kan worden vastgesteld dat eiseres op 26 april 2006 alleen aan [spoorwegonderneming 1] heeft gevraagd om met een oplossingsvariant te komen en niet tevens aan [spoorwegonderneming 2]. 6.2 Onder deze stukken bevindt zich de e-mail van 26 april 2006 waarop verweerder zich met name heeft gebaseerd. In deze e-mail is door een medewerker van eiseres verslag gedaan van een bespreking met medewerkers van [spoorwegonderneming 2] en [spoorwegonderneming 1] over de problematiek van de aansluitingen van de regionale treinen van [spoorwegonderneming 1] van de Valleilijn op de landelijke treinen van [spoorwegonderneming 2] in Amersfoort. De e-mail vermeldt dat de medewerker van [spoorwegonderneming 2] nogmaals deze problematiek heeft bekeken, maar dat hij geen mogelijkheden zag tot patroonmatige verbeteringen voor [spoorwegonderneming 1], waarna de medewerker van [spoorwegonderneming 1] heeft aangegeven vast te houden aan de oorspronkelijke aanvraag. Verder is in deze e-mail vermeld dat aan [spoorwegonderneming 1] de te volgen procedure is uitgelegd en dat [spoorwegonderneming 1] de gelegenheid krijgt om een variant te maken waarin inzichtelijk wordt gemaakt wat de gevolgen voor de anderen zijn en dat de medewerker van eiseres de medewerker van [spoorwegonderneming 1] daarbij zal begeleiden. 6.3 Op 3 mei 2006 hebben de medewerker van eiseres en de medewerker van [spoorwegonderneming 1] de overstapmogelijkheden in Amersfoort bezien. In een e-mail van 3 mei 2006, waarin de medewerker van eiseres verslag doet van dit overleg, is vermeld dat door de verschillen in spits en dal in het [spoorwegonderneming 2]-patroon en het streven om zo min mogelijk aan te passen in het Ontwerp 2007, er uiteindelijk een variant is gemaakt en dat [spoorwegonderneming 1] zich over deze variant gaat beraden. 6.4 Vervolgens heeft op 17 mei 2007 het coördinatieoverleg plaatsgevonden waarop onder meer de door eiseres en [spoorwegonderneming 1] ontwikkelde variant voor de exploitatie van de valleilijn is besproken. Uit de notulen van dit overleg blijkt dat [spoorwegonderneming 1] deze variant heeft afgewezen en vasthoudt aan haar oorspronkelijke aanvraag. Vervolgens is vastgesteld dat er sprake is van een conflict dat de coördinatiefase ingaat, hetgeen inhoudt dat alle betrokken partijen een oplossingsvariant moeten indienen met een financiële onderbouwing. Van de zijde van [spoorwegonderneming 2] is opgemerkt dat zij geen oplossingsvariant hoeft in te dienen omdat deze gelijk is aan de huidige status van haar aanvraag. Uit de notulen blijkt voorts dat ondermeer is besloten: “[spoorwegonderneming 1] berekent de inkomstenderving die voortvloeit uit de nu afgewezen variant. Daarnaast komt ze met een eigen oplossingsvariant, dit kan eventueel de oorspronkelijke aanvraag zijn. (…). [Naam] maakt een variant waarop [spoorwegonderneming 2] en [spoorwegonderneming 1] moeten reageren. (…)” 6.5 Op basis van de verslagleggingen van de besprekingen op 26 april 2006 en 17 mei 2006, alsmede gelet op de door [naam], die bij deze besprekingen aanwezig was, ter zitting afgelegde verklaring over de gang van zaken tijdens deze besprekingen, kan niet worden vastgesteld dat alleen [spoorwegonderneming 1] is gevraagd om met een variant te komen en niet ook [spoorwegonderneming 2]. Gelet op de informele wijze van verslaglegging kan aan het ontbreken van een vermelding van een expliciet verzoek aan [spoorwegonderneming 2] niet de conclusie worden verbonden dat een dergelijk verzoek niet aan [spoorwegonderneming 2] is gedaan. Uit de e-mail van 26 april 2006 blijkt niet dat [spoorwegonderneming 1] toen is gevraagd een variant te ontwikkelen of dat haar in het kader van de uitleg van de te volgen procedure slechts op deze mogelijkheid is gewezen. In de notulen van het coördinatieoverleg van 17 mei 2006 kan evenmin een bevestiging gevonden worden voor het standpunt van verweerder dat [spoorwegonderneming 2] niet tegelijk met [spoorwegonderneming 1] om een variant is gevraagd. Aangezien [spoorwegonderneming 2] van meet af aan heeft aangegeven vast te willen houden aan haar oorspronkelijke aanvraag, terwijl het voor de hand lag dat [spoorwegonderneming 2] dit standpunt in zou nemen omdat haar aanvraag onderdeel was van de gezamenlijke aanvraag, is het niet onbegrijpelijk dat een aan [spoorwegonderneming 2] gedaan verzoek niet uit de e-mails en notulen blijkt. Vanwege de invoering van het nieuwe spoorboekje en de in verband daarmee nauw op elkaar afgestemde aanvragen van de spoorweg¬ondernemingen lag het immers niet in de rede dat er aan de kant van de [spoorwegonderneming 2] nog ruimte zou zijn haar aanvraag aan te passen. In dit licht kan ook de opmerking in de e-mail van 3 mei 2006, dat ernaar gestreefd wordt om de aanvraag van [spoorwegonderneming 2] zo min mogelijk aan te passen, gezien worden. De aanvraag van [spoorwegonderneming 2] is immers tot stand gekomen in overleg tussen de andere spoorvervoerders en eiseres en is het resultaat van een langdurige en complexe procedure. De aanvraag van [spoorwegonderneming 2] is samen met de aanvragen van de andere spoorvervoerders in feite een geheel. Zo kan ook de opmerking in de brief van 22 juni 2006, dat de principiële keuzes in het ontwerp 2007 al waren gemaakt en dat de landelijke structuur al vast lag, bezien worden. Uit deze opmerkingen kunnen gelet op de in het kader van de capaciteitverdeling voor 2007 aan de orde zijnde bijzondere omstandigheid van het invoeren van het nieuwe spoorboekje niet de vergaande conclusies worden verbonden zoals verweerder dat heeft gedaan. 6.6 Uit het voorgaande volgt dat overtreding 1 niet vast is komen te staan. Verweerder is daarom niet bevoegd hiervoor een boete op te leggen. Het bestreden besluit is daarom in zoverre genomen in strijd met artikel 76 van de Spoorwegwet en dient om die reden te worden vernietigd. 7.1 Overtreding 2 betreft de gang van zaken rond de overbelastverklaring van Amersfoort-Ede in de zin van artikel 22 van de Richtlijn en artikel 7 van het Besluit. 7.2 In artikel 7, tweede lid, van het (krachtens artikel 61 van de Spoorwegwet tot stand gekomen) Besluit is bepaald dat indien de verhoging als bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Spoorwegwet niet is toegepast of geen bevredigend resultaat heeft opgeleverd de beheerder de betrokken infrastructuur overbelast verklaart (onderdeel a), de beheerder een capaciteitsanalyse als bedoeld in artikel 25 van de Richtlijn verricht (onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.