RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/661101-10 Datum uitspraak: 29 juli 2010 Tegenspraak Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname), ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie, te Rotterdam, raadsman: mr. W.H. Klein Meuleman, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2010. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie, mr. Boender, heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat de verdachte behandeling dient te ondergaan bij Het Dok of een vergelijkbare instelling. MOTIVERING VRIJSPRAAK Het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Ten laste is gelegd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – primair het seksueel binnendringen van iemand met een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, subsidiair een poging daartoe en meer subsidiair het plegen van ontuchtige handelingen met iemand met een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De artikelen 243 en 247 van het Wetboek van Strafrecht beogen mede bescherming te bieden aan gevallen van psychische weerloosheid. Bepalend voor een bewezenverklaring van deze artikelen in bovenbedoelde zin is dat bij het slachtoffer sprake is van een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Het onderzoek ter terechtzitting en het dossier bieden onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat hiervan sprake is geweest bij de aangeefster in de onderhavige zaak. Uit het dossier kan volgen dat het IQ van de aangeefster zich bevindt tussen 35 en 50 en dat zij acteert op het niveau van een zesjarige. Dit betekent echter niet zonder meer dat zij niet in staat kan worden geacht omtrent seksuele contacten haar wil te bepalen of weerstand te bieden. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat de aangeefster een relatie met een man onderhoudt, door haar begeleiders als een zelfstandig persoon wordt gekenmerkt en seksuele voorlichting van haar ouders heeft gehad. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de rechtbank nog verzocht om na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting dit te heropenen, indien de rechtbank in raadkamer tot het voorlopig oordeel zou komen dat onvoldoende is komen vast te staan dat er bij de aangeefster sprake zou zijn van psychische weerloosheid. Dit verzoek wordt afgewezen. Een heropening van het onderzoek ter terechtzitting zou in een zaak als de onderhavige in de rede kunnen liggen indien de rechtbank na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting – bijvoorbeeld naar aanleiding van een door de verdediging gevoerd verweer – een (nader) onderzoek naar de geestesgesteldheid van de aangeefster noodzakelijk acht. Het is echter in strijd met het de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging om in het onderhavige geval – waarin de officier van justitie het op voorhand kennelijk niet noodzakelijk achtte afdoende onderzoek te laten doen naar de geestesgesteldheid van de aangeefster – op verzoek van de officier van justitie een dergelijk onderzoek alsnog in te stellen. Het is immers de taak van de officier van justitie om een dossier samen te stellen dat tot de door de officier van justitie beoogde uitspraak kan leiden. Hiermee is onverenigbaar dat de rechtbank op verzoek van de officier van justitie een (nader) onderzoek zou dienen te gelasten teneinde alsnog tot de door de officier van justitie beoogde uitspraak te kunnen komen. Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Ten laste is gelegd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het dwingen van de aangeefster tot het ondergaan van ontuchtige handelingen. Voldoende is komen vast te staan dat er daadwerkelijk sprake is geweest van seksuele handelingen tussen de verdachte en de aangeefster. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat de verdachte een geestelijk overwicht had op het slachtoffer. Het enkele gegeven van geestelijk overwicht kan echter de conclusie dat er sprake is geweest van een dermate dreigende situatie waardoor het slachtoffer zich gedwongen voelt ontuchtige handelingen te dulden, niet zelfstandig dragen. Nu de overige in de tenlastelegging genoemde feitelijkheden zelfstandig en in onderlinge samenhang bezien niet tot de voor een bewezenverklaring benodigde dwang aanleiding kunnen hebben gegeven, zal de verdachte ook van het meest subsidiaire ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. BESLISSING De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling. Dit vonnis is gewezen door: mr. Frankruijter, voorzitter, en mrs. Reinds en De Doelder, rechters, in tegenwoordigheid van Meulendijk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juli 2010. De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage bij vonnis van 29 juli 2010. TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 23 januari 2010, althans in of omstreeks de periode van 20 januari 2010 tot 1 februari 2010 te Rotterdam, met iemand, te weten [aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat die [aangeefster] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [aangeefster] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.