vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 341642 / HA ZA 09-3101 Vonnis van 18 augustus 2010 in de zaak van [eiser], wonende te Barendrecht, eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. M. Fiers, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACV BEHEER B.V., gevestigd te Vlaardingen, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACV BEVEILIGINGSTECHNIEK B.V., gevestigd te Vlaardingen, gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, advocaat mr. L. Hennink. Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als ACV Beheer respectievelijk ACV Beveiligingstechniek en gezamenlijk als ACV. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - dagvaarding van 27 oktober 2009 en de door [eiser] in het geding gebrachte producties; - conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties; - het tussenvonnis van 10 februari 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast; - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties; - de brief van 26 april 2010 van mr. Fiers, waarbij namens [eiser] is verzocht om omwisseling van productie 46 nu bij de conclusie van antwoord in reconventie abusievelijk de verkeerde productie 46 is gevoegd; - de brieven van 4 en 6 mei 2010 van mr. Fiers ten behoeve van de comparitie, met producties; - het proces-verbaal van comparitie van 10 mei 2010; - de brief van 26 mei 2010 van mr. Hennink naar aanleiding van het proces-verbaal; - de akte uitlaten na proces-verbaal, tevens akte uitlating producties van [eiser]; - de akte uitlaten van ACV. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast: 2.1. ACV Beheer is aandeelhouder en bestuurder van ACV Beveiligingstechniek. ACV Beveiligingstechniek is een onderneming die zich richt op de verkoop, het aanleggen en certificeren van inbraak- en brandbeveiligingssystemen. 2.2. Per 1 mei 2002 is [eiser] bij ACV Beheer in dienst getreden als statutair directeur voor de duur van een jaar. In de door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst van 29 april 2002 (hierna: de arbeidsovereenkomst van 2002) is bepaald dat [eiser] tevens leiding zal geven aan de onderliggende werkmaatschappijen, waaronder ACV Beveiligingstechniek. 2.3. In artikel 10 van de arbeidsovereenkomst van 2002 is het volgende beding opgenomen: “(…) 2. Zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van werkgever mag werknemer binnen 1 jaar na beëindiging van het dienstverband geen arbeid verrichten voor, dan wel op enigerlei wijze direct of indirect, tegen betaling of “om niet”, betrokken zijn bij een organisatie die op dat moment behoort tot – of in een periode van 5 jaar voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband heeft behoord tot de kring van opdrachtgevers of opdrachtnemers van werkgever. 3. Zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van werkgever is het werknemer verboden binnen een tijdvak van 1 jaar na beëindiging van het dienstverband op enigerlei wijze direct of indirect, tegen betaling of “om niet”, betrokken zijn bij een organisatie die diensten en/of producten levert gelijksoortig met de door werkgever geleverde cq. ontwikkelde diensten en/of producten, dan wel naar werknemer bekend is, die werkgever voornemens is op te nemen in haar diensten cq. productenpakket.” 2.4. Bij overeenkomst van 26 maart 2003 (hierna: de overeenkomst van 2003) is de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en ACV Beheer voor onbepaalde tijd verlengd. Deze overeenkomst hebben beide partijen ondertekend en deze luidt, voor zover van belang, als volgt: “Artikel – 1 – Overeenkomst voor onbepaalde tijd Partijen komen over een de lopende arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur met ingang van 1 mei 2003 voort te zetten in één van onbepaalde duur. Artikel – 2 – Arbeidsvoorwaarden De arbeidsvoorwaarden blijven zoals overeengekomen bij de arbeidsovereenkomst van 29 april 2002.” 2.5. In februari 2005 heeft de heer [X] (hierna: [X]) een gedeelte van zijn aandelen in ACV Beheer overgedragen aan [eiser], te weten 20% van de aandelen. De overige aandelen in ACV Beheer zijn in handen (gebleven) van [X] (60%) en zijn zoon, de heer [Y] (hierna: [Y]) (20%). 2.6. In de bijzondere vergadering van aandeelhouders van 24 april 2009 zijn – naast [eiser] – [X] en [Y] benoemd als statutair directeur van ACV Beheer op voordracht van [X] Tevens is bepaald dat [X] volledig en zelfstandig bevoegd zal zijn en [Y] en [eiser] gezamenlijk bevoegd zullen zijn. Voorts is bepaald dat een dagelijks Management Team zal optreden met als leden [X] en [eiser], dat in gezamenlijk overleg de besluiten zal nemen, waarbij zonodig de aandelenverhouding de doorslag zal geven. 2.7. Bij brief van 27 april 2009 (hierna: de ontslagbrief) aan ACV Beheer, ter attentie van [X], heeft [eiser] zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. Deze brief vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “Ik heb daarom in het belang van mijn gezondheid en mijn familie het besluit genomen mijn functie neer te leggen en dien ik vandaag mijn ontslag in. Duidelijk is dat jij in dit conflict de meerdere en sterkere bent vanwege je meerderheidsbelang en ik daarom deze strijd niet kan winnen. Met een opzegtermijn van 1 maand zal mijn dienstverband hiermee eindigen op 31 mei 2009. Ik realiseer mij dat ik hiermee het recht op een WW-uitkering verspeel maar ik vind mijn gezondheid belangrijker als de financiële onzekerheid waarin ik beland ook al is er op dit moment een financiële crisis gaande.” 2.8. Nadat [eiser] de ontslagbrief op 28 april 2009 aan [X] had overhandigd, heeft [eiser] geen werkzaamheden meer verricht voor ACV Beheer. Op dezelfde datum hebben [eiser] en [X] een verklaring ondertekend, waarbij is vastgelegd dat [eiser] de in die verklaring genoemde materialen heeft ingeleverd in verband met de beëindiging van zijn dienstverband. 2.9. Op 2 mei 2009 heeft [eiser] zich ziek gemeld. 2.10. Bij brief van 15 mei 2009 heeft de raadsman van [eiser] aan ACV bericht dat het ontslag van [eiser] een ontslagname in de zin van artikel 7:677 BW was. 2.11. Op grond van artikel 4 lid 6 van de arbeidsovereenkomst van 2002 heeft [eiser] met ingang van 1 februari 2003 een pensioenvoorziening bij (thans genaamd) Fortis ASR onder polisnummer 70152537. Voor deze verzekering heeft ACV de maandelijks verschuldigde premie betaald. Het gedeelte daarvan dat door [eiser] is verschuldigd, is maandelijks ingehouden op zijn brutosalaris onder vermelding van ‘inhouding pensioen’. Daarnaast is in de periode maart 2008 tot en met december 2008 maandelijks een bedrag van € 591,03 met de vermelding ‘ouderdomspensioen werknemer’ ingehouden op het brutosalaris van [eiser]. 2.12. Artikel 4 lid 6 van de arbeidsovereenkomst van 2002 luidt als volgt: “Voor werknemer zal een pensioenvoorziening worden afgesloten. De lasten voor de werkgever zullen hierbij niet uitstijgen boven het werkgeversdeel van de premie voor een pensioenvoorziening bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid, gevestigd te ’s-Gravenhage. De bijdrage van werknemer bedraagt tenminste 50% van de totale lasten.” 2.13. Vanaf 8 juli 2009 is [eiser] (middellijk) bestuurder en enig aandeelhouder van A+ Beveiliging B.V. (hierna: A+ Beveiliging), gevestigd en kantoorhoudende te Barendrecht. De bedrijfsomschrijving van A+ Beveiliging in het handelsregister is: “De groot- en kleinhandel in beveiligingsapparatuur en het aanleggen, certificeren en onderhouden van elektronische beveiligingssystemen.” 2.14. Bij brief van 5 augustus 2009 heeft de raadsman van ACV twee relaties van ACV aangeschreven met de mededeling dat het [eiser] niet is toegestaan om activiteiten te verrichten die in strijd zijn met het in de arbeidsovereenkomst van 2002 opgenomen relatie- en concurrentiebeding. Bij die brieven zijn zowel de arbeidsovereenkomst van 2002 als de overeenkomst van 2003 gevoegd. 3. De vordering in conventie 3.1. De vordering van [eiser] luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I - te verklaren voor recht dat sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW, althans te verklaren voor recht dat ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek zich niet als goed werkgever heeft gedragen en derhalve jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen als werkgever ex artikel 7:611 BW, op grond waarvan voor [eiser] een dringende reden bestond om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, althans de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te beëindigen; - ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek dientengevolge hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 106.787,94 aan schadevergoeding (werkelijke en toekomstige schade), althans een bedrag van € 113.262,80 (gelijk aan de Kantonrechterformule 2009, waarbij C=2), althans een bedrag van € 72.811,80 (gelijk aan de XYZ-formule, waarbij Z=1), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen daarover vanaf 27 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening; II ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.251,04 terzake de ten onrechte ingehouden pensioengelden, zoals in de dagvaarding nader omschreven, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen daarover vanaf 27 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening; III primair: te verklaren voor recht dat tussen [eiser] en ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek geen rechtsgeldig concurrentiebeding, noch een rechtsgeldig relatiebeding tot stand is gekomen; subsidiair: indien en voor zover rechtens blijkt dat sprake is van een rechtsgeldig concurrentie- en/of relatiebeding, te verklaren voor recht dat ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek uit hoofde van artikel 7:653 lid 3 jo. artikel 7:677 BW geen rechten kan ontlenen aan het overeengekomen concurrentie- en/of relatiebeding; meer subsidiair: indien en voor zover rechtens blijkt dat sprake is van een rechtsgeldig concurrentie- en/of relatiebeding, het concurrentie- en/of relatiebeding te vernietigen, althans te matigen tot nihil, althans te matigen tot een werking in goede justitie te bepalen, zulks op grond van artikel 7:653 BW; tertiair: indien en voor zover rechtens blijkt dat sprake is van een rechtsgeldig concurrentie- en/of relatiebeding, ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.090,20 bruto per maand, althans een door U E.A. in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke maand dat [eiser] door ACV is en wordt gehouden aan de werking van het concurrentie- en/of relatiebeding; IV ACV Beheer en/of ACV Beveiligingstechniek een verbod op te leggen om op welke wijze dan ook enige mededeling te doen van (personeels-)gegevens van vertrouwelijke aard betreffende [eiser], zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom ten laste van ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek van € 10.000,-- per overtreding van dit verbod, althans een dwangsom in goede justitie te bepalen; V ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke (incasso-)kosten ten bedrage van € 2.975,--, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag; VI ACV Beheer dan wel ACV Beveiligingstechniek hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de (proces-)advocaat. 3.2. ACV heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.3. De vordering van ACV luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: a. te verklaren voor recht dat de bedingen overeengekomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen gedateerd 29 april 2002, en met name het concurrentie- en relatiebeding, rechtsgeldig overeen zijn gekomen en derhalve van toepassing zijn; b. te verklaren voor recht dat [eiser] door in dienst te treden bij A+ Beveiliging in strijd handelt met het overeengekomen relatie- en concurrentiebeding; c. te bepalen dat [eiser] een bedrag van € 36.784,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling door ACV tot aan het moment van terugbetaling door [eiser], aan ACV dient te betalen in verband met onverschuldigd door ACV gedane pensioenbetalingen; zulks vermeerderd met de kosten van dit geding. 3.4. [eiser] heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. [eiser] heeft de vordering tegen ACV Beveiligingstechniek voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval vast mocht komen te staan dat niet ACV Beheer, maar ACV Beveiligingstechniek als werkgever moet worden aangemerkt. ACV heeft niet gesteld dat ACV Beveiligingstechniek de werkgever van [eiser] was. Aan de voorwaarde waaronder de vordering tegen ACV Beveiligingstechniek is ingesteld is dus niet voldaan. De rechtbank zal de vorderingen tegen ACV Beveiligingstechniek daarom niet behandelen. Hetzelfde geldt voor de vorderingen van ACV Beveiligingstechniek. In het hierna volgende zal de rechtbank ervan uitgaan dat het geschil speelt tussen [eiser] en ACV Beheer. De opzegging van de arbeidsovereenkomst (vordering in conventie, zie 3.1 onder I) 4.2. Aan zijn vordering tot schadevergoeding heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd door onverwijlde opzegging om een dringende reden, die hem door ACV Beheer was gegeven. Die dringende reden is volgens [eiser] – samengevat – gelegen in het volgende. Vanaf begin 2008 is geleidelijk een gespannen situatie tussen de drie aandeelhouders ontstaan wegens een conflict over het aandelenpakket van [eiser] in ACV Beheer. De verslechtering in de relatie tussen de aandeelhouders heeft erin geresulteerd dat de positie van [eiser] als directeur van ACV Beheer in het gedrang is gekomen, aangewakkerd door het handelen van de heren Auperlé. Zo heeft [Y] onrust gestookt onder het personeel van ACV over de positie van [eiser] en heeft [X] publiekelijk steeds meer kritiek geleverd op het beleid en functioneren van [eiser]. Het conflict heeft zijn climax bereikt op de algemene vergadering van aandeelhouders van 24 april 2009. Hier zijn [X] en jr. benoemd tot statutair directeur en heeft [X] desgevraagd bevestigd dat het vertrek van [eiser] gewenst is, maar dat geen mogelijkheid bestaat tot het betalen van een ontslagvergoeding. De benoeming van [X] en jr. en de daarbij vastgestelde bevoegdheden van het nieuwe managementteam zouden een zodanige degradatie van de positie [eiser] meebrengen (met zijn aandelenbelang van 20% zou hij volledig buiten spel worden gezet), dat hij voortzetting van zijn dienstverband onmogelijk heeft geacht. Bij die beslissing heeft tevens een rol gespeeld dat het conflict en de werksituatie in de loop van de tijd psychische en medische klachten hebben veroorzaakt. Nadat hij hierover een weekend had nagedacht, heeft [eiser] daarom op 28 april 2009 zijn ontslag ingediend. Dat hij daarbij een opzegtermijn van een maand in acht heeft genomen, is te wijten aan zijn beperkte juridische kennis. Dit blijkt ook uit het feit dat de opzegtermijn niet overeenstemt met de overeengekomen opzegtermijn, te weten twee maanden. Voor de duidelijkheid is op 15 mei 2009 aan ACV Beheer kenbaar gemaakt dat het om een ontslagname als bedoeld in artikel 7:677 BW ging. 4.3. ACV Beheer heeft betwist dat sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door een onverwijlde opzegging om een dringende reden; [eiser] heeft de arbeidsovereenkomst op 28 april 2009 opgezegd tegen 31 mei 2009 en ACV Beheer heeft met deze opzegging(stermijn) ingestemd. Reeds daarom is ACV Beheer geen schadevergoeding verschuldigd. 4.4. Het verweer van ACV Beheer slaagt, want de rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat sprake is van ontslag op staande voet. Uit het feitelijk handelen van [eiser] ten tijde van en na zijn ontslagname volgt niet dat [eiser] de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft beëindigd. [eiser] heeft immers een opzegtermijn van een maand in acht genomen. Hij heeft zich enkele dagen na zijn ontslag ziek gemeld en heeft de bedrijfsauto op 31 mei 2009, de laatste dag van de opzegtermijn, ingeleverd. Bovendien heeft [eiser] aangevoerd dat hij vanaf 28 april 2009 niet meer heeft gewerkt en op diezelfde datum bepaalde goederen van ACV heeft ingeleverd omdat [X] hem na de overhandiging van zijn ontslagbrief per direct had geschorst. Ook indien wordt aangenomen dat [eiser] op deze manier heeft gehandeld vanwege beperkte juridische kennis, neemt dat niet weg dat het ontslag niet met onmiddellijke ingang is genomen. 4.5. De raadsman van [eiser] heeft weliswaar op 15 mei 2009 een brief gestuurd aan ACV waarin ‘voor de duidelijkheid’ is meegedeeld dat sprake is van een ontslag ex artikel 7:677 BW, maar die brief heeft het karakter van de eerdere opzegging niet veranderd. Gesteld of gebleken is ook niet dat daarmee alsnog per direct een einde is gemaakt aan het dienstverband (voor zover dat al mogelijk zou zijn geweest gelet op het vereiste van onverwijlde opzegging). De rechtbank acht het versturen van deze brief dan ook onvoldoende om tot een andere conclusie te kunnen komen dan dat [eiser] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn. [eiser] heeft dus niet – zoals artikel 7:677 derde lid BW voor schadeplichtigheid op deze voet vereist – gebruikgemaakt van de bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Dit brengt mee dat geen sprake kan zijn van schadeplichtigheid van ACV Beheer wegens de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. 4.6. De rechtbank ziet geen aanleiding de gevorderde verklaringen voor recht (dat kort gezegd sprake is van een dringende reden althans dat ACV Beheer zich niet als goed werkgever heeft gedragen) te beoordelen. Van schadeplichtigheid van ACV Beheer is als gezegd geen sprake wegens het ontbreken van een daadwerkelijke opzegging om een dringende reden en gelet op de bewoordingen van de vordering onder I in haar geheel bezien (‘op grond waarvan’ en ‘dientengevolge’) zijn beide verklaringen voor recht ingesteld met het oog op die – als gevolg van de beëindiging veroorzaakte – schadeplichtigheid; een ander belang bij (afzonderlijke) beoordeling van de verklaringen voor recht is gesteld noch gebleken. De pensioenvoorziening van [eiser] (vordering in conventie, zie 3.1 onder II en vordering in reconventie, zie 3.3 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.