RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rekestnummer: 362910 / FT RK 10-587 Insolventienummer: 09/330 F Uitspraak, bij vervroeging: 5 oktober 2010 Beschikking van de meervoudige kamer op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [adres], appellant (hierna: [appellant]), advocaten: mr. F.M.A. ‘t Hart en mr. M. van Eersel, tegen de machtiging van de rechter-commissaris mr. W.E. Merens (hierna: de rechter-commissaris) van 14 september 2010 in het faillissement van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PARTRUST BEHEER B.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: Partrust Beheer), curator: mr. L.J.M. Luchtman. 1 Het verloop van de procedure 1.1 De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken: - de machtiging van de rechter-commissaris van 14 september 2010, met bijlagen; - de brief van 17 september 2010 van mrs. ’t Hart en Van Eersel betreffende de machtiging van 14 september 2010, met bijlagen; - de brief van de curator van 21 september 2010 betreffende de machtiging van 14 september 2010, met bijlagen; - de brief van 24 september 2010 van de curator. 1.2 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de rechtbank voorts kennis genomen van de volgende stukken: - het proces-verbaal van 5 augustus 2009 en de beschikking van 12 augustus 2009, met bijlagen, betreffende de voordracht ex artikel 87 lid 1 van de Faillissementswet (Fw); - de beschikking van 1 februari 2010, betreffende de voordracht ex artikel 87 lid 1 Fw; - de beschikking van 16 februari 2010, betreffende het verzoek ex artikel 88 lid 1 Fw; - de beschikking van 19 februari 2010, betreffende het verzoek ex artikel 88 lid 1 Fw; - de beschikking van 27 augustus 2010, betreffende de voordracht ex artikel 87 lid 1 Fw, met bijlagen; - het tweede verslag ex artikel 73a Fw van 28 juni 2010, met bijlagen; - de brief van 17 september 2010 van mrs. ’t Hart en Van Eersel betreffende de beschikking van 27 augustus 2010; - de brief van de curator van 21 september 2010 betreffende de beschikking van 27 augustus 2010. 1.3 De rechtbank heeft de hiervoor onder 1.1 genoemde brief van 17 september 2010 van mrs. ’t Hart en Van Eersel aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 67 Fw tegen de machtiging van de rechter-commissaris van 14 september 2010. De onder 1.1 genoemde brief van de curator van 21 september 2010 is aangemerkt als verweerschrift. 1.4 De mondelinge behandeling van het beroep is bepaald op 28 september 2010. Voor de mondelinge behandeling zijn mr. ’t Hart en de curator bij brieven van 20 september 2010 opgeroepen. Na uitroeping van de zaak zijn verschenen mr. B. Louwerier namens de curator en de rechter-commissaris. Zij hebben hun standpunten nader toegelicht. 1.5 Omdat zijdens [appellant] niemand was verschenen, heeft de griffier voorafgaand aan de mondelinge behandeling telefonisch contact opgenomen met mr. ’t Hart. Hij verklaarde geen instructie van zijn cliënt te hebben gekregen. Desgevraagd verklaarde hij de oproeping van 20 september 2010 niet te hebben ontvangen. Hij verklaarde voorts het verweerschrift niet, maar de brief van de curator van 24 september 2010 wel te hebben ontvangen. 1.6 De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 12 oktober 2010. De uitspraak wordt heden bij vervroeging gedaan. 2 De feiten 2.1 Bij beschikking van 10 april 2009 van deze rechtbank is aan Partrust Beheer surseance van betaling verleend. Op 20 mei 2009 heeft de rechtbank de voorlopig verleende surseance van betaling ingetrokken en Partrust Beheer gelijktijdig in staat van faillissement verklaard. De faillietverklaring van Partrust Beheer is in hoger beroep bij beschikking van 18 augustus 2009 van het gerechtshof ’s-Gravenhage bekrachtigd. 2.2 Op 9 juni 2010 heeft de rechter-commissaris [appellant] verhoord ingevolge artikel 105 jo. 106 Fw. In dit verhoor is onder andere als volgt verklaard: “Ik hoor de curator tot mijn verbazing vragen om e-mailcorrespondentie vanaf 9 december 2009 met betrekking tot Pacheco, De Boer en/of SFO en Scarlet, Werensteijn en Van Rijn en Vistra, en bankafschriften. Volgens mij heb ik alles al ter beschikking gesteld maar ik zeg toe dat ik de vraag van de curator nog eens tot mij zal laten doordringen en alles zal doen om de stukken die hij kennelijk nog niet heeft alsnog bij hem te doen bezorgen”. 2.3 De rechter-commissaris heeft op 5 augustus 2010 een voordracht gedaan tot verzekerde inbewaringstelling van [appellant]. De rechter-commissaris heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat [appellant] weigert om de informatie te verschaffen die de curator aan hem heeft gevraagd en dat [appellant] daarmee de afwikkeling van het faillissement frustreert. Het ging daarbij onder andere om de hiervoor onder 2.2 genoemde e-mailcorrespondentie. 2.4 In de beschikking van 27 augustus 2010 heeft de rechtbank de voordracht tot verzekerde inbewaringstelling afgewezen. Onder nummer 6.2.L heeft de rechtbank onder andere overwogen: “[appellant] heeft op de ochtend van de zitting bij de curator, de rechter-commissaris en de rechtbank twee ordners met stukken (genoemd in de fax van mr. ’t Hart van 26 augustus 2010) laten bezorgen. Geen van de betrokkenen heeft voorafgaand aan deze zitting daarvan kennis kunnen nemen. [appellant] stelt dat bijlage 12 daarvan alle correspondentie bevat die hij via zijn privé laptop heeft gevoerd sinds 9 december 2009, als toegezegd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 9 juni 2010.” 2.5 Voorts heeft de rechtbank onder nummer 6.6 geoordeeld: “Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat de curatoren voor de vervulling van hun taken niet alleen in het bezit moeten worden gesteld van de privé correspondentie van [appellant] vanaf 9 december 2009 tot heden, maar ook dat de curatoren moeten kunnen controleren of de aangeleverde gegevens correct en compleet zijn. Omdat [appellant] en de curator mr. Luchtman ter zitting zijn overeengekomen dat de computer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.