RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/701095-10 Parketnummers van de vorderingen TUL VV: 01/845473-08 + 02/625755-09 Datum uitspraak: 6 oktober 2010 Tegenspraak VONNIS van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein te Nieuwegein, raadsman mr. G. Crawfurd, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 september
(3)de overige beperkingen in het cognitief functioneren. De verdachte heeft een voortgezette behandeling nodig, waarbij de behandeling bij voorkeur dient plaats te vinden in een instelling die gespecialiseerd is in de behandeling van mensen met niet aangeboren hersenletsel. Met betrekking tot het te geven advies ten aanzien van maatregelen om de kans op herhaling in de toekomst te voorkomen of te beperken is het aangewezen, dat de verdachte de behandeling voortzet bij de forensische polikliniek van GGZ [naam], die hij reeds heeft bij de heer [behandelaar]. De verdachte is pas enkele maanden in behandeling aldaar en er lijkt sprake van een constructief behandelcontact. Op 23 juli 2010 is omtrent de verdachte gerapporteerd door drs. A.F.J.M. Zwegers, GZ-psycholoog. In dit rapport staat onder meer vermeld, dat er een ziekelijke stoornis van de geestvermogens werd vastgesteld. Er is sprake van een persoonlijkheidsverandering door hersenletsel, waarbij affectlabiliteit en afhankelijke trekken aanwezig zijn. Verder is er sprake van een cognitieve stoornis NAO, eveneens door hersenletsel, waarbij een geheugendefect werd aangetoond, evenals een gebrekkige impulsbeheersing en cognitief verval. De verdachte functioneert door het verlies van capaciteit op zwakbegaafd niveau. Er zijn aanwijzingen voor misbruik van verschillende psycho-actieve middelen. De mogelijkheden om impulsen te beheersen zijn zeer beperkt. Door de verstandelijke beperkingen beschikt de verdachte niet over voldoende mogelijkheden om problemen op te lossen. Geadviseerd wordt om de feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Impulsiviteit vormt een belangrijke risicofactor voor de kans op recidive, maar ook de afhankelijkheid van de verdachte en zijn verstandelijke beperkingen dragen bij aan een hoge recidivekans. Drugsgebruik vormt een toegevoegd risico. Verder krijgt de verdachte vanuit zijn levensomstandigheden onvoldoende structuur en sturing aangeboden om zijn leven richting te geven. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde, dat hij zijn behandeling bij de GGZ [plaats] (de heer [behandelaar]) voortzet en dat hij verplicht wordt tot het opvolgen van de aanwijzingen van de reclassering. Tenslotte is omtrent de verdachte d.d. 19 augustus 2010 gerapporteerd door de Reclassering Nederland. In dit rapport staat onder meer vermeld, dat de verdachte een recidiverende verdachte is met ernstige psychische problematiek, als gevolg waarvan hij wederom met justitie in aanraking is gekomen. Eerder ingezette behandeling heeft deels als gevolg van de korte duur en deels als gevolg van de weinig coöperatieve houding van de verdachte slechts een beperkt resultaat gehad. Hierbij vormt de beperkte leerbaarheid van de verdachte een extra complicerende factor. Gelet op het beperkte zelfinzicht,de psychische problemen waarmee de verdachte kampt en de mate van recidive in de afgelopen jaren, wordt de kans op recidive als hooggemiddeld ingeschat. Hierbij is tevens in ogenschouw genomen de beperkte leerbaarheid waarmee de verdachte kampt. Ingeschat wordt voorts dat er een laag/gemiddeld risico op onttrekken aan voorwaarden is. Eerdere behandelingen van de verdachte zijn om diverse redenen niet vlekkeloos verlopen. Echter, met zijn huidige behandelaar lijkt hij een werkbare relatie te hebben, waardoor de kans op onttrekking als minder groot ingeschat wordt dan voorheen. De heer [behandelaar] van de GGZ [naam] te [plaats] heeft de verdachte geaccepteerd voor continuering van zijn behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden. Mede gelet op het feit dat de eerdere behandeling van de verdachte bij de GGZ [naam] te [plaats] te kort geduurd heeft om enig effect te kunnen sorteren en gelet op het feit dat de verdachte openstaat voor begeleiding en behandeling is de reclassering van mening, dat de verdachte een allerlaatste kans dient te krijgen. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij de volgende bijzondere voorwaarden worden geadviseerd: - een meldingsgebod: de verdachte moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft; - een behandelverplichting: de verdachte dient zich te laten behandelen door de heer [behandelaar] van de GGZ [naam] te [plaats]; - een contactverbod: de verdachte wordt verboden contact te (laten) leggen met mevrouw [slachtoffer]. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen met betrekking tot de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en zij verenigt zich met het door de deskundigen en de reclassering gegeven advies met betrekking tot de strafmodaliteit. Gelet op het bovenstaande en om niet alleen te bevorderen dat de verdachte op korte termijn de eerder ingezette en noodzakelijke behandeling kan voortzetten, maar ook om hem er van te weerhouden in de toekomst (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een stevig deel van de op te leggen vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen, zodat het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen vrijheidsstraf bijna gelijk zal zijn aan de tijd, die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen vrijheidsstraf de bijzondere voorwaarden verbinden, dat verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaren zal gedragen naar de aanwijzingen, die zullen worden gegeven door of namens de reclassering, onder meer inhoudende een meldingsgebod, een behandelverplichting en een contactverbod, zoals omschreven in voormeld reclasseringsrapport d.d. 19 augustus 2010, alsmede een gebiedsverbod, zoals gevorderd door de officier van justitie. Het kaartje met daarop ingetekend het relevante gebied in [plaats] wordt als bijlage A aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. De door de rechtbank aan de verdachte op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zijn behandeling door de GGZ [naam] te [plaats] (de heer [behandelaar]) zo snel mogelijk dient te hervatten. Nu het wettelijke maximum voor de duur van de proeftijd bij de algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, eerste lid en de gedragsvoorwaarde als bedoeld in artikel 14c, tweede lid sub 5 van het Wetboek van Strafrecht op twee jaar is gesteld, kan de officier van justitie niet worden gevolgd in haar eis tot de oplegging van een proeftijd van drie jaar. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: mevrouw [slachtoffer], wonende te ([postcode]) [plaats], [adres], terzake van de feiten 1 en
- De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van €53,04 en immateriële schade tot een bedrag van € 2.150,
- Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht. Behoudens de gevorderde reiskosten in verband met het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris, die de benadeelde partij aldaar had kunnen claimen, komt de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vordering ad €48,24 zal worden toegewezen. Voorts is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde straf¬bare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade kan naar maatstaven van billijkheid ten minste worden vastgesteld op €500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard en dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Nu de vordering van de benadeelde partij voor een deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. VORDERINGEN TENUITVOERLEGGING Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08, is de verdachte ter zake van belaging veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarde, dat hij zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio ’s-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht en met de opdracht aan de Reclassering als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de mededeling voorwaardelijke veroordeling is de proeftijd ingegaan op 24 april
- De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Tevens is de verdachte bij op tegenspraak gewezen vonnis van de politierechter in de Rechtbank Breda d.d. 18 januari 2010 onder parketnummer 02/625755-09, ter zake van mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Blijkens de mededeling voorwaardelijke veroordeling is de proeftijd ingegaan op 2 februari
- De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn deels na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft de verdachte de aan de voormelde vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de beide voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, niet alleen omdat de rechtbank het van belang acht dat de verdachte zo snel mogelijk zijn behandeling door de GGZ [naam] in [plaats] kan hervatten, maar ook omdat aannemelijk is dat het niet tijdig van de grond komen van de ook toen al noodzakelijk geachte behandeling na het vonnis in 2009 voornamelijk is gelegen in oorzaken buiten de verdachte om. Wel wordt aanleiding gezien de bijzondere voorwaarden verbonden aan het vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08 op grond van artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht in die zin te wijzigen dat aan die voorwaarden eveneens de behandelverplichting wordt verbonden die bij dit vonnis zal worden opgelegd. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 298 (tweehonderdachtennegentig) dagen; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten; stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien: * de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt; * de verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft; stelt als bijzondere voorwaarden: - een meldingsgebod: de verdachte dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt; - een behandelverplichting: de verdachte dient zich te laten behandelen bij de GGZ [naam] te [plaats] (de heer [behandelaar]); - een contactverbod: de verdachte mag op geen enkele wijze contact leggen met mevrouw [slachtoffer]; - een gebiedsverbod; de verdachte mag zich niet begeven in het gebied, zoals weergegeven op de aan dit vonnis aangehechte bijlage A; verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf; wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van €548,24 (zegge: vijfhonderd achtenveertig euro en vierentwintig eurocent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting te betalen aan: mevrouw [slachtoffer], wonende te ([postcode]) [plaats], [adres]; verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt, dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd, te betalen €548,24 (zegge: vijfhonderd achtenveertig euro en vierentwintig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen, met dien verstande, dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij voornoemd tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08, aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf; wijzigt de bijzondere voorwaarde verbonden aan het vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08 in die zin dat daaraan tevens de volgende bijzondere voorwaarde wordt verbonden: - een behandelverplichting: de verdachte dient zich te laten behandelen bij de GGZ [naam] te [plaats] (de heer [behandelaar]); wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Breda d.d. 18 januari 2010 onder parketnummer 02/625755-09, aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit vonnis is gewezen door: mr. Trotman, voorzitter en mrs. Van Nijen en De Vreede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hartgers, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober
- Bijlage bij vonnis van 06 oktober 2010: TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING Aan de verdachte wordt ten laste gelegd, dat:
- hij in of omstreeks de periode van 15 november 2009 tot en met 20 maart 2010 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats], in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode - die [slachtoffer] een groot aantal keren en/of dagelijks gebeld, en/of - zich vele malen voor/nabij de woning en/of in de tuin en/of het voor het werk van die [slachtoffer] opgehouden, en/of - meermalen naar binnen in de woning van die [slachtoffer] heeft gegluurd, en/of - een groot aantal email-berichten en/of sms-berichten en/of msn-berichten en/of (digitale) kaarten aan die [slachtoffer] gestuurd, en/of - die [slachtoffer] verteld dat hij privé-foto's van die [slachtoffer] openbaar zou maken als zij aangifte zou doen bij de politie; (artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht)
- hij in of omstreeks de periode van 24 maart 2010 tot en met 12 april 2010 te [plaats] en/of [plaats], in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode - die [slachtoffer] een groot aantal keren gebeld, en/of - een brief gestuurd aan die [slachtoffer]; (artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht)