vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 318748 / HA ZA 08-2772 Vonnis van 6 oktober 2010 in de zaak van [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. E.J. Eijsberg, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ETERNIT FABRIEKEN B.V., gevestigd te Goor, gemeente Hof van Twente, gedaagde, advocaat mr. B.S. Janssen. Partijen zullen hierna [eiseres] en Eternit genoemd worden. 1. Het verloop van het geding 1.1. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken: - de dagvaarding d.d. 29 oktober 2008 en de daarbij overgelegde producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - de conclusie van repliek, met producties; - de conclusie van dupliek, met producties; - de akte houdende uitlating producties aan de zijde van [eiseres]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast: 2.1. [eiseres] is gehuwd geweest met [persoon 1], geboren op [geboortedatum] (hierna: [persoon 1]). 2.2. [persoon 1] is van 1956 tot en met 1981 (met een onderbreking van 18 maanden wegens militaire dienst) als timmer¬man in loondienst geweest van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). Dit bedrijf is gevestigd geweest in het winkelpand aan [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand). [bedrijf 1] bestaat niet meer. 2.3. Op 15 mei 2007 is bij [persoon 1] de (voorlopige) diagnose mesothelioom gesteld. Bij brief van 17 september 2007 is dit door de mesotheliomen werkgroep van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT) bevestigd. 2.4. [persoon 1] heeft ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (hierna: de regeling TAS) in september 2007 via de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) een bedrag ontvangen van € 16.655,--. 2.5. Bij brief van 15 februari 2008 heeft [persoon 1] Eternit aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van zijn ziekte geleden en te lijden materiële en immateriële schade. 2.6. Op [overlijdingsdatum] is [persoon 1] overleden aan de gevolgen van de asbestziekte mesothelioom. 2.7. [eiseres] treedt in dezen zowel op voor zichzelf alsook in haar hoedanigheid van erfgename en nabestaande van [persoon 1]. 3. Het geschil 3.1. De eis luidt dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht verklaart dat Eternit jegens [persoon 1] en [eiseres] nalatig heeft gehandeld en daardoor jegens [eiseres] schadeplichtig is geworden; 2. Eternit veroordeelt tot vergoeding van een bedrag aan smartengeld van € 55.000,--, te vermeer¬de¬ren met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2007 tot aan de dag van voldoening; 3. Eternit veroordeelt tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële schade krachtens de artikelen 6:107 en 6:108 BW, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeer¬de¬ren met de wettelijke rente hierover vanaf 15 mei 2007, respectievelijk vanaf 8 mei 2008, althans vanaf 29 oktober 2008, tot aan de dag van voldoening; 4. Eternit veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 1.679,52, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 oktober 2008 tot aan de dag van voldoening; 5. Eternit veroordeelt in de proceskosten. [eiseres] baseert haar vordering op artikel 6:162 BW en stelt daartoe het volgende. 3.2. In de periode dat [persoon 1] werkzaam was als timmerman in loon¬dienst van [bedrijf 1] heeft hij in 1976/1977 werkzaamheden verricht in het pand dat tot timmer¬mans¬werkplaats werd verbouwd. [persoon 1] heeft toen van Eternit afkomstige (witte) asbesthoudende Pical-platen gebruikt, verwerkt en bewerkt. Daarbij is [persoon 1] aan asbest(stof) blootgesteld. 3.3. Eternit wist in 1976/1977, althans behoorde toen te weten, dat het normale gebruik van haar asbesthoudende producten voor de gebruikers daarvan gevaarlijk was. Het mesothelioom¬risico dat ontstaat bij blootstelling aan asbeststof was toen voldoende bekend, ook bij Eternit, althans dit risico had haar bekend moeten zijn. In ieder geval heeft te gelden dat Eternit al vanaf 1949 bekend was of bekend had moeten zijn met het gevaar van asbest (inclusief witte asbest), te weten asbestose, dat zij medio jaren vijftig bekend was of bekend had moeten zijn met het long¬kanker¬risico bij blootstelling aan asbest(stof) en vanaf begin jaren zestig met het risico van mesothelioom. Deze kennis had Eternit ertoe moeten brengen om in ieder geval vanaf begin jaren zestig de gebruikers van haar asbesthoudende producten te waarschuwen voor het gevaar van deze producten bij normaal gebruik (bewerken, ver¬wer¬ken en verzagen). Nu Eternit in 1976/1977 heeft verzuimd om de gebruikers van haar asbesthoudende producten, waaronder [persoon 1], te waarschuwen voor de bekende gevaren bij normaal gebruik, is de kans dat [persoon 1] een tot een mesothelioom leidend asbestkristal zou binnenkrijgen in aanmerkelijke mate verhoogd. Daarmee heeft Eternit onrechtmatig jegens [persoon 1] gehandeld. 3.4. Eternit is mitsdien gehouden krachtens artikel 6:106 BW de immateriële schade van [persoon 1] en krachtens de artikelen 6:107 en 6:108 BW de door [eiseres] geleden materiële schade te vergoeden. De immateriële schade wordt begroot op € 55.000,-. Hierbij is met name in aanmerking genomen de relatief jonge leeftijd, 66 jaar, waarop [persoon 1] is overleden. 3.5. [eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van haar buitengerechtelijke kosten ad € 1.679,52 welke eveneens door Eternit vergoed dienen te worden. 3.6. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding. Eternit heeft daartoe het volgende aangevoerd. 3.7. Betwist wordt dat [persoon 1] in 1976/1977 aan asbest(stof) afkomstig van asbest¬hou¬¬dende producten van Eternit is blootgesteld tijdens verbouwingswerkzaamheden in het pand. Het is aannemelijk dat [persoon 1] tijdens zijn dienst¬¬verband bij [bedrijf 1] ook asbestcementproducten heeft bewerkt van andere producen¬ten dan Eternit. 3.8. Indien als vaststaand wordt aangenomen dat [persoon 1] is blootgesteld aan asbeststof en als gevolg daarvan de ziekte mesothelioom heeft gekregen, dan staat daarmee nog niet vast dat het betreffende asbeststof afkomstig was van Eternit. Volgens de eigen stellingen van [eiseres] is [persoon 1] tijdens de periode dat hij in loondienst was van [bedrijf 1] (ook) in aanraking geweest met bruin en blauw asbest. Dit kan niet afkomstig zijn geweest van Eternit aangezien Eternit in de betreffende periode louter wit asbest in haar producten verwerkte. Nu bruin en blauw asbest vele malen gevaarlijker voor de gezondheid zijn dan wit asbest, moet er van uitgegaan worden dat de bij [persoon 1] gecon¬stateerde mesothelioom het gevolg is van de blootstelling aan bruin en/of blauw asbest. Daarnaast is het, gelet op het wijdverspreide gebruik van asbest, mogelijk dat [persoon 1] meso¬thelioom heeft gekregen door blootstelling waarvoor niemand aansprakelijk kan worden gesteld. Gezien het feit dat de gemiddelde latentietijd van mesothelioom 45 jaar bedraagt, moet de causale blootstelling ver vóór 1976/1977 hebben gelegen. Hierdoor is het zeer onwaar¬¬schijnlijk dat de gestelde blootstelling in 1976/1977 tot mesothelioom bij [persoon 1] heeft geleid. 3.9. [bedrijf 1] heeft als werkgever nagelaten [persoon 1] voldoende bescher¬mings¬¬midde¬len te verstrekken en hem te waarschuwen voor de gezondheidsrisico’s die verbonden zijn aan het werken met asbesthoudende materialen. Het is mitsdien de jegens [persoon 1] geschon¬den zorgplicht van [bedrijf 1] die causaal is geweest voor de blootstelling. 3.10. Eternit betwist onrechtmatig jegens [persoon 1] te hebben gehandeld. Tot en met 1979 was Eternit niet op de hoogte, en behoorde dit ook niet te zijn, van de risico’s welke verbonden waren aan chrysotiel (wit asbest), waaronder het risico op de ziekte mesothelioom. Tot en met 1979 bestond er geen wetenschappelijke consensus ten aanzien van de risico’s die waren verbonden aan blootstelling aan wit asbest. Over de mate van dat risico stond nauwelijks iets vast. Eternit heeft derhalve geen norm geschon¬den door niet reeds voor 1979 via etikettering van haar product dan wel de verpak¬king te waar¬schuwen tegen de mogelijke gevaren van het bewerken of verwerken van asbestcement¬platen. Eternit kan mitsdien geen onzorgvuldig handelen worden verweten. 3.11. Ook indien Eternit in 1976/1977 wel zou hebben gewaarschuwd voor haar asbesthoudende producten, dan had [bedrijf 1] [persoon 1] evengoed opdracht gegeven de werkzaamheden uit te voeren. De kans dat anders handelen door Eternit tot het achterwege blijven van de schade bij [persoon 1] had geleid, is nihil. Aldus ontbreekt het causaal verband tussen de Eternit verweten gedraging en het ontstaan van de gestelde schade. 3.12. De vordering van [eiseres] is verjaard. De 20-jarige verjaringstermijn is in deze van toepassing. Ook indien de 30-jarige verjaringstermijn van toepassing is, geldt dat de vordering is verjaard. Het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000, NJ 2000, 430 (Van Hese/De Schelde), is niet van toepassing in verband met het op 1 februari 2004 in werking getreden (nieuwe) lid 5 van artikel 3:310 BW. Voor zover dit arrest wel van toepas¬sing is, geldt dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. De in dat arrest ontwikkelde gezichtspunten a tot en met g kunnen immers niet ten nadele van Eternit worden uitgelegd. 3.12. Ten slotte worden de gevorderde schade en de buitengerechtelijke kosten betwist. 4. De beoordeling Blootstelling aan asbest(stof) 4.1. Tussen partijen is in geschil of [persoon 1] in 1976/1977 tijdens werkzaamheden in het pand blootgesteld is aan asbest(stof) afkomstig van door Eternit in het verkeer gebrachte Pical-platen. 4.2. Eternit heeft gesteld dat ieder bewijs van betrokkenheid van [persoon 1] bij de verbouwingswerkzaamheden aan het pand ontbreekt. Aan deze stelling gaat de rechtbank echter voorbij. Als onbetwist staat vast dat het pand in 1976/1977 toebehoorde aan [bedrijf 1] en in die tijd is verbouwd tot timmermanswerkplaats. Voorts staat vast dat [persoon 1] in 1977/1978 werkzaam was bij [bedrijf 1]. De rechtbank acht het op grond hiervan aannemelijk dat [persoon 1] bij deze werkzaamheden betrokken is geweest. Gelet hierop had het op de weg van Eternit gelegen om de betreffende stelling van [eiseres] expliciet te betwisten. In hetgeen zij op dit punt heeft gesteld, valt een dergelijke expliciete betwisting niet te lezen. De rechtbank neemt mitsdien als vaststaand aan dat [persoon 1] betrokken is geweest bij de verbouwingswerkzaamheden aan het pand. 4.3. Eternit heeft voorts betwist dat bij deze verbouwingswerkzaamheden gebruik is gemaakt van Pical-platen afkomstig van Eternit. In het door [eiseres] overgelegde rapport van Certichem Laboratory B.V. d.d. 2 januari 2008 (productie 5, dagvaarding) staat vermeld dat het door dit laboratorium onderzochte monster 15-30% chrysotiel (wit asbest) bevat. Eternit heeft gesteld dat uit niets blijkt dat het onderzochte monster afkomstig is uit platen die door [persoon 1] bij de bedoelde verbouwingswerkzaamheden zijn verwerkt. Eternit heeft echter de stelling van [eiseres] dat [persoon 1] in 2007 een monster heeft genomen van de door hem in het pand aangetroffen asbesthoudende platen niet expliciet betwist. Voorts is gesteld noch gebleken dat er na 1977 werkzaamheden aan het pand hebben plaatsgevonden waarbij de door [persoon 1] aangebrachte platen zijn vervangen door de huidige platen. De rechtbank acht dit gelet op de duurzaamheid van de hier bedoelde platen en het feit dat het gebruik van asbesthoudend materiaal in 1993 werd verboden, ook niet aannemelijk. Eternit heeft erop gewezen dat op de door [eiseres] overgelegde bouwtekening d.d. 1 februari 1977 van het pand (productie 4, dagvaarding) staat vermeld dat er Nobranda-platen verwerkt moesten worden. Als onbetwist staat vast dat Nobranda-platen bruin asbest bevatten en nooit door Eternit zijn geproduceerd of verkocht. [eiseres] heeft hierop gesteld dat dit verschil te verklaren is omdat beide producten in de praktijk nagenoeg dezelfde brandwerende kwaliteiten hadden en naast en door elkaar werden gebruikt. Eternit heeft dit niet betwist en de rechtbank acht deze verklaring ook aannemelijk. Gezien het voorgaande neemt de rechtbank ook ten aanzien van onderhavig punt bij gebreke van een expliciete betwisting als vaststaand aan dat het door Certichem Laboratory B.V. onderzochte monster afkomstig is van platen die destijds door [persoon 1] bij de bedoelde verbouwingswerkzaamheden zijn verwerkt. 4.4. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat [persoon 1] tijdens verbouwingswerkzaamheden aan het pand in 1976/1977 is blootgesteld aan wit asbest. Hiermee staat echter nog niet vast dat deze platen afkomstig waren van Eternit. In beginsel draagt [eiseres] krachtens artikel 150 Rv de bewijslast van haar stelling dat dit het geval is. Alvorens haar echter tot dit bewijs toe te laten, heeft de rechtbank behoefte aan nadere informatie omtrent de vraag in hoeverre nader onderzoek naar de herkomst van de bewuste platen mogelijk is. De rechtbank zal daarom een comparitie gelasten alwaar in ieder geval de volgende vragen aan de orde zullen komen: - Zijn de platen thans nog aanwezig in het betreffende pand? - Is nader onderzoek aan deze platen mogelijk? - Kan aan de hand van het uiterlijk van de platen of aan de hand van de samenstelling van de platen vastgesteld worden van welke producent deze afkomstig zijn? - Dient een eventueel onderzoek aan de platen te geschieden door een deskundige? Zo ja, welke? Indien partijen dit wensen kunnen zij uiterlijk twee weken voor de comparitie hun schriftelijk standpunt omtrent voormelde vraagpunten aan de rechtbank en de wederpartij doen toekomen. 4.5. In haar conclusie van repliek heeft [eiseres] gemotiveerd betoogd dat Eternit midden jaren zeventig in Nederland nagenoeg de enige en in ieder geval de grootste producent was van asbestcementwaren. [eiseres] heeft vervolgens gesteld dat het op grond hiervan alleszins aannemelijk is dat de door [persoon 1] in 1976/1977 bij de verbou¬wings¬werkzaamheden verwerkte platen afkomstig waren van Eternit. Zij heeft in dit verband gewezen op artikel 6:99 BW en het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1992, NJ 1994, 535 (DES-dochters). Het is de rechtbank niet duidelijk of [eiseres] hiermee heeft bedoeld te stellen dat Eternit ook aansprakelijk gehouden kan worden indien niet komt vast te staan dat de bewuste platen van haar afkomstig zijn. Uit de conclusie van dupliek van Eternit kan worden afgeleid dat Eternit de stellingen van [eiseres] in ieder geval niet op deze manier heeft begrepen. Ter comparitie zal dit punt daarom mede aan de orde worden gesteld. [eiseres] wordt verzocht haar stellingen op dit punt nader schriftelijk toe te lichten en deze schrifte¬lijke toelichting uiterlijk twee weken voor de comparitie aan de rechtbank en Eternit te doen toekomen. 4.6. In haar conclusie van dupliek heeft Eternit nog gesteld dat voor het krijgen van mesothelioom een bepaalde kwantitatieve blootstelling is vereist. Het is de rechtbank niet duidelijk of zij hiermee heeft bedoeld te stellen dat de blootstelling van [persoon 1] bij de onderhavige verbouwingswerkzaamheden onvoldoende is geweest. Ter comparitie zal daarom ook dit punt mede aan de orde worden gesteld. Eternit wordt verzocht haar stellingen op dit punt nader schriftelijk toe te lichten en deze schriftelijke toelichting uiterlijk twee weken voor de comparitie aan de rechtbank en [eiseres] te doen toekomen. 4.7. De comparitie zal voorts worden gebruikt om te bezien of een schikking kan worden bereikt. Met het oog hierop wordt [eiseres] verzocht om uiterlijk twee weken voor de zitting schriftelijke bewijsstukken van de door haar gestelde materiële schade aan de rechtbank en aan Eternit te doen toekomen. Omtrent de overige geschilpunten tussen partijen wordt voorts reeds thans het volgende overwogen. Is Eternit aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW? 4.8. Omtrent de vraag of Eternit onrechtmatig heeft gehandeld door in 1976/1977 gebruikers van haar (asbesthoudende) producten niet, althans niet adequaat, te waarschuwen voor het gevaar verbonden aan het gebruik, het verwerken en bewerken van Eternit- producten, overweegt de rechtbank als volgt. 4.9. De rechtbank stelt voorop dat de rechtmatigheid van het handelen van Eternit moet worden beoordeeld in het licht van de maatschappelijke opvattingen ten tijde van de aan Eternit verweten gedragingen of nalatigheden (derhalve in de periode 1976/1977). Daarbij verdient opmerking dat vanaf het moment waarop binnen de maatschappelijke kring waartoe Eternit behoort, bekend moest worden geacht dat aan het werken met wit asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbon¬den, een verhoogde zorgvuldigheidsnorm had te gelden met het oog op de belangen van diegenen die zich bevinden in de directe nabijheid van een plaats waar met wit asbest wordt gewerkt. Het is afhankelijk van de omstandig¬heden van het geval en van de toentertijd bestaande kennis en inzichten welke veiligheids¬maatregelen vanaf dat moment van Eternit konden worden verwacht. In dat verband zijn mede van belang de mate van zekerheid dat het werken met wit asbest gezondheidsrisico’s meebracht en de aard en ernst van die risi¬co’s. 4.10. Voor wat betreft de periode 1976/1977 heeft Eternit zich op het standpunt gesteld dat zij niet op de hoogte was, en ook niet hoefde te zijn, van de risico’s welke verbonden waren aan wit asbest (chrysotiel). Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. 4.11. Reeds in de eerste helft van de vorige eeuw werd bekend dat het gebruik van asbest gevaren voor de gezondheid kon meebrengen. Aanvankelijk betrof dat het gevaar van asbes¬tose als gevolg van het inademen van fijn asbeststof. In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de Wet houdende wettelijke regeling betreffende het voorkomen en het bestrij¬den van silicose en andere stoflongziekten van 16 december 1949 (productie 26, conclu¬sie van repliek) is vermeld dat asbestose ontstaat ten gevolge van de inademing van fijn asbest¬stof. Uit deze memorie blijkt voorts dat toen reeds het gevaar van verspreiding van asbest¬houdende stof bij het vervaardigen en het verzagen van asbestcementplaten werd onderkend. In deze memorie wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten asbest. Hoewel er reeds ruim vóór 1960 onder wetenschappers bekendheid bestond met de ziekte mesothelioom en de verdenking dat er een verband met asbest aanwezig was, is dat verband, naar algemeen wordt aanvaard, voor het eerst overtuigend aangetoond in de publicatie van [personen 2, 3 en 4], Diffuse Pleural Mesothelioma and Asbestos Exposure in the North Western Cape Province, British Journal of Industrial Medicine, 1960, 17 (productie 27, conclusie van repliek). Het zou daarbij niet alleen gaan om gevallen van beroepsmatige blootstelling aan asbest (industrial exposure) maar ook om blootstelling door omwonenden van de asbestmijnen c.q. childhood-exposure. Van belang is verder dat in 1964 in New York de Eerste Internationale Asbestconferentie is gehouden. Op die conferentie is daadwerkelijk vast komen te staan dat sommige vormen van asbestbloot¬stelling kunnen leiden tot de ziekte mesothelioom. Vier jaar later werd in Dresden de Tweede Internationale Asbestconferentie gehouden. In het artikel van [persoon 5], Biologische effecten van asbest, tweede internationale conferentie Dresden 22-25 april 1968, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 112, nr. 33 (productie 43, conclusie van repliek) staat hierover het volgende vermeld: “In 1964 werd in New York nog betwijfeld of de meest gebruikte asbestsoort, chrysotiel, wel carcinogeen was; en men overwoog de mogelijkheid, de carcinogene soorten hierdoor te vervangen. Deze hoop is nu wel de bodem ingeslagen, zowel door experimenteel als door epidemiologisch onderzoek in vele landen. Hierover werden op het congres talrijke mededelingen gedaan.” Begin 1967 verscheen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een artikel van [persoon 6], Klinische lessen, (productie 33, conclusie van repliek). In dit artikel wijst [persoon 6] erop dat asbest niet alleen gevaar oplevert voor degenen die, kort samengevat, in asbestmijnen en asbestfabrieken werken, maar dat het stijgend aantal toepassingen van asbest en daarmee de substantieel toegenomen asbestproductie ook gevaren inhield voor groepen die niet zo voor de hand lagen, zoals bouwvakarbeiders, huisgenoten van asbest¬werkers en mensen die wonen in de omgeving van asbestmijnen en asbestverwer¬kende industrieën of aan wegen waarlangs asbest werd getransporteerd. [persoon 6] maakt in dit artikel geen onderscheid qua gevaar respectievelijk carcinogeniteit tussen wit en blauw asbest. Vervolgens publiceert [persoon 9] in 1969 in Nederland zijn proefschrift over de relatie tussen asbest en maligne mesothelioom. Hierin toont hij aan dat de beroepsziekte mesothe¬lioom in Nederland aanzienlijk vaker voorkomt dan voorheen werd aangenomen. 4.12. Het voorgaande toont aan dat al begin jaren zestig van de vorige eeuw in brede kring de wetenschap bestond dat werken met asbest gevaarlijk en zelfs levensgevaarlijk kan zijn. De nadien gevolgde publicaties bevestigden en versterkten dat alleen maar: na het verband tussen asbest en asbestose volgt dat tussen asbest en longkanker en tussen asbest en meso¬the¬lioom. In die periode was ook reeds het besef doorgedrongen dat asbestblootstelling de ziekte mesothelioom kan veroorzaken, dat dit gevaar bestond voor degenen die beroeps¬matig met asbest in aanraking kwamen, maar ook voor zogenaamde thuisbesmetting en voorts dat er serieuze aanwijzingen bestonden voor de verdenking dat asbest ernstige gezondheidsrisico’s inhield voor grotere groepen, die slechts zijdelings en op een meer incidentele basis aan asbest werden blootgesteld. Weliswaar bestond er in deze jaren discus¬sie of aan wit asbest dezelfde gevaren voor de gezondheid kleefden als aan de overige soorten asbest, doch de rechtbank is van oordeel dat Eternit hieraan niet de conclusie had mogen verbinden dat wit asbest dus niet gevaarlijk was voor de gezondheid. 4.13. De rechtbank acht het voorts van belang dat uit de publicatie van [persoon 7], Toepassing van asbest, d.d. 3 april 1970 (productie 44, conclusie van repliek) blijkt dat op de vraag (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.