RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 336154 / HA ZA 09-2144 Uitspraak: 24 november 2010 VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ PRINCESS B.V., gevestigd te Hendrik Ido Ambacht, eiseres, advocaat mr. M.J. van Dam, - tegen - 1. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Amsterdam, 2. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Apeldoorn, gedaagden, advocaat mr. J. Kneppelhout. Partijen worden hierna aangeduid als Princess respectievelijk verzekeraars. 1 Het verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaardingen d.d. 22 juli 2009, met producties; - conclusie van antwoord, met producties; - conclusie van repliek; - conclusie van dupliek; - de bij gelegenheid van de pleidooien van 4 november 2010 overgelegde pleitnotities. 2 De tussen partijen vaststaande feiten 2.1 Op 22 september 2008 heeft Princess de eigendom verkregen van het schip [naam schip] (in de stukken ook wel aangeduid met haar vroegere naam “[schip voorheen genaamd]”). Het schip was afkomstig uit de failliete boedel van een rederij uit Kampen. De koopprijs bedroeg € 1.150.000,=. Aan de eigendomsoverdracht zijn onderhandelingen vooraf gegaan, waarmee een periode van enkele maanden gemoeid is geweest. 2.2 Door tussenkomst van haar [Verzekeringsmakelaar] heeft Princess ten behoeve van de [naam schip] een verzekeringsovereenkomst met verzekeraars gesloten. Het verzekerde bedrag is vastgesteld op € 2.000.000,=. De door verzekeraars voor akkoord ondertekende sluitnota van 15 september 2008 luidt voor zover van belang als volgt: “Verzekerd gebied B 7a Ligclausule (met reparatie) liggen te 's Gravendeel Voorwaarden Nederlandse Beurs-cascopolis voor de binnenvaart 2006 Clausules […] SC 1200 Clausule beperking ombouw- en/of verbouw […] SC 6196 Clausule verzekerde waarde […] m.p.s. "[schip voorheen genaamd]" zal omstreeks 15 september 2008 een eenmalige reis maken van Kampen naar 's Gravendeel […] Ingangsdatum m.p.s. "[schip voorheen genaamd]" 12 september 2008.” 2.3 De toepasselijke clausules luiden voor zover relevant als volgt: “B 7a LIGCLAUSULE (MET REPARATIE) In afwijking van het op het voorblad van de polis bepaalde geldt deze verzekering slechts op de voorwaarde dat het schip buiten bedrijf, dus zonder lading, alsmede gedurende het hellingen, dokken, repareren en verbouwen hetzij stilligt in de gemeente hetzij verhaald wordt binnen het gebied van deze gemeente met haar randgemeenten. Voor de toepassing van deze clausule zal het gebied van de gemeente Rotterdam met haar randgemeenten worden geacht zich uit te strekken in het Oosten: in de Hollandse IJssel tot aan de stormwaterkering, in de Lek tot aan Kilometerpaal 989 en in de Noord tot aan Kilorneterpaal 980 en in het Westen: in de Nieuwe Waterweg tot aan Kilometerpaal 1035,4.” “SC 1200 CLAUSULE BEPERKING VAN HET RISICO VAN OMBOUW — EN/OF VERBOUW In afwijking van hetgeen in de polisvoorwaarden en clausules met betrekking tot het risico van verbouwen is vermeld, wordt het volgende overeengekomen: - voor aanvang van dit risico dient dit aan verzekeraars te worden kennisgegeven - dit risico voor verzekeraars vangt eerst aan indien tussen partijen overeenstemming is bereikt inzake premie, eigen risico en conditiën Het vorenstaande is niet van toepassing indien: - de verbouwwerkzaamheden minder bedragen dan 25% van het verzekerde bedrag van het object - de verbouwwerkzaamheden ten aanzien van objecten met een verzekerd bedrag van € 1.000.000,00 of hoger niet meer bedragen dan € 250.000,00.” “SC 6196 CLAUSULE VERZEKERDE WAARDE In afwijking van het hieromtrent in de wet, polis of clausules bepaalde, zal sprake zijn van een totaal verlies van het verzekerde vaartuig indien als gevolg van een door de polis gedekte schade de reparatiekosten meer bedragen dan viervierde van de dagwaarde van het vaartuig ten tijde van het schadegeval. De vergoeding zal dan worden berekend op basis van de verzekerde waarde van het vaartuig, of van de dagwaarde op het ogenblik van het schadegeval, indien verzekeraars bewijzen, dat deze laatste lager ligt dan de verzekerde waarde. In het laatste geval zal de waarde worden vastgesteld door twee experts, waarvan één te benoemen door verzekeraars en één door verzekerde. Mochten de experts niet tot eenzelfde taxatie komen, dan zal in overleg met partijen een derde deskundige worden benoemd, wiens taxatie voor beide partijen bindend is. De honoraria en kosten van deze experts komen voor rekening van verzekeraars. Indien het saldo van de op het verzekerde vaartuig ten hypotheekkantore ingeschreven schuld meer bedraagt dan de aldus vastgestelde waarde, verplichten verzekeraars zich de schade te vergoeden ten belope van het bedoelde bedrag, echter met een maximum van 110% procent van het vastgestelde bedrag. In geen enkel geval zullen verzekeraars gehouden zijn voor casco, machinerieën en toebehoren meer te vergoeden dan de verzekerde som. […]” 2.4 Na de eigendomsoverdracht heeft Princess de [naam schip] van Kampen naar ’s Gravendeel doen varen en aldaar in de Heuvelmanhaven aan een steiger gelegd. De Heuvelmanhaven was met een drijvende pijp afgesloten voor overig scheepvaartverkeer. 2.5 Princess heeft vervolgens een aantal Poolse werkkrachten opdracht gegeven werkzaamheden op de [naam schip] te verrichten. Zij hebben zich in ieder geval bezig gehouden met schoonmaak en met de sloop van een deel van de inrichting en van een aantal hutten. Voorts heeft Princess aan [bedrijf 1] opdracht gegeven tot het verrichten van las- en slijpwerkzaamheden, in het kader waarvan in elk geval raamgaten zijn vergroot en een trapgat is gemaakt. 2.6 Op 14 november 2008 is, na vertrek van de werklieden, om ongeveer 19.00 uur brand geconstateerd op de [naam schip]. De brand heeft schade veroorzaakt die [de schade-expert] (hierna: de schade-expert) in opdracht van verzekeraars heeft begroot op een bedrag van € 1.774.009,50 (te vermeerderen met enkele PM-posten). 2.7 De schade-expert heeft op 17 november 2008 met betrekking tot de brand een zogenaamd “voorbericht” aan [verzekeringsmakelaar] gestuurd. 2.8 Naar de toedracht van de brand is onderzoek verricht door het Korps Landelijke Politiediensten (hierna: KLPD). Op verzoek van het KLPD heeft de Unit Forensische Opsporing van de Politie Zuid-Holland Zuid de brandoorzaak onderzocht. Zij komt tot de volgende conclusie: “Gezien vorenstaande was het niet mogelijk een oorzaak voor het ontstaan van de brand vast te stellen. Als inderdaad alle electriciteit afgeschakeld is geweest en er geen op gas- accu- of op olie werkende apparatuur in werking is geweest, kan een technische oorzaak voor het ontstaan van de brand worden uitgesloten. In dat geval is de brand ontstaan door het, al dan niet opzettelijk, bijbrengen of achterlaten van vuur in enigerlei vorm. Gezien de tijd tussen het verlaten van het schip en het ontdekken van de brand, zou er sprake geweest kunnen zijn van een smeulproces. Dit zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan door afstoten van vuur van een sigaret, vonken als gevolg van lassen of slijpen, of een brandende gloeilamp tegen de matrassen. Gezien de niet afgesloten ramen van de toiletgroepen was het voor derden mogelijk om in het schip te komen, nadat de werkmensen het schip hadden verlaten en de deuren van de entree hadden afgesloten.” 2.9 In opdracht van (de advocaat van) verzekeraars is tevens onderzoek verricht door [persoon 1], verbonden aan het [bedrijf 2]. Hij komt in zijn rapport van 30 november 2008 tot de volgende conclusies: “Op grond van het ingestelde onderzoek, kan met betrekking tot de oorzaak van de brand het volgende worden gesteld: - Uit het ingestelde onderzoek blijkt onweerlegbaar dat aan boord van de [naam schip] las-, slijp- en snijwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Dergelijke werkzaamheden gaan gepaard met de vorming van gloeiende staaldeeltjes, die over voldoende energie beschikken om in een brandbare omgeving een (smeul)brand te initiëren. Na het beëindigen van deze werkzaamheden, soms pas na enkele uren, kan dit smeulproces overgaan in een zichzelf onderhoudende vlammende brand. - De KLPD heeft in de entree, in de directe nabijheid van de primaire brandhaard daar, sporen van heetwerk aangetroffen. Hiermee, en aan de aanwezigheid van een handbrandblusser in de entree, valt op te maken dat daar zeer waarschijnlijk brandgevaarlijke werkzaamheden zijn uitgevoerd. Voorts staat vast dat in de nabijheid van de doorgang salon/entree heetwerk is uitgevoerd. Het mag niet worden uitgesloten dat ook als gevolg hiervan, in de entree een smeulproces op gang is gebracht met onderhavige brand als resultaat. - Op de beschikbaar gestelde foto's, zijn op de locatie van de primaire brandhaard, geen (resten van) elektrische of mechanische apparatuur terug te vinden, noch valt die aanwezigheid op te maken uit de aan mij ter beschikking gestelde stukken. Hiermee mag geheel worden uitgesloten dat voor de primaire brandhaard een technische, elektrische en/of mechanische oorzaak aanwezig was. - Het strenge rookregime dat aan boord van de [naam schip] van kracht was én de geringe ontstekingsenergie van een brandende sigarettenpeuk, maakt het onwaarschijnlijk dat de brand door een achteloos weggeworpen peuk is ontstaan. - Uit het dossier en tijdens het ingestelde onderzoek, zijn geen indicaties naar voren gekomen die wijzen op een diefstal of inbraak en/of een brandstichting. Vaststaat dat vanaf 1993 tot op het moment van deze rapportage, op het terrein van de Heuvelman-haven, slechts één maal een diefstal is gepleegd, een feit dat dateert van 4 á 5 jaar voor onderhavige brand. Het onderzoekresultaat laat slechts ruimte voor een brandoorzaak die was gelegen in het uitgevoerde heetwerk in de entree en/of de salon. Hierbij zijn gloeiende staaldeeltjes terecht gekomen in de brandbare omgeving die daar aanwezig was met een smeulende brand tot gevolg. Een proces dat buiten de waarneming van de toen aanwezigen is gebleven en enkele uren na het verlaten van het schip, is overgegaan in een zichzelf onderhoudende vlammende brand.” 2.10 Verzekeraars hebben Princess schriftelijk bericht dat laatstgenoemde in de visie van verzekeraars haar mededelingsplicht in de zin van artikel 7:928 BW niet is nagekomen. Deze brief is per (aangetekende) post op 19 januari 2009 door Princess ontvangen. 3 De vordering De vordering luidt – verkort weergegeven – voor recht te verklaren dat verzekeraars gehouden zijn dekking te verlenen onder de verzekeringspolis ter zake van de brand op de [naam schip] en voorts om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verzekeraars hoofdelijk te veroordelen 1. tot betaling van € 2.000.000,= met wettelijke (handels)rente vanaf 14 november 2008, subsidiair 9 april 2009, meer subsidiair datum dagvaarding; 2. tot betaling van € 6.422,= ter zake van buitengerechtelijke kosten, met rente; 3. in de proceskosten. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Princess aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd: 3.1 Onder de verzekeringspolis is schade door brand gedekt. Voorts volgt uit de clausule B 7a (stilliggen met reparatie) dat het risico van verbouwen verzekerd is. Dat risico is op grond van de clausule SC 1200 niet uitgesloten, nu de verbouwing in ’s Gravendeel – waarop de verzekering betrekking heeft – beperkt was tot een bedrag van ongeveer € 61.500,=, dat wil zeggen ruim onder de grens van € 250.000,= waarboven het verbouwingsrisico (behoudens als is voldaan aan de daar omschreven voorwaarden) is uitgesloten. 3.2 Princess heeft dus aanspraak op uitbetaling onder de verzekeringspolis. 3.3 Volgens het rapport van de schade-expert is als gevolg van de brand sprake van een totaal verlies van de [naam schip]. Op grond van de clausule SC 6196 heeft Princess daarom aanspraak op uitbetaling van het verzekerde bedrag, te weten € 2.000.000,=. 3.4 Princess heeft aanspraak op wettelijke rente per de schadedatum (14 november 2008), dan wel per de datum waarop aanspraak is gemaakt op wettelijke rente (9 april 2009). 3.5 Princess heeft buitengerechtelijke kosten moeten maken die tot een bedrag van € 6.422,= (twee procespunten) voor vergoeding in aanmerking komen. 4 Het verweer Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Princess in de kosten van het geding. Verzekeraars hebben daartoe het volgende aangevoerd: 4.1 Princess heeft bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst onware opgave gedaan als bedoeld in artikel 7:928 BW. [verzekeringsmakelaar], handelend namens Princess, heeft immers aan verzekeraars meegedeeld dat Princess van plan was in ’s Gravendeel nieuwe vloerbedekking, nieuwe stoelen, tafels etc. in de [naam schip] aan te brengen. In werkelijkheid had Princess plannen voor een grootscheepse verbouwing van de [naam schip], waarvan een deel (met inbegrip van brandgevaarlijke werkzaamheden) al in ’s Gravendeel zou plaatsvinden. Als verzekeraars dat hadden geweten, zouden zij de verzekeringsovereenkomst niet hebben gesloten. Princess wist dat, want de makelaar heeft haar tevoren uitdrukkelijk gewaarschuwd dat zij eventuele verbouwingsplannen moest melden. 4.2 Verzekeraars hebben Princess tijdig op de verzwijging en de gevolgen daarvan gewezen, te weten bij de in 2.10 bedoelde brief. Die brief is behalve per post ook op 16 januari 2009 per fax verzonden en door Princess ontvangen. 4.3 Gelet op het voorgaande zijn verzekeraars niet tot enige uitkering gehouden. 4.4 Subsidiair geldt dat het verbouwingsrisico niet is gedekt. Uit clausule B7a volgt dat de verzekering geldt tijdens verbouwen, het verbouwingsrisico als zodanig is niet gedekt. Bovendien volgt ook uit clausule SC 1200 dat het verbouwingsrisico is uitgesloten, behoudens voor zover de verzekerde daaromtrent tevoren met de verzekeraar overeenstemming bereikt. Op de afwijking op deze uitsluiting voor verbouwing tot € 250.000,= kan Princess geen beroep doen, nu in dit geval sprake is van een grootschalige verbouwing van € 1.000.000,= die in ’s Gravendeel begon en zou doorlopen met werkzaamheden elders; een dergelijke samenhangende verbouwing kan niet in kleine stukjes worden opgeknipt. 4.5 Voorts stuit de vordering af op de omstandigheid dat Princess bij de werkzaamheden roekeloos heeft gehandeld, waardoor de brand is ontstaan. Uit het onderzoek van [persoon 1] volgt immers dat de brand is ontstaan door het uitgevoerde heetwerk, dat is uitgevoerd door ongeschoold personeel, zonder behoorlijke veiligheidsmaatregelen en in aanwezigheid van brandbaar materiaal. 4.6 Op de [naam schip] rust een hypotheek. Nu niet gebleken is van toestemming van de hypotheekhouder Rabobank voor het voeren van de onderhavige procedure, is Princess niet vorderingsgerechtigd. 4.7 Uiterst subsidiair geldt dat verzekeraars op grond van clausule SC 6196 tot niet meer gehouden zijn dan tot vergoeding van de dagwaarde van de [naam schip] op het moment van de brand. Nu de [naam schip] kort tevoren is gekocht voor een prijs van € 1.150.000,= ligt in de rede dat de dagwaarde op dit bedrag moet worden bepaald. 4.8 Op grond van de polisvoorwaarden is slechts wettelijke rente verschuldigd per de datum van dagvaarding. Van een handelsovereenkomst is geen sprake, zodat de handelsrente in elk geval niet verschuldigd is. 4.9 Van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden is niet gebleken. 5 De beoordeling verzwijging 5.1 Verzekeraars stellen zich op het standpunt dat zij niet tot uitkering onder de polis gehouden zijn, omdat Princess voorafgaande aan de totstandkoming van de verzekering haar verbouwingsplannen heeft verzwegen. Voorts stellen zij dat zij Princess tijdig op de verzwijging en de gevolgen daarvan hebben gewezen. Princess heeft het betoog van verzekeraars op beide punten weersproken. 5.2 Op grond van artikel 7:229 BW dient de verzekeraar de verzekerde binnen twee maanden na ontdekking van de verzwijging daarop en op de gevolgen te wijzen. De (gestelde) verzwijging heeft betrekking op de verbouwingsplannen van Princess. Verzekeraars hebben gesteld dat zij voor het eerst door middel van het voorbericht van de schade-expert van 17 november 2008 (zie onder 2.7) van de daadwerkelijke omvang van de verbouwing op de hoogte geraakten, en dat ook pas toen het vermoeden van verzwijging is gerezen. Princess heeft aangevoerd dat de schade-expert de [naam schip] al op 15 november 2008 heeft bezocht, zodat verzekeraars geacht moeten worden toen al op de hoogte te zijn geraakt. Dit betoog verwerpt de rechtbank. Hoewel de schade-expert in opdracht van verzekeraars heeft gewerkt en dus door verzekeraars is geïnstrueerd, kan zij op die enkele grond niet worden beschouwd als vertegenwoordiger van verzekeraars. De kennis van de schade-expert kan dus in beginsel niet aan verzekeraars worden toegerekend. Princess heeft geen feiten gesteld die dat anders maken. In dit verband wijst de rechtbank er volledigheidshalve op dat het hier niet gaat om een schade-expert die bij verzekeraars in dienst is. Een en ander brengt mee dat uitgegaan moet worden van 17 november 2008 als de datum waarop de termijn van artikel 7:229 BW is aangevangen. 5.3 Bij conclusie van repliek heeft Princess onbetwist gesteld dat zij de in 2.10 bedoelde brief pas op 19 januari 2009 – en dus na ommekomst van de termijn van twee maanden – per (aangetekende) post heeft ontvangen. Nu aan de melding van verzekeraars pas werking toekomt als zij Princess heeft bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW), kan in zoverre niet van een tijdige kennisgeving sprake zijn. 5.4 Verzekeraars hebben evenwel gesteld dat zij de hier bedoelde brief al op 16 januari 2009 ook per fax hebben verzonden en dat deze fax door Princess is ontvangen. Ter onderbouwing daarvan hebben zij de faxbevestiging overgelegd, die onder meer vermeldt dat het “RESULT OK” is en dat de verzending heeft plaatsgevonden op zojuist genoemde datum om 18.21 uur. Princess heeft de ontvangst weliswaar betwist, maar tevens heeft zij bij het pleidooi erkend dat het op de faxbevestiging vermelde faxnummer haar nummer is. Ook heeft haar directeur bij pleidooi verklaard niet op het kantoor van Princess te hebben gecontroleerd of een fax was binnen gekomen. Nu Princess overigens geen onderbouwing van de niet-ontvangst heeft gegeven (te denken valt aan een dagoverzicht van de desbetreffende fax), is de rechtbank op grond van dit alles van oordeel dat Princess haar betwisting van de ontvangst onvoldoende heeft onderbouwd. Aldus moet als vaststaand worden aangenomen dat verzekeraars tijdig de kennisgeving als bedoeld in artikel 7:929 BW hebben gedaan. 5.5 Ter onderbouwing van hun beroep op verzwijging hebben verzekeraars het volgende aangevoerd: i. Princess had plannen voor een grootscheepse verbouwing van de [naam schip], waarvan een deel betrekking had op brandgevaarlijk heetwerk in ‘s Gravendeel. Gelet op de omvang (naar aard en kosten) van die verbouwing (met inbegrip van de elders uit te voeren werkzaamheden, waarvan sommige al in een vroeg stadium waren betaald), de planning (het schip moest gereed zijn voor het begin van het nieuwe cruiseseizoen in april 2009), het bestaan van een bouwtekening van 26 augustus 2008 en het feit dat sommige offertes al in augustus 2008 zijn aangevraagd, moet worden geconcludeerd dat Princess deze verbouwingsplannen al had vóór het aangaan van de verzekering. Princess noch de namens haar handelende [verzekeringsmakelaar] heeft deze plannen aan verzekeraars bekend gemaakt. [verzekeringsmakelaar] heeft, op basis van hetgeen Princess haar had gemeld, tegen de acceptant van verzekeraars gezegd dat Princess van plan was werkzaamheden te verrichten als het aanbrengen van nieuwe vloerbedekking, nieuwe stoelen, tafels etc. ii. Als verzekeraars van de grootscheepse verbouwingsplannen van Princess en het te verrichten heetwerk op de hoogte waren geweest, dan zouden zij de onderhavige verzekering niet hebben afgesloten. In dat geval zouden verzekeraars hooguit een aanbouwverzekering met een hogere premie en een hoger eigen risico hebben willen sluiten. Bovendien zouden verzekeraars dan hooguit voor ieder 35% in de verzekering hebben willen participeren. Zouden verzekeraars hebben geweten dat (een deel van) de verbouwingswerkzaamheden, waaronder brandgevaarlijk heetwerk, niet zouden plaatsvinden aan een werf maar aan een steiger zonder enige voorziening en uitgevoerd door ongeschoolde arbeiders, dan zouden zij in het geheel geen verzekering hebben afgesloten. iii. Princess wist dat haar verbouwingsplannen voor verzekeraars relevant waren. [verzekeringsmakelaar] heeft haar daar al in mei 2008 nadrukkelijk op gewezen en ook gezegd dat Princess eventuele verbouwingsplannen moest melden. 5.6 De hier weergegeven stellingen van verzekeraars onder ii zijn door Princess naar het oordeel van de rechtbank niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Onbetwist gebleven is de stelling dat verzekeraars bij wetenschap van de (gestelde) verbouwingsplannen slechts voor maximaal 35% in de verzekering zouden hebben willen participeren. Princess heeft wel ter betwisting aangevoerd dat de afgesloten verzekering nu juist voorzag in de dekking van verbouwing (zolang deze beperkt was tot € 250.000,=), maar dat doet op zichzelf niet af aan de stelling van verzekeraars dat zij bij wetenschap van de verbouwingsplannen in elk geval nadere voorwaarden zouden hebben gesteld, waaronder (wezenlijke) aspecten als premiehoogte, eigen risico en brandveiligheidsvoorschriften. Aldus moet als vaststaand worden aangenomen dat kennis van de (gestelde) verbouwingsplannen voor verzekeraars relevant was voor hun beslissing om de onderhavige verzekering te sluiten. 5.7 Princess heeft de stelling van verzekeraars onder iii betwist. Die stelling kan evenwel in het midden blijven. De rechtbank is van oordeel dat Princess in elk geval behoorde te weten dat de (gestelde) verbouwingsplannen voor verzekeraars relevantie hadden in de zin van artikel 7:928 lid 1 BW, zeker voor zover het betrof plannen tot het verrichten van las- en slijpwerkzaamheden. Dergelijke werkzaamheden zijn immers naar hun aard brandgevaarlijk. Daarbij komt dat het ging om beoogde werkzaamheden die veel ingrijpender waren dan het enkele schoonmaken en het aanbrengen van nieuwe vloerbedekking en meubilair, terwijl met de beoogde werkzaamheden bovendien geruime tijd zou zijn gemoeid. Algemeen bekend mag worden verondersteld dat de mate waarin sprake is van omstandigheden als hier bedoeld voor verzekeraars relevant is. Dit geldt in dit geval te meer, nu (de directeur van) Princess bij pleidooi heeft verklaard vaker schepen voor verbouwing te hebben verzekerd en in dat verband bekend te zijn met het bestaan van de door verzekeraars bedoelde aanbouwverzekering. 5.8 De door verzekeraars onder i gestelde feiten heeft Princess wel (voldoende gemotiveerd) betwist, in die zin dat zij heeft aangevoerd dat zij tot het moment van het aangaan van de verzekering nog geen concrete verbouwingsplannen had, hetgeen zij ook tegen [verzekeringsmakelaar] heeft gezegd. Het was volgens Princess aanvankelijk slechts de bedoeling het schip na de aankomst in ´s Gravendeel te laten schoonmaken en delen van het interieur te verwijderen. [verzekeringsmakelaar] heeft in overeenstemming met deze plannen verzekeraars geïnformeerd. Verzekeraars zijn dus niet onjuist voorgelicht. Pas na het tot stand komen van de verzekering zijn plannen gerezen om de [naam schip] grondig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.