vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 332180 / HA ZA 09-1610 Vonnis van 1 december 2010 in de zaak van 1. [eiser sub 1], wonende te Ouddorp, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 2 B.V.], gevestigd te Ouddorp, eisers, advocaat mr. H.J. Smit, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STAALHARDERIJ DOMINIAL B.V., gevestigd te Schiedam, 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2] B.V., gevestigd te Moerstraten, 2. [gedaagde sub 3], wonende te Moerstraten, gedaagden, advocaat: mr. H.G.D. Hoek, 3. [gedaagde sub 4], wonende te Voorburg, 4. [gedaagde sub 5], wonende te Rotterdam, 5. [gedaagde sub 6], wonende te Zwijndrecht, gedaagden, advocaat mr. W.J. Hengeveld. Eiser sub 1 zal hierna [eiser sub 1] genoemd worden. Eiser sub 2 zal [eiseres sub 2] genoemd worden. Gezamenlijk zullen eisers [eisers] genoemd worden. Gedaagde sub 1 zal Staalharderij B.V. genoemd worden. Gedaagde sub 2 zal [gedaagde sub 2] genoemd worden. Gedaagde sub 3 zal [gedaagde sub 3] genoemd worden. Gezamenlijk zullen gedaagden sub 1, 2 en 3 [gedaagde sub 1,2 en 3] genoemd worden. Gedaagden sub 4, 5 en 6 zullen gezamenlijk arbiters genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 9 juni 2009, met producties; - de conclusie van antwoord van 12 augustus 2009 van [gedaagde sub 1,2 en 3], met producties; - de conclusie van antwoord van 23 september 2009 van arbiters, met producties; - de conclusie van repliek van 3 februari 2010, met een productie; - de conclusie van dupliek van 17 maart 2010 van [gedaagde sub 1,2 en 3], met een productie; - de conclusie van dupliek van 17 maart 2010 van arbiters; - de pleitnotities van mr. H.J. Smit ([eisers]), tevens akte houdende aanvulling van eis, van 14 oktober 2010; - de pleitnota van mr. H.G.D. Hoek ([gedaagde sub 1,2 en 3]) van 14 oktober 2010; - de pleitnotities van mr. A.W. van der Veen (arbiters) van 14 oktober 2010. 1.2. [gedaagde sub 1,2 en 3] hebben bezwaar gemaakt tegen de bij faxberichten van 12 oktober 2010 door [eisers] aangekondigde en ter zitting van 14 oktober 2010 doorgevoerde wijziging (aanvulling) van eis. Arbiters hebben zich bij dat bezwaar aangesloten. Voorts hebben de advocaten van partijen ter zitting van 14 oktober 2010 gepleit en vragen van de rechtbank beantwoord. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast: 2.1. [eiser sub 1], geboren op 7 december 1948, en [gedaagde sub 3], geboren op 18 juli 1961, zijn broers. 2.2. Op 1 oktober 1980 zijn [eiser sub 1] enerzijds en [vader], de vader van [eiser sub 1] en [gedaagde sub 3], anderzijds met elkaar een vennootschap onder firma (hierna: de vof) aangegaan. De vof droeg de naam "Staalharderij Dominial" en was gevestigd te Schiedam. De vof had ten doel - kort weergegeven - het veredelen van metalen. Het bedrijf van de vof was een staalharderij. 2.3. Artikel 13 van de firma-akte vermeldt: "Alle geschillen, welke tussen partijen mochten opkomen ter zake dezer vennootschap zowel juridische als feitelijke, zullen in hoogste instantie werden beslist door drie scheidslieden te benoemen door de Voorzitter van de Kamer van Koophandel te Rotterdam, welke scheidslieden als goede mannen naar billijkheid zullen oordelen. [In] de arbitrage-uitspraak zal worden bepaald te wiens laste de kosten van arbitrage zullen komen." 2.4. In 1992 hebben de firmanten op advies van de accountant om fiscale redenen ieder een besloten vennootschap opgericht teneinde de aanloopverliezen van de vof via hun besloten vennootschappen te kunnen compenseren. Aldus zijn in 1992 opgericht [eiseres sub 2] en de besloten vennootschap [vader] Management B.V. Er is geen nieuwe firma-akte opgemaakt. 2.5. Van 12 oktober 1992 tot 4 maart 1996 was [vader] enig aandeelhouder en bestuurder van [vader] Management B.V. Van 12 oktober 1992 tot 1 december 2003 was (ook) [gedaagde sub 3] bestuurder van de vennootschap. Vanaf 17 december 1997 tot 1 december 2003 was [gedaagde sub 3] enig aandeelhouder van de vennootschap. De naam van de vennootschap werd met ingang van 7 maart 2002 gewijzigd in H.I.V.G. Management B.V. (hierna: HIVG). 2.6. De verhouding tussen de broers [gedaagde sub 3] en [eiser sub 1] is verstoord geraakt. In 1999 heeft dit ertoe geleid dat er een einde is gekomen aan de samenwerking. 2.7. Op 13 april 1999 heeft [gedaagde sub 3] (met een ander) [rechtspersoon I] B.V. ([gedaagde sub 2]) opgericht. [gedaagde sub 3] was enig aandeelhouder en tevens bestuurder van [gedaagde sub 2] De rechtspersoon investeerde in nieuwe ovens en in een bedrijfslocatie, maar trad (nog) niet in concurrentie met de vof. 2.8. Bij brief van 23 augustus 1999 van mr. H.J. Smit aan de voorzitter van de kamer van koophandel te Rotterdam hebben [eisers] een arbitrage aanhangig gemaakt. De brief vermeldt onder meer het volgende: "De heren [eiser sub 1] en [gedaagde sub 3] zijn via hun houdermaatschappijen respectievelijk [eiser sub 1] Management B.V. en [vader] Management B.V. firmanten van de vennootschap onder firma Staalharderij Dominian v.o.f. Tussen de firmanten zijn geschillen gerezen die ertoe leiden dat de firma zo spoedig mogelijk ontbonden dient te worden." 2.9. Bij vonnis in kort geding van 2 september 1999 van de President van deze rechtbank is op vordering van HIVG (destijds nog genaamd [vader] Management B.V.) een ordemaatregel getroffen inhoudende dat zij het bedrijf van de vennootschap mocht leiden totdat anders mocht worden beslist of overeengekomen. Daarbij werden [eisers] gelast om zich zolang niet met de bedrijfsvoering in te laten en geen contact te onderhouden met de klanten. HIVG werd (in reconventie) veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de door [eisers] aanhangig gemaakte arbitrage. Het hoger beroep tegen dit vonnis is uitgemond in een op 2 november 1999 tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst waarin zij - kort weergegeven - jegens elkaar toezegden de status quo te handhaven en ter spoedige beslissing van het geschil hun medewerking te zullen verlenen aan arbitrage. 2.10. De voorzitter van de kamer van koophandel te Rotterdam heeft arbiters benoemd. Bij arbitraal vonnis van 5 juni 2000, in welk vonnis [eisers] gezamenlijk worden aangeduid als "[eiser sub 1]" en HIVG (destijds nog genaamd [vader] Management B.V.) wordt aangeduid als "[gedaagde sub 3]", hebben arbiters "rechtdoende als goede mannen naar billijkheid" als volgt beslist: "ARBITRAAL VONNIS inzake: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 2 B.V.], gevestigd te Schiedam, 2. [eiser sub 1], wonende te Schiedam, eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat: Mr H.J. Smit, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vader] MANAGEMENT B.V., gevestigd te Schiedam, verweerster in conventie, eiseres in reconventie, advocaten: Mr H.J. Bodifée, Mr H.G.D. Hoek. (…) In conventie en in reconventie: 1. ontbinden de V.O.F. Dominial per 1-7-2000; 2. wijzen de onderneming toe aan [gedaagde sub 3] en bepalen dat [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 1] per 1-7-2000 dient te betalen de somma van Hfl. 1.503.098,--, te verminderen met de bedragen die [eiser sub 1] na 1-1-2000 heeft opgenomen, te vermeerderen met 10% rente (op jaarbasis) vanaf 1-1-2000 tot 1-7-2000; 3. bepalen dat [gedaagde sub 3] desgewenst van het in sub 2. vastgestelde bedrag een bedrag van Hfl. 1.010.000,-- mag betalen in 5 jaarlijkse gelijke termijnen, de eerste vervallende per 1-7-2001 en de laatste op 1-7-2005 en bepalen dat [gedaagde sub 3] daarover een rente verschuldigd zal zijn van 6% per jaar, te voldoen per kwartaal, de eerste keer per 1-10-2000 en daarna per 1e van ieder volgend kwartaal; 4. bepalen dat [eiser sub 1] er zijn medewerking aan dient te geven dat het aan Dominial toebehorend onroerend goed per 1-7-2000 wordt overgedragen aan [gedaagde sub 3] en dat de daaraan verbonden overdrachtskosten, zoals bepaald in 6.5 van dit vonnis, door iedere partij bij helfte zullen worden gedragen en bepalen voorts dat [eiser sub 1] voor of op 1-7-2000 er zijn medewerking aan dient te geven - voorzover zulks in zijn macht ligt - dat het aan Dominial toebehorend onroerend goed niet langer strekt tot zekerheid van Technische Handelsonderneming [vader] B.V. en [eiser sub 1] Tools B.V. en dat per diezelfde datum ook de hoofdelijke medeschuldenaarsstelling van deze vennootschappen wordt beëindigd, één en ander op de wijze en in de geest zoals arbiters in 6.5 van dit vonnis hebben aangegeven; 5. verbieden [eiser sub 1] gedurende 5 jaar te rekenen vanaf 1-7-2000 activiteiten binnen Nederland te ondernemen op welke wijze en in welke vorm dan ook, hetzij in dienstbetrekking, hetzij onder eigen naam, hetzij door middel van samenwerking met natuurlijke of rechtspersonen, welke gelijk, gelijksoortig of aanverwant zijn aan de activiteiten van de V.O.F. Dominial, hieronder begrepen (financiële) deelname in en/of (in)directe zeggenschap over bedrijven welke gelijk, gelijksoortig of verwant zijn aan Dominial, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van Hfl. 10.000,-- voor iedere handeling en/of dag waarmee [eiser sub 1] in strijd met dit verbod handelt; 6. wijzen het meer of anders gevorderde af; (…)" 2.11. Bij faxbericht van 14 juni 2000 heeft [eiser sub 1] [gedaagde sub 3] verzocht om genoegzame zekerheid te stellen voor de uit het arbitrale vonnis voortvloeiende financiële verplichtingen. Bij faxbericht van 21 juni 2000 hebben [eisers] kenbaar gemaakt te weigeren medewerking te geven aan de uitvoering van het arbitrale vonnis zolang geen zekerheid zou zijn gesteld. Bij faxbericht van 22 juni 2000 is van de zijde van HIVG (destijds nog genaamd [vader] Management B.V.) afwijzend op het verzoek om zekerheidstelling gereageerd. 2.12. Bij dagvaarding van 3 oktober 2000 hebben [eisers] een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt tegen HIVG (destijds nog genaamd [vader] Management B.V.) en [gedaagde sub 3]. In die procedure hebben zij - kort weergegeven - (partiële) vernietiging van het arbitrale vonnis gevorderd, alsmede veroordeling van HIVG en [gedaagde sub 3] tot betaling aan [eisers] van - onder meer - een bedrag van ƒ 1.220.000,00. Daarbij hebben [eisers] de vorderingen jegens [gedaagde sub 3] mede gegrond op de stelling dat [gedaagde sub 3] moet worden vereenzelvigd met HIVG. Subsidiair hebben zij de vorderingen jegens [gedaagde sub 3] gegrond op onrechtmatige daad. De rechtbank heeft die vorderingen bij vonnis van 18 oktober 2001 afgewezen. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. 2.13. In 2001 heeft HIVG (destijds nog genaamd [vader] Management B.V.) de harderij - de onderneming van de vof - verkocht en overgedragen aan [gedaagde sub 2] Per 23 maart 2001 is de naam van [gedaagde sub 2] ([rechtspersoon I] B.V.) gewijzigd in haar tegenwoordige naam [rechtspersoon II] Beheer B.V. Op 23 maart 2001 richtte [gedaagde sub 2] een nieuwe rechtspersoon op: Staalharderij B.V. [gedaagde sub 2] werd enig aandeelhouder en bestuurder van Staalharderij B.V. [gedaagde sub 2] en Staalharderij B.V. hebben de harderij laten "uitzakken" naar Staalharderij B.V. Daarmee werd [gedaagde sub 2] een beheermaatschappij en Staalharderij B.V. een werkmaatschappij. 2.14. Bij dagvaarding van 29 mei 2001 heeft HIVG (destijds nog genaamd [vader] Management B.V.) [eisers] en [eiser sub 1] Tools B.V. in kort geding betrokken voor de president van deze rechtbank teneinde - onder meer - hen te doen veroordelen hun medewerking te verlenen aan levering van het aan de vof toebehorende onroerend goed. In reconventie hebben [eisers] en [eiser sub 1] Tools B.V. - onder meer - gevorderd HIVG te veroordelen tot afgifte van een bankgarantie. Bij vonnis in kort geding van 5 juli 2001 zijn [eisers] en [eiser sub 1] Tools B.V. veroordeeld tot - kort weergegeven - het verlenen van medewerking aan de levering van het onroerend goed. De vordering om HIVG te veroordelen tot afgifte van een bankgarantie is afgewezen wegens het ontbreken van een basis voor die vordering in het systeem van de wet. Bij arrest van 24 januari 2002 van het gerechtshof te 's-Gravenhage is voornoemd vonnis in kort geding ten aanzien van deze aspecten bekrachtigd. 2.15. Op 1 december 2003 werd Stichting Lex enig aandeelhouder en bestuurder van HIVG. Op 16 december 2003 werd [mede bestuurder] (mede) bestuurder. 2.16. HIVG heeft de per 1 juli 2004 en per 1 juli 2005 aan [eisers] verschuldigde aflossingstermijnen ten bedrage van elk € 91.663,60 niet voldaan. Voorts is HIVG vanaf 1 januari 2004 in gebreke gebleven met voldoening van de per kwartaal te betalen rentebedragen. 2.17. Bij dagvaarding van 4 oktober 2004 hebben [eisers] een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt tegen [gedaagde sub 3]. In die procedure hebben zij - kort weergegeven - veroordeling gevorderd van [gedaagde sub 3] tot betaling van € 205.796,97 met rente en kosten. Aan die vordering hebben [eisers] ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 3] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door - kort weergegeven - als aandeelhouder en bestuurder van HIVG vermogen aan verhaal te onttrekken en te bewerkstelligen dat de vordering van [eisers] op HIVG niet werd voldaan. De rechtbank heeft deze vordering bij vonnis van 9 november 2005 afgewezen omdat - kort weergegeven - [eisers] hun stellingen onvoldoende feitelijk hadden toegelicht en onderbouwd. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. 2.18. Bij dagvaarding van 6 oktober 2006 heeft [eiser sub 1] bij de voorzieningenrechter in deze rechtbank een procedure in kort geding aanhangig gemaakt tegen [gedaagde sub 3]. In die procedure heeft [eiser sub 1] - kort weergegeven - veroordeling gevorderd van [gedaagde sub 3] tot betaling van € 227.198,05, met kosten. Aan zijn vordering heeft [eiser sub 1] - kort weergegeven - hetzelfde ten grondslag gelegd als in de bij dagvaarding van 4 oktober 2004 bij de rechtbank aanhangig gemaakte procedure. [eiser sub 1] heeft voorts aangevoerd dat inmiddels was getracht door middel van een voorlopig getuigenverhoor meer inzicht te verkrijgen in de relevante feiten en omstandigheden, maar dat was gebleken dat de aandeelhouders en directie van HIVG met de noorderzon waren vertrokken. Daarmee stond in de visie van [eiser sub 1] vast dat [gedaagde sub 3] zich jegens [eiser sub 1] schuldig had gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk c.q. oplichting. Bij vonnis in kort geding van 2 november 2006 is [eiser sub 1] niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen - kort weergegeven - omdat hij aan zijn vorderingen dezelfde rechtsbetrekking en dezelfde gronden ten grondslag had gelegd als in de procedure die was uitgemond in het inmiddels in kracht van gewijsde gegane vonnis van de rechtbank van 9 november 2005. Bij arrest van 8 april 2008 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van 2 november 2006 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank bekrachtigd - kort weergegeven - omdat het hof onvoldoende aannemelijk achtte dat de vordering in een bodemprocedure zonder nadere onderbouwing en/of bewijslevering zou worden toegewezen, terwijl een kort geding zich onvoldoende leent voor een nader onderzoek naar de feiten, om welke redenen [eiser sub 1] in de visie van het hof geen belang had bij behandeling van de grieven. 2.19. Bij dagvaarding van 5 maart 2007 hebben [eisers] bij de voorzieningenrechter in deze rechtbank een procedure in kort geding aanhangig gemaakt tegen Staalharderij B.V. en [gedaagde sub 2] In die procedure hebben [eisers] - kort weergegeven - hoofdelijke veroordeling gevorderd van Staalharderij B.V. en [gedaagde sub 2] tot betaling van € 227.198,05, met rente en kosten. Aan hun vordering hebben [eisers] - kort weergegeven - ten grondslag gelegd dat Staalharderij B.V. en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, nu zij actief hebben medegewerkt aan het bewerkstelligen dat de onderneming van Dominial v.o.f. uit HIVG in Staalharderij B.V. is ingebracht, waardoor de waarde van Dominial v.o.f. uit HIVG is verdwenen en de verhaalsmogelijkheden voor [eisers] zijn beperkt. Bij vonnis in kort geding van 31 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter de vordering afgewezen omdat - kort weergegeven - in het kader van de kort gedingprocedure niet kon worden vastgesteld of Staalharderij B.V. en [gedaagde sub 2] kunnen worden gehouden tot betaling van hetgeen waartoe HIVG bij arbitraal vonnis is veroordeeld. 2.20. HIVG is op 12 augustus 2008 ontbonden door opheffing van het faillissement van de rechtspersoon wegens de toestand van de boedel. 3. Het geschil 3.1. [eisers] vorderen na vermeerdering van eis - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan [eisers] te betalen € 258.924,54, vermeerderd met 6% samengestelde rente vanaf 1 mei 2009 tot de dag der voldoening; 2. gedaagden te veroordelen om aan [eisers] te vergoeden alle door [eisers] door toedoen van gedaagden geleden schade, op te maken bij staat; 3. te verklaren voor recht dat een redelijke lezing en uitleg van het arbitraal vonnis van 5 juli 2000 met zich brengt dat de veroordeling tot betaling van € 485.318,01 aan [eisers], waarvan € 225.000 is betaald, zich met name ook uitstrekt tot [gedaagde sub 3], zodat het vonnis ook tegen [gedaagde sub 3] ten uitvoer kan worden gelegd; 4. gedaagden te veroordelen om de proceskosten aan [eisers] te betalen. 3.2. Gedaagden maken bewaar tegen de eiswijziging waarbij de vordering sub 3 aan de eis is toegevoegd. Voorts voeren zij verweer en concluderen zij tot afwijzing van de vorderingen, met (hoofdelijke) veroordeling van [eisers] (uitvoerbaar bij voorraad), in de werkelijke kosten van de procedure (en nakosten). 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. [eisers] gronden hun vorderingen op onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek; BW), op handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) en op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). De wijziging van eis en het daartegen gemaakte bezwaar 4.2. De rechtbank zal eerst beslissen over de wijziging van eis en het daartegen gemaakte bezwaar. Ingevolge artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de eiser, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken op de grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. 4.3. De onderhavige wijziging van eis, de toevoeging van de vordering sub 3, is twee dagen voor de pleitzitting bij faxbericht aangekondigd. Gedaagden hebben aangevoerd zich hierdoor overvallen te voelen en zich hier niet goed op te hebben kunnen voorbereiden. De rechtbank is met gedaagden van oordeel dat de wijziging van eis in een zeer laat stadium is aangekondigd, waardoor deze in strijd zou kunnen worden geacht met de eisen van een goede procesorde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken (LR) in artikel 2.9 bepaalt dat een partij die bij gelegenheid van een pleidooi nog een proceshandeling wenst te verrichten, uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling aan de rechtbank en aan de wederpartij doet toekomen. [eisers] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen rechtvaardigen dat de wijziging van eis eerst twee dagen voor de pleitzitting is aangekondigd. De rechtbank is echter van oordeel dat gedaagden niet worden benadeeld door de late aankondiging van de wijziging van eis. Daarom bestaat er geen reden om deze buiten beschouwing laten. 4.4. De rechtbank oordeelt als volgt over de inhoud van de vordering sub 3. Een lezing en uitleg van het arbitrale vonnis van 5 juli 2000 die meebrengt dat de veroordeling tot betaling aan [eisers] zich ook uitstrekt tot [gedaagde sub 3], zodat het vonnis ook tegen [gedaagde sub 3] ten uitvoer kan worden gelegd, is in redelijkheid niet mogelijk. Vast staat immers dat [gedaagde sub 3] geen partij was bij de arbitrage. Dat blijkt niet alleen uit het arbitraal vonnis, maar ook uit de onder 2.8 vermelde brief en is voorts geheel in overeenstemming met het vaststaande feit dat het ging om ontbinding van de vof, waarin [gedaagde sub 3] geen firmant was. Dat [gedaagde sub 3] ook niet kan worden vereenzelvigd met [gedaagde sub 2] is reeds beslist in het vonnis van deze rechtbank van 18 oktober 2001 (zie hiervoor onder 2.12). Die beslissing heeft tussen [eisers] en [gedaagde sub 3] gezag van gewijsde. Bovendien zijn er ook thans geen redenen om daar anders over te oordelen. Dat een natuurlijk persoon bestuurder en enig aandeelhouder is van een rechtspersoon is naar vaste jurisprudentie onvoldoende voor juridische vereenzelviging. De vordering sub 3 zal dus worden afgewezen. De vorderingen tegen arbiters 4.5. [eisers] verwijten arbiters dat zij in 2000 het aandeel van [eisers] in de door de vof uitgeoefende staalharderij van hen hebben afgenomen en dat zij niet als goede mannen naar billijkheid en als goede huisvaders ervoor hebben gezorgd dat [eisers] de daarvoor aan hen toekomende compensatie hebben ontvangen. In de visie van [eisers] is sprake geweest van een vorm van arbitrale onteigening zonder volledige rechtmatige compensatie. Meer concreet verwijten [eisers] arbiters dat zij [gedaagde sub 3] in privé niet als procespartij in de arbitrageprocedure hebben aangemerkt, dat HIVG van arbiters maar de helft van de werkelijke waarde van de staalharderij aan [eisers] behoefde te vergoeden en dat zij dit bovendien in vijf jaar mocht afbetalen zonder zekerheid te stellen, terwijl aan [eisers] wel een concurrentiebeding werd opgelegd. 4.6. Arbiters voeren aan dat de vordering van [eisers] tegen hen geen feitelijke basis heeft en dat de vordering evident verjaard is. Door niettemin de vordering tegen arbiters in te stellen, maken [eisers] in de visie van arbiters misbruik van procesrecht. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van arbiters veroordeling van [eiser s[eisers] in de werkelijk door arbiters gemaakte proceskosten; naar de rechtbank begrijpt derhalve in hogere kosten dan de proceskosten berekend volgens het zogeheten liquidatietarief. 4.7. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 3:310, lid 1, BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke partij bekend is geworden. Deze verjaringstermijn staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De vijfjaarstermijn gaat pas lopen als de benadeelde daadwerkelijk in staat is de rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. 4.8. De rechtbank acht - met arbiters - evident dat de verjaringstermijn eerder is aangevangen dan vijf jaar voorafgaande aan 9 juni 2009, de dag van dagvaarding. Immers, de verwijten die [eisers] aan arbiters maken, betreffen de inhoud van het arbitraal vonnis van 5 juni 2000. Reeds in juni 2000 waren [eisers] bekend met zowel de inhoud van dat vonnis en de in hun visie daaruit voortvloeiende schade als met de personen van arbiters die dat vonnis hadden gewezen. [eisers] kunnen geacht worden reeds op dat moment daadwerkelijk in staat te zijn geweest de rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen, dan wel - indien zij dat destijds en in de vijf jaren nadien nog niet opportuun achtten - verjaring van die rechtsvordering te stuiten. 4.9. Weliswaar zou betoogd kunnen worden dat op het moment dat [eisers] kennis namen van het arbitraal vonnis nog niet bekend was dat niet alle termijnen door HIVG zouden worden voldaan, maar bekendheid met de omvang van de schade is geen vereiste voor het ingaan van de verjaringstermijn. [eisers] waren bekend met de schade voor zover voor de ingangsdatum van de verjaring van belang. Immers, [eisers] vreesden - volgens hun stellingen mede op basis van door [gedaagde sub 3] gedane mededelingen - destijds reeds dat HIVG in de toekomst de betalingen zou staken en dan geen verhaal zou bieden voor de resterende vordering van [eisers] Ter zitting is hieromtrent van de zijde van [eisers] aangevoerd dat hun bank hen destijds reeds heeft medegedeeld dat de door arbiters aan hen toegewezen vordering bij gebreke van de verplichting om daarvoor zekerheid te stellen een aanzienlijk lagere waarde vertegenwoordigde dan het nominaal toegewezen bedrag. Zij waren derhalve op de hoogte van de schade die thans inzet is van deze procedure, ook voor zover die voortvloeit uit het - in hun visie ten onrechte - ontbreken in het arbitraal vonnis van een aan HIVG opgelegde verplichting tot zekerheidstelling. 4.10. De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor onder 4.7, 4.8 en 4.9 is overwogen van oordeel dat [eisers] reeds in 2000 in de zin van artikel 3:310, lid 1, BW bekend waren met de schade (in de zin van een lagere waarde van de vordering) en met de daarvoor - in hun visie - aansprakelijke partij (arbiters). Dat tot de datum van dagvaarding ter zake van deze procedure verjaring van de rechtsvordering jegens arbiters niet is gestuit, is tussen partijen in confesso. [eisers] hebben in reactie op het beroep op verjaring nog wel aangevoerd dat het beroep op verjaring door arbiters, gelet op alle specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, maar die stelling acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [eisers] hebben immers geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat het beroep van arbiters op verjaring als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dient te worden geoordeeld. De slotsom ten aanzien van de vordering jegens arbiters is dat het door arbiters gedane beroep op verjaring slaagt. Derhalve komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de door arbiters gevoerde inhoudelijke verweren. 4.11. De rechtbank is van oordeel dat op voorhand reeds dermate voorzienbaar was dat arbiters zich op verjaring zouden beroepen en dat betreffend verweer zou dienen te worden gehonoreerd, dat het voor [eisers] geenszins in de rede lag om arbiters in juni 2009, meer dan negen jaar na de datum waarop het arbitraal vonnis werd gewezen, alsnog in rechte te betrekken. Onder deze omstandigheden zou een veroordeling van [eisers] in de werkelijke door arbiters gemaakte proceskosten op zijn plaats kunnen zijn. Nu arbiters aanspraak maken op veroordeling van [eisers] in de integrale proceskosten, lag het naar het oordeel van de rechtbank echter in de rede dat arbiters de omvang van die kosten zouden stellen en dat zij daarvan een specificatie zouden overleggen. Immers, de rechtbank kan niet beslissen over kosten die niet zijn gesteld en waarover de wederpartij zich niet heeft kunnen uitlaten. Arbiters hebben echter geen informatie over de werkelijke door hen gemaakte kosten verstrekt en de voor hen optredende advocaat was desgevraagd ter zitting ook niet in staat om - eventueel bij benadering - aan te geven wat de omvang van die kosten is. De rechtbank ziet geen aanleiding om arbiters in de gelegenheid te stellen om alsnog opgave te doen van de werkelijke kosten. De rechtbank zal [eisers] daarom veroordelen in de in overeenstemming met het liquidatietarief begrote proceskosten van arbiters. Verjaring van de vorderingen tegen [gedaagde sub 1,2 en 3] 4.12. Ook [gedaagde sub 1,2 en 3] hebben een beroep op verjaring gedaan. 4.13. Beoordeeld dient te worden op welke dag [eisers] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke partij bekend zijn geworden, in die zin dat zij daadwerkelijk in staat waren de rechtsvordering tot vergoeding van de schade tegen [gedaagde sub 1,2 en 3] in te stellen. 4.14. [eisers] hebben tegen het door [gedaagde sub 1,2 en 3] gedane beroep op verjaring onder meer aangevoerd dat hen eerst op 1 juli 2004 is gebleken dat HIVG de per die datum verschuldigde betalingstermijn niet voldeed en dat zij er eerst geruime tijd later achter kwamen dat [gedaagde sub 3] de aandelen in HIVG aan een "criminele partij" had overgedragen. Dat door HIVG in 2004 geen rente werd betaald, was in de visie van [eisers] nog geen reden om te vermoeden dat HIVG in het geheel geen betalingen meer zou (kunnen) verrichten. Rentetermijnen waren ook in het verleden niet steeds op tijd betaald, aldus [eisers] 4.15. De rechtbank verwerpt het door [gedaagde sub 1,2 en 3] gedane beroep op verjaring. Een vordering van [eisers] jegens [gedaagde sub 1,2 en 3] kon slechts ontstaan indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.