RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 331815 / HA ZA 09-1532 Vonnis van 3 november 2010 in de zaak van de vennootschap naar Zwitsers recht ZÜRICH VERSICHERUNGSGESELLSCHAFT, gevestigd te Zürich, eiseres, advocaat mr. L.M. Kruik, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CONSOLIDATED NEDERLAND B.V., gevestigd te Gorinchem, gedaagde, advocaat mr. W.A.M. Rupert. Partijen zullen hierna Zürich en Consolidated genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - het incidentele vonnis d.d. 25 februari 2009, waarbij de rechtbank Dordrecht zich onbevoegd heeft verklaard en de zaak in de stand waarin deze zich bevond naar deze rechtbank heeft verwezen; - de conclusie van repliek, met producties; - de conclusie van dupliek. 1.2. Tenslotte is vonnis bepaald. De feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast: 2.1 Op 14 maart 2003 heeft Consolidated een offerte en op 1 mei 2003 een aanvullende offerte uitgebracht aan de gemeente Hilversum (hierna: de Gemeente) voor dakbedekkingswerkzaamheden aan de sporthal Kerkelanden te Hilversum. Op 13 mei 2003 is de opdracht door de Gemeente aan Consolidated gegund, met de vermelding dat de werkzaamheden geheel overeenkomstig de aanvraag van de Gemeente en de aanbieding van Consolidated uitgevoerd dienen te worden. 2.2 De bij de offerte behorende algemene voorwaarden, waarnaar op de offerte verwezen wordt, luiden voor zover van belang als volgt: “(…) Artikel 10 Aansprakelijkheid(…) i Ieder vorderingsrecht van de cliënt en/of derden jegens ons vervalt één jaar na aflevering van de geleverde zaken danwel één jaar na beëindiging van de werkzaamheden. (…)” 2.3 Het betreffende dak bestond uit een hoog en een laag deel, elk met een plat dak. Het gedeelte tussen beide daken werd overbrugd met vier gevels, bekleed met houten rabatdelen op regelwerk (de opstaande rand). Achter de rabatdelen was isolatie aanwezig met een papieren cachering. 2.4 De werkzaamheden van Consolidated zijn begonnen op 11 augustus 2003. De daarbij gebruikte dakbedekkingsmaterialen waren Restrix MB (mechanische bevestiging) en Restrix SB (Slebst Klebend). Het gebruik van een brander is bij de verwerking van deze Restrix-materialen niet toegestaan. 2.5 Op 5 september 2003 waren werknemers van Consolidated bezig met werkzaamheden aan het dak. Toen een werknemer van Consolidated doende was met het dichtlassen van de overlappen van de dakbedekking bij de opstaande rand zag hij rook. De rook was afkomstig van een brand die niet te blussen bleek, de gehele hal is verloren gegaan. 2.6 Na 5 september 2003 heeft Consolidated geen werkzaamheden in het kader van deze opdracht meer verricht. 2.7 Na de brand zijn, in opdracht van de Gemeente dan wel Zürich, diverse deskundigenberichten uitgebracht, onder meer op 24 september 2003, 27 januari 2004, 16 februari 2004 en 9 augustus 2004. 2.8 Zürich heeft, uit hoofde van een door de Gemeente met haar gesloten brandverzekering, aan de Gemeente ruim € 3 miljoen uitgekeerd als vergoeding van de schade als gevolg van de onder 2.5 bedoelde brand. 2.9 Op 5 april 2004 heeft GAB Robins Takkenberg namens Zürich Consolidated aansprakelijk gesteld voor de schade van de Gemeente als gevolg van de brand. 3 Het geschil 3.1 Zürich vordert samengevat - veroordeling van Consolidated tot betaling van € 500.000,=, vermeerderd met rente en kosten. Zij baseert haar vordering op de stelling, dat (werknemers van) Consolidated de brand hebben veroorzaakt op zodanig onzorgvuldige wijze, dat regres onder de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 (BBr) toelaatbaar is. Met name zou bij de onder 2.5 bedoelde werkzaamheden met een brander zijn gewerkt. 3.2 Consolidated voert gemotiveerd verweer. 3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1 Het meest verstrekkende verweer van Consolidated komt erop neer, dat, nu niet gedagvaard is binnen de vervaltermijn, Zürich niet ontvankelijk is in haar vordering. 4.2 Zürich stelt zich in dat verband allereerst op het standpunt dat de vervaltermijn nimmer is aangevangen omdat het project niet is voltooid. Dat standpunt is niet juist, op grond van de volgende overwegingen. 4.3.1 Vooropgesteld moet worden, dat de Algemene Voorwaarden tussen de Gemeente en Consolidated van toepassing zijn, zoals ook in het verwijzingsvonnis is vastgesteld. Daaraan doet niet af dat de Gemeente betwist dat de Algemene Voorwaarden aan haar ter hand zijn gesteld. Zürich heeft die toepasselijkheid bovendien niet betwist; zij neemt deze zelf ook tot uitgangspunt. Dat betekent, dat nu Zürich optreedt als regresnemende verzekeraar van de Gemeente, Consolidated haar die voorwaarden kan tegenwerpen. 4.3.2. Vervolgens is, voor de vraag of en zo ja wanneer de vervaltermijn van artikel 10i van de Algemene Voorwaarden is verlopen van belang hoe de betreffende voorwaarde (zie hiervoor onder 2.2) moet worden uitgelegd; partijen verdedigen verschillende lezingen van die voorwaarde. 4.3.3 In beginsel dient uitleg plaats te vinden met behulp van de Haviltexformule. Het betreft hier echter een beding in Algemene Voorwaarden waarover niet is onderhandeld en waaraan ook overigens kennelijk geen aandacht is besteed. Dat betekent, dat groot belang toekomt aan de gebruikte bewoordingen, gelezen in de context van de voorwaarden als geheel en de overeenkomst waarbij zij horen. In geval van onduidelijkheid wordt daarbij in beginsel de interpretatie die het meest in het voordeel is van Zürich, als (de gesubrogeerde verzekeraar van) de wederpartij van de gebruiker van de Algemene Voorwaarden, in aanmerking genomen, mits het gaat om een redelijke uitleg van bewoordingen, die nadere uitleg behoeven. 4.3.4 Het gaat hier echter niet om bewoordingen die nadere uitleg behoeven. De tekst van de betreffende bepaling is gesteld in eenvoudig begrijpelijk Nederlands, zonder technische termen, en is op zichzelf bezien duidelijk: “een jaar na beëindiging van de werkzaamheden”. Hier wordt een louter feitelijk criterium gegeven, te weten het moment waarop een einde is gekomen aan de werkzaamheden, zonder dat daarbij op enigerlei wijze een verband wordt gelegd met de reden of achtergrond van dat einde. 4.3.5 Ook als, met Zürich, zou worden gezegd dat de term “beëindiging” voor meer dan één uitleg vatbaar is, is de betekenis die Zürich voor staat, te weten “voltooiing”, bovendien niet redelijk. Naar algemeen spraakgebruik impliceert “voltooiing” dat de opgedragen werkzaamheden daadwerkelijk alle geheel zijn verricht. In de rest van de voorwaarden en in de overeenkomst waarbij zij horen is geen aanknopingspunt te vinden voor de lezing van Zürich, dat dit met “beëindiging” is bedoeld. Zürich onderbouwt ook niet waarop zij baseert. dat in dit geval gekozen zou zijn voor aansluiting bij een niet nader gedefinieerd, en daarom voor dat doel niet bijzonder geschikt, begrip “voltooiing” van het werk (in plaats van bijvoorbeeld het in aannemingsovereenkomsten veelvuldig gebruikte begrip oplevering) als beginpunt van de vervaltermijn. Een beperking in die zin, dat pas na het geheel voltooien van de werkzaamheden een vervaltermijn gaat lopen ligt voorts, vanuit de ratio voor het opnemen van een dergelijke bepaling, niet voor de hand. Dat zou immers betekenen dat in de gevallen waar het werk, om wat voor reden dan ook, niet afgemaakt wordt, die bepaling niet toepasselijk is. Dat is slecht te rijmen met de achtergrond van een dergelijk beding, dat immers beoogt de aannemer zekerheid te geven dat, als na ommekomst van die termijn nog niet gedagvaard is, dat ook niet meer zal gebeuren. Deze bezwaren kleven niet aan de term beëindiging, als deze wordt gelezen conform het algemeen spraakgebruik. Dat betekent, dat de rechtbank van oordeel is dat het woord “beëindiging” moet worden opgevat overeenkomstig de algemene betekenis van die term, te weten het louter feitelijk tot een einde komen. 4.4 Dat de werkzaamheden in dit geval zijn beëindigd op de datum van de brand, 5 september 2003, staat vast. Die dag is dus het aanvangstijdstip van de vervaltermijn, zodat die vervaltermijn op 5 september 2004 verliep. Nu, in deze procedure, eerst is gedagvaard op 6 juni 2008 (omtrent een eerdere dagvaarding van de zijde van de Gemeente is niets gesteld of gebleken) was de vervaltermijn, die, naar vast staat, niet gestuit of verlengd kan worden, toen ruimschoots verlopen en is Zürich dus in beginsel niet ontvankelijk in haar vordering. 4.5 Zürich stelt echter, dat het beroep op die termijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij beroept zich in dat verband op een aantal specifieke omstandigheden, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.