← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2011:BP5312

beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Rekestnummer: 372075/ FT-EA 11.264 Rekestnummer: 372076/ FT-EA 11.265 uitspraakdatum: 8 februari 2011 In de zaak van [naam verzoeker] wonende [ adres verzoeker], verzoeker, heeft verzoeker op 7 februari 2011 een verzoek ex artikel 284 Faillissementswet (Fw) en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b Fw ingediend. De rechtbank heeft uitspraak bepaald op heden.

  1. Het verzoek De gevraagde voorziening strekt ertoe om: - op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw gedurende een termijn van 6 maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en: - stichting Stichting Woonplus te Schiedam (hierna: verweerster) te verbieden de huurovereenkomst voor de woonruimte aan [adres verzoeker] op te zeggen of te ontbinden; - tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming van de woonruimte van de rechtbank te Rotterdam de dato 10 februari 2011 te verbieden.
  2. De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals limitatief vermeld in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het exploit d.d. 12 januari 2011 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 februari 2011 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. In zoverre is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek. Anders dan in het verzoekschrift ex artikel 284 Fw is vermeld, is ten aanzien van verzoeker minder dan 10 jaar voorafgaand aan het indienen daarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing geweest. De rechtbank is ambtshalve bekend met haar beslissing van 17 januari 2007 waarin ondermeer is bepaald dat verzoeker samen met zijn toenmalige partner toerekenbaar is tekortgeschoten in hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat om die reden de schone lei is geweigerd. Gelet op het bepaalde in artikel 288, tweede lid, sub d, Fw ligt afwijzing van een verzoek ex artikel 284 Fw van verzoeker dan ook in de rede nu vast staat dat geen van de uitzonderingssituaties zoals bedoeld in eerst genoemd artikel zich hier voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank dient onderhavig verzoek tot het verlenen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen nu het aannemelijk is dat ten aanzien van verzoeker gedurende de nog niet verstreken termijn zoals bedoeld in artikel 288, tweede lid, sub d, Fw niet de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden uitgesproken. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen. Nu het minnelijk traject niet is gevolgd, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 288, eerste lid, sub f, Fw ten aanzien van het verzoek ex artikel 284 Fw niet-ontvankelijk worden verklaard.
  3. Beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af; - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Aldus gegeven door mr. E.A. Vroom, lid van de enkelvoudige kamer, en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.