← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ3611

RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Voorzieningenrechter Reg.nr.: AWB 11/1470 VCHW-T1 AWB 11/1152 CHW-T1 ( Hoofdzaak) Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen [naam bedrijf ], gevestigd te [plaats], verzoekers, gemachtigde mr. R.C. van Wamel, advocaat te Dordrecht, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostflakkee, verweerder, aan het geding heeft als mede als partij deelgenomen: Woningbouwvereniging Woongoed Flakkee (hierna: vergunninghouder), gemachtigde mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis. 1 Ontstaan en loop van de procedure Op 27 februari 2009 heeft vergunninghouder een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een woonzorgcomplex op het perceel [locatie en plaats]. Op 28 januari 2011 heeft verweerder het projectbesluit vastgesteld en de gevraagde bouwvergunning verleend. Tegen het besluit van 28 januari 2011 (hierna: het bestreden besluit) hebben verzoekers bij brief van 10 maart 2011 beroep ingediend. Voorts hebben verzoekers bij brief van 31 maart 2011 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit tot zes weken nadat op het door verzoekers ingediende beroepschrift door de rechtbank is beslist. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april

  1. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam]. Voorts was aanwezig namens verzoekers ing. J. Kraaijeveld, werkzaam bij Kuiper Compagnons. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F. ten Brinke en ing. C.M.C Kranse-Bogaard. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts was aanwezig namens vergunninghouder R.P.W. Maas. 2 Overwegingen Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en maakt - ondanks het daartegen door verzoekers ter zitting gemaakte bezwaar - gebruik van de mogelijkheid zoals genoemd in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb en doet onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. Spoedeisend belang Gelet op het feit dat inmiddels gewerkt wordt aan het bouwrijp maken van het terrein, de verwachting dat op 9 mei 2011 de eerste paal geslagen zal worden en vergunninghouder niet wil wachten met de bouw vanwege financiële lasten bij het oplopen van vertraging van het project is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Feiten en omstandigheden Op 27 februari 2009 heeft vergunninghouder een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een woonzorgcomplex op het perceel [locatie en plaats]. Het bouwplan voorziet bij benadering in 49 intramurale verpleeghuisplaatsen psychogeriatrie, 12 plaatsen tijdelijke opvang, 10 plaatsen dagverzorging, 58 zorgappartementen, 20 gehandicaptenwoningen, zorginfrastructuur voor extramurale gehandicaptenwoningen, een fysiotherapiepraktijk en een consultatiebureau. Op 2 maart 2010 heeft verweerder een projectbesluit genomen met betrekking tot de realisering van het woonzorgcomplex. Vervolgens heeft verweerder op 26 maart 2010 de vereiste bouwvergunning verleend. Op 4 mei 2010 is namens verzoekers bezwaar ingediend tegen voornoemde besluiten. De bezwaargronden zijn bij brief van 20 mei 2010 aangevuld. Bij brief van 23 juni 2010 is aan de gemachtigde van verzoekers meegedeeld dat de besluiten van 2 maart 2010 en 26 maart 2010 ingetrokken worden. Voorts heeft verweerder op 23 juni 2010 en nieuw ontwerpbesluit aan verzoekers overgelegd. Verzoekers hebben bij brief van 15 juli 2010 aangegeven dat het ingediende bezwaarschrift alsmede de op 8 oktober 2009 ingediende zienswijze gericht geacht zijn tegen het ontwerpbesluit van 25 juni
  2. Op 28 januari 2011 heeft verweerder het projectbesluit vastgesteld en de gevraagde bouwvergunning verleend onder verwijzing naar de weerlegging van de zienswijze van 4 mei 2010 en de ruimtelijke onderbouwing van 14 januari
  3. Standpunt verzoekers Verzoekers stellen - kort samengevat - dat er bij realisering van het bouwplan ter plaatse een onaanvaardbare beperking van de bedrijfsvoering kan ontstaan voor aannemingsbedrijf AVK B.V. (hierna: AVK), gelet op de voorwaarden van de milieuvergunning ten aanzien van met name geluidhinder. Voorts vrezen verzoekers voor klachten van toekomstige bewoners van het woonzorgcomplex over de ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten van AVK. Standpunt verweerder Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat aan de relativiteitseis uit de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) niet is voldaan en dat om deze reden het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen dient te worden, alsmede dat er gelijk uitspraak in de hoofdzaak gedaan kan worden. Subsidiair blijft verweerder bij het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat realisering van het bouwplan geen gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van AVK, en het woon- en leefklimaat in het woonzorgcomplex voldoende gewaarborgd zal zijn. Crisis- en herstelwet en de relativiteitseis Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder a, gelezen in verbinding met categorie 3, onder 3.1 van bijlage I van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw naar het oordeel van de voorzieningenrechter van toepassing op het bestreden besluit . Ingevolge artikel 1.9 van de Chw vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit betekent dat, wil een beroep kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, de aangevoerde gronden van belanghebbende(n) hun eigen belangen dienen te beschermen c.q. te betreffen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe het volgende. Vast staat dat naar aanleiding van de aanvraag om bouwvergunning door verzoekers een zienswijze is ingediend en dat tegen het thans bestreden projectbesluit verzoekers zijn opgekomen. Zij hebben dit niet gedaan mede namens AVK en AVK heeft geen zelfstandig rechtsmiddel ingesteld. Verzoekers zijn eigenaar van de grond die grenst aan het perceel waar het woonzorgcomplex is geprojecteerd en derhalve aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Voornoemde grond is in gebruik bij AVK, waarvan de directie door de zoon van één van de verzoekers wordt gevoerd. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat verzoekers geen bestuurders van AVK zijn en ook niet verantwoordelijk zijn voor de directie van AVK. Onbetwist is dat er geen juridische band bestaat tussen verzoekers en AVK. Zowel het verzoek als het beroep van verzoekers gaat uit van de gedachte dat AVK hinder zal ondervinden danwel belemmerd zal worden in haar bedrijfsvoering bij realisering van het woonzorgcomplex. Deze belemmering bestaat er volgens verzoekers uit dat AVK niet meer zal kunnen voldoen aan de geluidsvoorschriften van de aan hun verleende milieuvergunning. Verzoekers komen daarmee op voor de akoestische belangen van AVK. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze belangen geen belangen die de maatschap als eigenaar van de grond raken. De door verzoekers aangevoerde gronden kunnen er dan ook niet toe leiden dat het bestreden besluit zou moeten worden vernietigd, indien daaraan een gebrek zou kleven. Gelet op deze vaststelling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in het kader van deze procedure expliciet en inhoudelijk in te gaan op de beroepsgronden van verzoekers. Gelet op het vorenstaande dient het beroep van verzoekers ongegrond te worden verklaard en is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. 3 Beslissing De voorzieningenrechter, recht doende: verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Aldus gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Waal- de Vries, griffier. De griffier: De voorzieningenrechter: Uitgesproken in het openbaar op: 22 april
  4. Een belanghebbende - onder wie in elk geval verzoekers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd. Afschrift verzonden op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.