RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 348709 / HA ZA 10-544 Uitspraak: 27 juli 2011 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [eiser], wonende te Zutphen, eiser, advocaat mr. R.H.P. van de Venne, - tegen - [gedaagde], wonende te Vlaardingen, gedaagde, advocaat mr. S.V. Hendriksen. Partijen blijven aangeduid als [eiser] respectievelijk [gedaagde]. 1 Het verdere verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - vonnis van deze rechtbank d.d. 5 januari 2011 met de daaraan ten grondslag liggende stukken; - het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 14 maart 2011; - conclusie na enquête aan de zijde van [eiser], met productie (bewijsopdracht [eiser]); - antwoordconclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde] (bewijsopdracht [eiser]); - conclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde], met producties (bewijsopdracht [gedaagde]); - antwoordconclusie na enquête aan de zijde van [eiser] (bewijsopdracht [gedaagde]); - akte van depot aan de zijde van [eiser]. 2 De verdere beoordeling 2.1 Het gaat in deze zaak om de verkoop van een stuk grond in Turkije door [eiser] aan [gedaagde]. [eiser] vordert in deze procedure het volgens hem onbetaald gebleven deel van de koopprijs van in totaal € 25.000,=. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat een koopsom van € 16.000,= is overeen gekomen en dat hij dat hele bedrag heeft betaald. Bij tussenvonnis van 5 januari 2011 heeft de rechtbank aan beide partijen een bewijsopdracht gegeven: aan [eiser] dat een koopprijs van € 25.000,= is afgesproken en aan [gedaagde] dat hij de koopprijs van € 16.000,= al heeft betaald. 2.2 [eiser] heeft zichzelf als getuige doen horen alsook [persoon 1]. [gedaagde] heeft [persoon 2] en [persoon 3] als getuigen doen horen. Alle getuigen zijn in beide bewijsopdrachten gehoord. bewijsopdracht [eiser] 2.3 [eiser] heeft als getuige toegelicht om welke reden hij het stuk grond, dat hij volgens zijn verklaring al sinds juli 2004 in eigendom had (zie ook de bij antwoord overgelegde eigendomsakte, hierna ook: tapu), in 2006 weer wilde verkopen en dat hij toen met zijn broer en met [gedaagde] heeft afgesproken dat zij tweederde respectievelijk eenderde deel zouden kopen. Ten aanzien van de door [gedaagde] te betalen koopprijs heeft [eiser] als volgt verklaard: “Hij kon niet in één keer betalen. Daarom hebben we afgesproken dat hij € 5.000,00 contant zou betalen en de rest in twee termijnen. Hierbij waren [gedaagde], ikzelf, mijn ex-vrouw en de vrouw van [gedaagde] aanwezig. […] De voorwaarden voor de verkoop hadden wij al tevoren telefonisch en bij bezoeken aan Vlaardingen besproken. Daarbij waren geen anderen aanwezig. Daarmee bedoel ik niemand anders dan degenen die de koopakte uiteindelijk hebben getekend. Ook bij de uiteindelijke ondertekening waren geen anderen aanwezig. Bij de verkoop aan mijn broer had ik daar wel voor gezorgd, omdat ik met hem wel eens iets qua betrouwbaarheid had gehad, maar met [gedaagde] had ik nog nooit problemen gehad. Ik heb de koopakte gemaakt die als productie 1 bij de dagvaarding zit. Ik heb één exemplaar destijds meegenomen, we hebben een kopie bij de copyshop gemaakt. Ik heb er enorm spijt van dat ik niet gewoon twee exemplaren heb meegenomen.” 2.4 Deze verklaring wordt niet ondersteund door verklaringen van de andere getuigen, althans niet uit eigen waarneming. De getuige [persoon 1] heeft weliswaar verklaard: “Bij de verkoop aan de broer van [eiser] is wel gesproken over verkoop aan [gedaagde], namelijk dat een derde deel naar [gedaagde] zou gaan en dat hij een aanbetaling zou doen. Dit was in december 2006. Dat weet ik omdat ik een cijfermens ben en voor dit soort dingen nou eenmaal een goed geheugen heb. Ik hoefde mijn geheugen niet op te frissen. Of op het moment van de verkoop aan de broer al sprake was van een akkoord met [gedaagde] weet ik niet, er was wel al sprake van zo’n akkoord” maar hieruit kan hooguit worden afgeleid dat bij gelegenheid van de verkoop aan de broer van [eiser] de verkoop aan [gedaagde] nog gesloten moest worden, zodat (wellicht) niet aannemelijk is dat die verkoop aan [gedaagde] al in 2004 heeft plaatsgevonden, anders dus dan [gedaagde] heeft gesteld. Uit de verklaring van [persoon 1] volgt echter niet enigerlei eigen waarneming ter zake de hoogte van de met [gedaagde] overeengekomen of overeen te komen koopprijs. Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat die koopsom ook niet blijkt uit de door [persoon 1] mede ondertekende koopakte ter zake de verkoop aan de broer van [eiser] (productie 8 van [eiser]). Voor zover [persoon 1] als getuige heeft verklaard over een met [gedaagde] afgesproken koopprijs van € 25.000,= moet uit zijn verklaring worden afgeleid dat hij die informatie van [eiser] heeft gekregen. Dat maakt dat aan zijn verklaring niet veel gewicht kan worden gehecht. 2.5 De andere getuigen ([persoon 2], de vader van [gedaagde] en de voormalige schoonvader van [eiser], en [persoon 3], de zuster van [gedaagde] en de ex-echtgenote van [eiser]) hebben beiden verklaard dat een koopprijs van € 16.000,= is overeengekomen. Datzelfde is ter comparitie verklaard door [persoon 4], de vrouw van [gedaagde]. 2.6 Andere bewijsmiddelen die voldoende overtuigend steun bieden aan de verklaring van [eiser] zijn er niet. De bij dagvaarding in het geding gebrachte kopie van een koopakte, waarvan het bestaan gemotiveerd is betwist, biedt die steun niet, zo volgt al uit de beslissingen op dit punt bij tussenvonnis (5.3). Dat enkele van de getuigen en ook [gedaagde] zelf in zijn processtukken op onderdelen tegenstrijdig hebben verklaard, maakt niet, anders dan [eiser] blijkens zijn conclusie na enquête kennelijk meent, dat aan hun verklaring in het geheel geen betekenis kan worden gehecht. In elk geval brengen die tegenstrijdigheden niet mee dat mede als gevolg daarvan het bewijs van het tegendeel geleverd kan worden geacht. 2.7 Bij conclusie na enquête heeft [eiser] erop gewezen dat hij en zijn ex-echtgenote [persoon 3] sinds hun echtscheiding “in (hevige) onmin” leven en dat daarmee rekening gehouden moet worden bij de beoordeling van de verklaringen van de getuigen [persoon 2] en [persoon 3]. Dat sprake is van ernstig gebrouilleerde verhoudingen had de rechtbank al afgeleid uit de overgelegde stukken, die onder meer betrekking hebben op aangifte van strafbare feiten en op een onderlinge procedure in Turkije. De rechtbank kan aan dit gegeven echter niet op verantwoorde wijze betekenis hechten voor wat betreft de waardering van de getuigenverklaringen. [eiser] maakt immers evenzeer als de getuigen van de familie [gedaagde] deel uit van die verstoorde verhoudingen. 2.8 Het voorgaande brengt mee dat [eiser] niet geslaagd is in zijn bewijsopdracht. In dat verband komt betekenis toe aan het feit dat hij partijgetuige is. Dat betekent dat zijn eigen verklaring slechts tot bewijs kan dienen als deze wordt ondersteund door voldoende overtuigend ander bewijsmateriaal. Uit het hiervoor overwogene volgt dat van dergelijk aanvullend bewijsmateriaal geen sprake is. 2.9 Waar de door [eiser] gestelde koopprijs niet kan worden vastgesteld, moet worden aangenomen dat een koopprijs van € 16.000,= is afgesproken (tussenvonnis, 5.2), waarvan in elk geval al € 5.000,= is betaald (tussenvonnis, 5.5). 2.10 Nu [eiser] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht ten aanzien van de koopprijs van € 25.000,= moet geoordeeld worden dat hij ook niet is geslaagd in het bewijs van de stelling dat twee termijnbetalingen van € 10.000,= zijn afgesproken. Die laatste stelling hangt immers noodzakelijk samen met de eerste. bewijsopdracht [gedaagde] 2.11 Ten aanzien van de aan [gedaagde] gegeven bewijsopdracht moet worden voorop gesteld dat de getuigen [persoon 2] (vader van [gedaagde] en ex-schoonvader van [eiser]) en [persoon 3] (zuster van [gedaagde] en ex-echtgenote van [eiser]) gelijkluidend hebben verklaard voor wat betreft de koopsom die [gedaagde] met [eiser] zou hebben afgesproken. Beide verklaringen houden in dat [gedaagde] dankzij spaargeld en een lening een bedrag van € 16.000,= bij elkaar heeft weten te leggen en daarmee [eiser] heeft betaald voor zijn deel van het te kopen perceel. Voorts hebben beiden verklaard dat [eiser] naar Turkije is gereisd en dit bedrag ten behoeve van de eigendomsoverdracht aan zijn schoonvader heeft gegeven. Op deze punten komen hun verklaringen ook overeen met die van [gedaagde] zelf ter comparitie. Ook heeft [gedaagde] ondersteunende stukken overgelegd bij conclusie na enquête, te weten een op 5 juli 2004 gesloten kredietovereenkomst tussen [gedaagde] en een bank, een bankafschrift waarop vermeld een overmaking van een spaarrekening van € 5.500,= en een kasopname van datzelfde bedrag, beide van begin juli 2004, en een volmacht van [eiser] aan [persoon 2] van 9 juli 2004 om onroerend goed in Turkije te kopen. 2.12 Tegenover deze bewijsmiddelen, die steun bieden aan de stelling van [gedaagde] dat hij de koopsom van € 16.000,= al heeft betaald, staan echter de volgende omstandigheden. 2.13 Een constant element in de verklaringen van zowel de getuigen [persoon 2] en [persoon 3] als die van [gedaagde] zelf ter comparitie is de omstandigheid dat in hun visie de afspraken in 2004 op de achterzijde van de originele tapu zijn geschreven en vervolgens ondertekend. [eiser] heeft evenwel als getuige verklaard dat dit niet juist kan zijn, omdat een tapu ongeldig wordt als deze door derden wordt beschreven, terwijl een tapu weer nodig is als de tenaamstelling van de eigenaar later moet worden gewijzigd (hetgeen bij dit perceel in 2007 ook is gebeurd). Bij conclusie na enquête heeft [eiser] nog eens uitdrukkelijk op deze verklaring gewezen. [gedaagde] heeft deze stelling vervolgens bij antwoordconclusie niet betwist. Aldus moet als vaststaand worden aangenomen dat een tapu niet wordt geaccepteerd als geldig eigendomsbewijs als daarop onbevoegdelijk is geschreven. Dit vaststaande feit maakt het op zichzelf weinig aannemelijk dat niettemin de tussen [eiser] en [gedaagde] gemaakte afspraken op de originele tapu zouden zijn geschreven. 2.14 Daarbij komt de stelling van [eiser] dat het papier van een originele tapu zodanig is dat het aan de ene zijde van het papier altijd zichtbaar is als ook de andere zijde is beschreven, zodat op de door [gedaagde] overgelegde kopie van de tapu uit 2004 (productie 6 conclusie van antwoord) zichtbaar zou moeten zijn dat ook de achterzijde is beschreven. [eiser] heeft een originele tapu gedeponeerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de handtekening van de ambtenaar en het stempel inderdaad enigszins door het papier drukken en aan de achterzijde zichtbaar zijn. De stellingen van [eiser] heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft gesuggereerd dat een tapu in 2004 op een ander soort papier zou kunnen zijn gedrukt. Dat is niet aannemelijk: de gedeponeerde tapu vermeldt onderaan “Ankara-2004”, op grond waarvan aangenomen moet worden dat de gedeponeerde tapu op een zelfde soort papier is gedrukt als de tapu waarmee [eiser] de eigendom van het onderhavige perceel heeft verworven, die immers uit 2004 stamt. Verder heeft [gedaagde] gesuggereerd dat mogelijk een ander afschrift van een tapu wordt verstrekt of dat er een vel achter de tapu is gehecht. Deze stellingen zijn te vaag. Als partij belast met de bewijslast had op de weg van [gedaagde] gelegen op dit punt desgewenst duidelijke en concrete stellingen in te nemen. Een en ander brengt mee dat de hier weergegeven stellingen van [eiser] als vaststaand moeten worden aangenomen. Aldus moet worden aangenomen dat de volgens [gedaagde] in 2004 met [eiser] gemaakte afspraken (enigszins) zichtbaar zouden zijn geweest op de door [gedaagde] overgelegde tapu. Nu dat niet het geval is, bestaat aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [persoon 2], [persoon 3] en [gedaagde] zelf. 2.15 Verder wijst de rechtbank nog op het volgende: - In de visie van [gedaagde] zou drie jaar verstreken zijn tussen de aankoop van het perceel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.