← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2011:BU6288

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 271674 / HA ZA 06-3000 in de zaak van de stichting PATRIMONIUMS WONINGSTICHTING TE DELFSHAVEN, gevestigd te Rotterdam, eiseres in conventie, ten aanzien van gedaagden sub 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 tevens verweerster in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J.E. Polet, tegen

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRANSFORMANAGEMENT B.V., gevestigd te Hoek van Holland, gedaagde, advocaat mr. J.G.M. Roijers,
  2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CHILSTON PARK B.V., gevestigd te Tholen, gedaagde, advocaat mr. J.G.M. Roijers,
  3. [ Gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats 1], gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. L.J. Böhmer,
  4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VALTOP CONSULTANCY B.V., gevestigd te Steenbergen, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. L.J. Böhmer,
  5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VALTOP BEHEER B.V., gevestigd te Dinteloord, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. L.J. Böhmer, [Gedaagde sub 6], wonende te [woonplaats 2], gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J. Kneppelhout,
  6. de vennootschap naar Antilliaans recht JAMABEL N.V. , gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J. Kneppelhout,
  7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ZUIDSINGEL B.V., gevestigd te Middelaar, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J. Kneppelhout,
  8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BERKENDAAL B.V., gevestigd te Mook, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J. Kneppelhout, [Gedaagde sub 10], wonende te [woonplaats 3], gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J. Kneppelhout, [Gedaagde sub 11], gevestigd te Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J. Kneppelhout,
  9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GIAM PROJECTADVIESBUREAU B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J. Kneppelhout, [Gedaagde sub 13], wonende te [woonplaats 4], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. J.F. Rense,
  10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BUBUCO B.V., gevestigd te Woudenberg, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. J.F. Rense, [Gedaagde sub 15], wonende te [woonplaats 5], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. D. Vermaat. Partijen zullen hierna PWS, Transformanagement, Chilston Park, [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy, Valtop Beheer, [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel, Berkendaal, [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11], Giam, [gedaagde sub 13], Bubuco en [gedaagde sub 15] genoemd worden. 1De procedure 1.
  11. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen d.d. 27 juli 2006, met producties; - de stukken van de ten verzoeke van PWS ten laste van Transformanagement, Chilston Park, [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy, Valtop Beheer, [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel, Berkendaal, [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11], Giam, [gedaagde sub 13], Bubuco en [gedaagde sub 15] gelegde conservatoire (derden)beslagen; - de conclusie van antwoord van de zijde van Transformanagement en Chilston Park; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie van de zijde van [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer, met productie; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie van de zijde van [gedaagde sub 6], met productie; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie van de zijde van Jamabel; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie van de zijde van Zuidsingel; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie van de zijde van Berkendaal; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie van de zijde van [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie van de zijde van [gedaagde sub 13] en Bubuco, met producties; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie van de zijde van [gedaagde sub 15], met producties; - de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende wijziging van eis, met producties; - de incidentele conclusie houdende vordering ex artikel 843a Rv van de zijde van [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal, met producties; - de conclusie van antwoord in het incident van de zijde van PWS; - de nadere akte in het incident van de zijde van [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal; - antwoordakte in het incident van de zijde van PWS; - de conclusie van dupliek van de zijde van Transformanagement en Chilston Park; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie, tevens houdende wijziging van eis van de zijde van [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer, met producties; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie van [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens houdende wijziging van eis van [gedaagde sub 13] en Bubuco, met productie; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens houdende wijziging van eis van [gedaagde sub 15], met productie; - vonnis van deze rechtbank d.d. 1 april 2009, waarbij de incidentele vordering ex artikel 843a Rv deels is toegewezen en tevens een comparitie van partijen is gelast ten aanzien van Transformanagement, Chilston Park, [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy, Valtop Beheer, [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11], Giam, [gedaagde sub 13], Bubuco en [gedaagde sub 15]; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie van [gedaagde sub 6], met producties; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie van Jamabel, met productie; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie van Zuidsingel, met producties; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie van Berkendaal, met producties; - het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 8 juli 2009, in de zaken van PWS tegen Transformanagement, Chilston Park, [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy, Valtop Beheer, [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11], Giam, [gedaagde sub 13], Bubuco en [gedaagde sub 15]; - de brief d.d. 23 juni 2009, met bijlagen, van de zijde van [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer; - de brief d.d. 24 juni 2009, met bijlagen, van de zijde van PWS; - de akte tot wijziging van eis van de zijde van PWS; - de akte houdende aanvullende producties in conventie en reconventie van de zijde van [gedaagde sub 13] en Bubuco; - de antwoordakte aanvullende producties in conventie en reconventie van de zijde van PWS; - de conclusie van dupliek in reconventie, met producties, ten aanzien van [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy, Valtop Beheer, [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11], Giam, [gedaagde sub 13], Bubuco en [gedaagde sub 15]; - de conclusie na comparitie tevens houdende wijziging van eis, met producties, ten aanzien van Transformanagement, Chilston Park, [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy, Valtop Beheer, [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11], Giam, [gedaagde sub 13], Bubuco en [gedaagde sub 15]; - de antwoordconclusie na comparitie, met producties, van de zijde van Transformanagement en Chilston Park; - de antwoordconclusie na comparitie van de zijde van [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer; - de antwoordconclusie na comparitie van de zijde van [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam; - de antwoordconclusie na comparitie, tevens houdende wijziging van eis, met producties, van de zijde van [gedaagde sub 13] en Bubuco; - de antwoordconclusie na comparitie van de zijde van [gedaagde sub 15]; - het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 28 juni 2010, in de zaken van PWS tegen [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal; - de conclusie van dupliek in reconventie, met producties, ten aanzien van [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal; - de conclusie na comparitie, tevens houdende wijziging van eis, met producties, ten aanzien van [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal; - de antwoordconclusie na comparitie van de zijde van [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal, met producties; - de nadere akte houdende aanvullende producties in conventie en reconventie van de zijde van [gedaagde sub 13] en Bubuco; - de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities. 1.
  12. De zaak tegen de oorspronkelijk als gedaagde 15 gedagvaarde [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) is ingetrokken. De conclusie van antwoord, tevens houdende de exceptie tot gefaseerde procesvoering van de zijde van [persoon 1], die door de andere gedaagden (in conventie/ eisers in [voorwaardelijke] reconventie) is ontvangen, behoort nog wel tot de processtukken. 1.
  13. Ten slotte is vonnis bepaald.
  14. De vaststaande feiten (voor wat betreft [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy, Valtop Beheer, [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel, Berkendaal, [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11], Giam, [gedaagde sub 13], Bubuco en [gedaagde sub 15] zowel in conventie als in [voorwaardelijke] reconventie) Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast. Daarbij zij opgemerkt dat het in 2.
  15. tot en met 2.
  16. en vanaf 2.
  17. gaat om vaststaande feiten tussen PWS en al haar wederpartijen. In 2.
  18. tot en met 2.
  19. zijn steeds feiten vastgesteld tussen PWS enerzijds en de in het betreffende cursieve kopje genoemde partij(en) anderzijds. PWS 2.
  20. PWS is een woningbouwstichting en is eigenaresse van een groot aantal onroerende zaken (in en om Rotterdam) die zij verhuurt. Uit dien hoofde koopt en verkoopt PWS onroerende zaken en initieert zij tevens de ontwikkeling van projecten. 2.
  21. In 1994 is de organisatie van PWS veranderd; toen werd een directeur/bestuurder aangesteld en als toezichthoudend orgaan een Raad van Toezicht ingesteld. Op grond van de statuten houdt de Raad van Toezicht toezicht op het bestuur. [bedrijf 7] 2.
  22. PWS heeft, vanaf de aankoop van de aandelen in deze vennootschap op 20 september 2000, haar activiteiten ter zake van projectontwikkeling ondergebracht in [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7]). 2.
  23. Alle aandelen in [bedrijf 7] worden gehouden door de Stichting VH2000+ (opgericht door PWS op 23 augustus 2000). [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) is van augustus 2000 tot begin 2006 voorzitter van de Raad van Advies van de Stichting VH2000+ geweest. 2.
  24. Valtop Consultancy, vertegenwoordigd door haar directeur [gedaagde sub 3], is van 20 september 2000 tot 11 september 2002 statutair directeur van [bedrijf 7] geweest. [persoon 2] 2.
  25. In de periode van juli 1998 tot oktober 2005 heeft [persoon 2] als enig statutair bestuurder/directeur van PWS gefungeerd. 2.
  26. PWS heeft [persoon 2] op 7 februari 2006 op staande voet ontslagen als werknemer van PWS. 2.
  27. Als enig statutair bestuurder van PWS heeft [persoon 2] PWS in de periode juli 1998 tot oktober 2005 vertegenwoordigd bij alle koopovereenkomsten die PWS is aangegaan ter zake van de aan- en verkoop van (pakketten) onroerende zaken. Ook overeenkomsten met tussenpersonen, taxateurs, makelaars en andere adviseurs zijn vrijwel steeds aangegaan door [persoon 2] als directeur/bestuurder van PWS. 2.
  28. Op grond van de statuten van PWS behoefde [persoon 2] in de periode juli 1998 – oktober 2005 de voorafgaande goedkeuring van de Raad van Toezicht van PWS voor onder meer de aan- en verkoop(beslissingen) van (pakketten) onroerende zaken. 2.
  29. In een civiele procedure waarin PWS [persoon 2] aansprak op basis van artikel 7:661 Burgerlijk Wetboek (BW) is op 26 mei 2009 arrest gewezen door het gerechtshof te ‘s-Gravenhage; [persoon 2] is daarbij veroordeeld tot betaling aan PWS van € 5.445.394,
  30. Tegen dit arrest is door [persoon 2] beroep in cassatie ingesteld, waarop nog niet is beslist. Transformanagement/Chilston Park 2.
  31. [ persoon 2] is directeur/enig aandeelhouder van Transformanagement. Transformanagement is enig statutair bestuurder van Chilston Park. [gedaagde sub 6] 2.
  32. [ gedaagde sub 6] is in 1987 in dienst van PWS getreden als procuratiehouder met de titel directeur en is kort daarna toegetreden tot de Raad van Bestuur. Na de reorganisatie van PWS was hij in de periode van 9 september 1994 tot 5 oktober 2004 voorzitter van de Raad van Toezicht van PWS. Hij werd opgevolgd door de huidige voorzitter van de Raad van Toezicht, de heer [persoon 3] (hierna: [persoon 3]). In de periode van 5 oktober 2004 tot 17 oktober 2005 was [gedaagde sub 6] vice-voorzitter van de Raad van Toezicht van PWS. Jamabel/Berkendaal/Zuidsingel 2.
  33. [ gedaagde sub 6] houdt 84% van de aandelen in Jamabel. De resterende 16% wordt gehouden door zijn vier kinderen, onder wie [gedaagde sub 13] Directeur van Jamabel is [persoon 4], een dochter van [gedaagde sub 6] 2.
  34. Jamabel is 100% aandeelhouder van Berkendaal en 100% aandeelhouder/enig statutair bestuurder van Zuidsingel. [gedaagde sub 6] is enig statutair bestuurder van Berkendaal. [gedaagde sub 3] 2.
  35. [ gedaagde sub 3] was in de periode van 1998 tot 2000 interim hoofd projectontwikkeling bij PWS. Hij hield zich op exclusieve basis voor PWS bezig met ontwikkeling en realisering van bestaand en nieuw onroerend goed. 2.
  36. Tussen 2000 en 2005 werden de werkzaamheden van [gedaagde sub 3] beheerst door de hierna onder 2.
  37. te noemen overeenkomsten van PWS met Valtop Consultancy. 2.
  38. Vanaf begin 2005 heeft [gedaagde sub 3], op verzoek van ([persoon 2] namens) PWS, een afdeling vastgoed PWS opgezet. Medio 2005 was deze operationeel. Valtop Consultancy/[gedaagde sub 3] had een werkplek bij en ondersteuning van PWS. Valtop Beheer/Valtop Consultancy 2.
  39. [ gedaagde sub 3] is sedert het begin van de jaren

(19)90 enig statutair bestuurder/directeur van Valtop Beheer. Valtop Beheer is enig statutair bestuurder van Valtop Consultancy. 2.19. Valtop Consultancy heeft op 1 februari 2000 met PWS een basisovereenkomst en een projectovereenkomst gesloten. 2.19.1. De basisovereenkomst vermeldt, voor zover van belang: Artikel 1: “Valtop Consultancy B.V. stelt aan Patrimoniums Woningstichting te Delfshaven de heer ir. [gedaagde sub 3] beschikbaar om als interim-manager geheel zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid de werkzaamheden uit te voeren, zoals omschreven in punt 1 van de als bijlage hierbij gevoegde projectovereenkomst tussen Valtop Consultancy B.V. en haar opdrachtgever, Patrimoniums Woningstichting te Delfshaven.” Artikel 7: “Valtop Consultancy B.V. declareert aan Patrimoniums Woningstichting te Delfshaven tegen een tarief van f 1950,= per aan de in artikel 1 bedoelde opdracht bestede werkdag, inhoudend acht uren.” 2.19.2. De als bijlage bij de basisovereenkomst gevoegde projectovereenkomst luidt, voor zover van belang: Punt 1: “Taken 1.1 Adviseren van de bestuurder van PWS. 1.2 Vertegenwoordigen van PWS, voor zover het ontwikkelingsactiviteiten betreft in collegiaal overleg en in extern overleg. 1.3 Adviseren van de nieuw op te richten afdeling “commercieel vastgoed”.” Punt 5.3: “Ontwikkelingsprojecten binnen de regio Rijnmond zullen exclusief aangeboden worden aan PWS of aan haar gelieerde organisaties. Indien van het project afgezien wordt, is Valtop vrij naar eigen inzicht het project verder ter hand te nemen.” 2.20. Nadat Valtop Consultancy was teruggetreden als directeur van [bedrijf 7] heeft Valtop Consultancy management- en advieswerk voor [bedrijf 7] verricht. [gedaagde sub 11]/Giam 2.21. [ gedaagde sub 10] is enig aandeelhouder en statutair bestuurder van [gedaagde sub 11]. De (ex-)echtgenote van [gedaagde sub 10], mevrouw [persoon 5], is enig aandeelhouder en statutair bestuurder van Giam (geweest). [gedaagde sub 13]/Bubuco 2.22. [ gedaagde sub 13] is enig aandeelhouder en statutair bestuurder van Bubuco. [gedaagde sub 15] 2.23. [ gedaagde sub 15] was in de periode 1997-2000 directeur van [bedrijf 1], één van de vennoten van [bedrijf 2]. 2.24. Een overeenkomst tussen [gedaagde sub 15] (namens [bedrijf 2] en in privé) en Jamabel houdt onder meer in dat [bedrijf 2] na het aangaan van een overeenkomst met PWS inzake de koop en herontwikkeling van het project Kwarts (in dit geding ook aangeduid als St. Jacobsplaats) aan Jamabel een vaste vergoeding verschuldigd is van in totaal ƒ 1.500.000,=. Deze overeenkomst is gedateerd 28 januari 1998 en is ondertekend met twee onleesbare handtekeningen zonder naamsvermelding. 2.25. Een overeenkomst tussen [gedaagde sub 15] (namens [bedrijf 2] en in privé) en Jamabel, aangeduid met code D/132, houdt onder meer in dat [bedrijf 2] een eenmalige vergoeding betaalt aan Jamabel ten bedrage van ƒ 350.000,= onder de voorwaarde “dat Jamabel NV en haar adviseur zich sterk zullen maken om PWS er van te overtuigen dat de verkoopprijs (ad fl 220.000,-) wordt verhoogd tot fl 260.000,- waarbij de opbrengst voor PWS hetzelfde blijft”. Deze overeenkomst is ongedateerd en alleen namens Jamabel ondertekend. 2.26. Een overeenkomst tussen [gedaagde sub 15] (namens [bedrijf 2] en in privé) en Jamabel houdt onder meer in dat [bedrijf 2] een vergoeding betaalt aan Jamabel gelijk aan 4 x 105 x ƒ 5.000,= (derhalve ƒ 2.100.000,=) onder de voorwaarde “dat Jamabel NV en haar adviseur zich sterk zullen maken om PWS er van te overtuigen dat de verkoopprijs (ad fl 220.000,-) wordt verhoogd tot fl 260.000,- waarbij de opbrengst voor PWS hetzelfde blijft”. Deze overeenkomst is ongedateerd en namens [gedaagde sub 15], [bedrijf 2] en Jamabel ondertekend. Op deze overeenkomst staat op pagina 2 bij de paragraaf beginnende met: “Betaling van de overeengekomen vergoeding zal plaatsvinden…” met pen de volgende tekst bijgeschreven: 1) een bedrag ad 500.000,- 2) een bedrag ad 800.000,- 3) een bedrag ad 800.000,- Onderaan pagina 2 staat met pen de volgende tekst bijgeschreven: 1 en 2 betaald. 2.27. Een als bijlage 5 bij het rapport van 17 maart 2006 van Ernst & Young Security & Integrity Services B.V. (hierna: Ernst & Young) gevoegde overeenkomst tussen PWS en [bedrijf 2] houdt in: “ IN AANMERKING NEMENDE: dat PWS erfpachtster is van een perceel grond, gelegen te Rotterdam nabij de Sint Jacobsplaats (…). (…) dat PWS een gedeelte van de op de voornoemd perceel gerealiseerde woningen wenst te verkopen. (…) dat de Woningen gerenoveerd dienen te worden. (…) VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT: Artikel 1. 1.1 PWS verkoopt aan [bedrijf 2] gelijk [bedrijf 2] van PWS koopt 110 Woningen als in de considerans omschreven, hierna ook omschreven als “het Verkochte”. 1.2 De koopsom, hierna te noemen “de Koopsom”, bedraagt f 8 miljoen. (…) 1.4 De betaling van de koopsom vindt plaats zodra [bedrijf 2] de Woningen met inachtneming van deze overeenkomst heeft gerenoveerd en opgeleverd aan de uiteindelijke kopers. 1.5 Levering van de appartementsrechten vindt op het in het vorige lid bedoelde moment plaats door PWS aan de uiteindelijke koper. (…) Artikel 3. (…) 3.2 De stichtingskosten van de Woningen bedraagt gemiddeld f 220.000,- per woning, levering vrij op naam.” Deze overeenkomst is gedateerd 28 januari 1998 en is namens PWS en [bedrijf 2] ondertekend met twee onleesbare handtekeningen zonder naamsvermelding. 2.28. Een door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) aangetroffen document, aangeduid met code D/126, houdt in: “Waarde [gedaagde sub 15], bijgevoegd zend ik je, zoals wij afspraken, de declaratie voor de termijn van de Jacobsplaats ad fl. 800.000,- Na ontvangst van de betaling zal ik een bedrag ad. Fl. 200.000,- door storten naar [gedaagde sub 15] Holding b.v. bij nummer 36.17.05.603. of een andere door jou op te geven bestemming. Ik heb met de andere partners afgesproken dat de laatste overeengekomen termijn eerst per eind februari 2000 zal worden gedeclareerd. Met betrekking tot het projekt aan de Noord Molenwerf had ik een gesprek met [persoon 2]. (…) Ik maakte met behulp van jouw cijfermateriaal de volgende berekening. (…) waardoor het bod naar PWS te stellen is op vrij op naam 13.000 ** hierdoor resteert 1.590 aftrekbare btw over verwervingskosten 1.715 beschikbaar voor pensioenfonds 3.305 ** Met het plaatsen van ** bedoel ik dat er een relatie ligt tussen deze getallen. Mag ik van jou vernemen of dit een basis is om verder over te spreken. Overigens besprak ik het concept met [persoon 2].” Ernst & Young onderzoek 2.29. PWS heeft naar aanleiding van de doorzoeking door de FIOD (zie onder 2.30.) aan Ernst & Young opdracht gegeven een onderzoek in te stellen. Het doel van het onderzoek was om feiten en omstandigheden te achterhalen die een indicatie kunnen geven voor de vraag of PWS bij onroerend zaaktransacties is benadeeld en zo ja, voor welke bedragen. Daarnaast werd met het onderzoek beoogd te achterhalen welke (rechts)personen bij die eventuele benadeling betrokken (zouden kunnen) zijn geweest. Ernst & Young heeft haar bevindingen neergelegd in twee rapporten van respectievelijk 14 februari 2006 (hierna: E&Y rapport I) en van 17 maart 2006 (hierna: E&Y rapport II). Het onderzoek heeft zich gericht op de periode van (15 juli) 1998 tot en met 2005. Strafrechtelijk onderzoek 2.30. Op 3 oktober 2005 heeft in het kader van een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD een doorzoeking plaatsgevonden bij PWS in verband met het vermoeden van frauduleuze vastgoedtransacties. Het strafrechtelijk onderzoek richtte zich op [persoon 2], [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 3]. Ook bij [persoon 2] en [gedaagde sub 6] zijn huiszoekingen gedaan. 2.31. PWS heeft op 11 april 2006 aangifte gedaan van onder meer valsheid in geschrift en/of oplichting. PWS is door het Openbaar Ministerie, met het oog op haar positie in het kader van het strafrechtelijk (voor)onderzoek, aangemerkt als benadeelde partij. 2.32. De FIOD heeft bij haar doorzoeking in de woning van [gedaagde sub 6] drie documenten aangetroffen met als opschrift “Advies activiteiten en de partners in 2000”, “Advies activiteiten en de partners in 2001” en “[voornamen]”, welk laatste document betrekking heeft op de jaren 2002/2003 (aangeduid met code D/001, D/002 respectievelijk D/003). 2.32.1. Het geschrift aangeduid met code D/001 luidt: 2.32.2. Het geschrift aangeduid met de code D/002 luidt: 2.32.3. Het geschrift aangeduid met code D/003 luidt: 2.33. Een brief van 3 februari 2005 van [persoon 2] aan [gedaagde sub 11] (bijlage 18 bij E&Y rapport I) houdt in: “Op 25 juni 2001 hebben wij met elkaar afgesproken dat uw bemiddelingsfee bij aan- en verkopen van bestaande en nieuwbouw woningen 1% van het aan- of verkoopbedrag exclusief BTW bedroeg. Gezien de veranderde marktomstandigheden hebben wij in overleg met u afgesproken dat voor de huidige transactie deze fee wordt verlaagd naar 0,75% (…).” 2.34. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/75) met als opschrift “Overzicht 2001: Bremermax provisie Aelbrechtkade te Rotterdam” d.d. 22 november 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 6] en [persoon 7], beiden ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, houdt in: “ RESUMÉ Door [gedaagde sub 10] wordt op 7-8-2001 fl 75.000,- gestort op de bankrekening van Jamabel NV bij de ABN-AMRO te Rotterdam. [gedaagde sub 6] stort vervolgens van de Zwitserse bankrekening van Jamabel NV twee maal (het equivalent hiervan in Zwitserse francs) fl 25.000,- door op Zwitserse bankrekeningen van [persoon 2] en [gedaagde sub 3]. (…) [gedaagde sub 6] vermeldt bij de overboekingen naar [persoon 2] en [gedaagde sub 3] de omschrijving: “25.000 inzake Bremermax”. (…) Tevens heeft [gedaagde sub 10] de bemiddelingsprovisie die hij in [gedaagde sub 11] BV heeft ontvangen van P.W.S. ad fl 24.500,- met de drie functionarissen van P.W.S. gedeeld door fl 18.000,- over te maken aan Valtop Consultancy BV van [gedaagde sub 3].” 2.35. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/70) met als opschrift “Overzicht 2000: Comanco NV” d.d. 22 november 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 6] en [persoon 7], voornoemd, houdt in: “ RESUMÉ Eljawa Beheer BV heeft fl 10.600.000 ontvangen voor de onroerende zaaktransactie van Giam Projectadviesbureau BV ([gedaagde sub 10]), onder voorwaarde dat Eljawa Beheer BV fl 1.454.831 doorstort op een rekening van Comanco NV waarover [gedaagde sub 10] de beschikking had. (…) Giam heeft voor fl 12.200.000 de van Eljawa Beheer BV gekochte onroerende zaken met een aantal andere onroerende zaken doorverkocht aan P.W.S. (…) Van de provisie van Eljawa Beheer BV ad fl 1.454.831 heeft [gedaagde sub 10] van de rekening van Comanco NV fl 1.144.113 doorbetaald aan Jamabel NV. (…) [gedaagde sub 6] betaalde vervolgens fl 368.023 door aan zowel [gedaagde sub 3] als [persoon 2] op hun Zwitserse bankrekening.” 2.36. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/76) met als opschrift “Overzicht 2001: [gedaagde sub 11]: Slaakhuys (en Rijnhotel)” d.d. 22 november 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 6] en [persoon 7], voornoemd, houdt in: “D/380 Een afgedrukt e-mailbericht van Jamabel NV [e-mailadres 1] (…) gedateerd woensdag 24 oktober 2001 om 16.06 uur, met als onderwerp: de appeltjes!!!!!!!!!. Het e-mailbericht heeft de volgende tekst: Middelaar, 24 oktober 2001 Waarde [voornaam], Heden vlogen 60.625 appeltjes uit de hotelgaard naar de boompjesdijk, eigenlijk 62.500 maar Swiss air moet ook blijven vliegen. De peertjes van onze [gedaagde sub 10] aan het sluisje zijn ook gaar, en consumeerbaar als je me vertelt waar je wilt eten. Met immer vriendelijke groet, Uw dw. Inhaler” (…) “ RESUMÉ Provisie voor [gedaagde sub 10] [gedaagde sub 10] en [persoon 8] ad fl 500.000,- van [bedrijf 3] Door [gedaagde sub 10] [gedaagde sub 10] en [persoon 8] worden de koper (P.W.S.) en de verkoper ([bedrijf 3]) van het pand “Slaakhuys” aan de Slaak 34 te Rotterdam bijeengebracht. Hiervan ontvangen zij een provisie van [bedrijf 3] ad fl 500.000,- (…). Zo maakt [persoon 8] de helft hiervan over naar een rekening van [gedaagde sub 10]. (…) [gedaagde sub 10] op zijn beurt keert ¾ van zijn deel uit aan Jamabel NV, om te delen met [gedaagde sub 6], [gedaagde sub 3] en [persoon 2]. (…) Ieder komt derhalve één vierde deel ad fl 62.500,- toe. Het deel voor [persoon 2] en [gedaagde sub 3] wordt door [gedaagde sub 6] verminderd met 3% van dit bedrag (…). Hierdoor ontvangen [persoon 2] en [gedaagde sub 3] uiteindelijk ieder fl 60.625,-. (…) [gedaagde sub 6] komt derhalve fl 62.500 + 2 maal fl 1.875 = fl 66.250 toe. (…) Ophoging koopprijs “Slaakhuys” Los hiervan wordt door [gedaagde sub 10] [gedaagde sub 10] (…) de koopprijs van het pand “Slaakhuys” bij [bedrijf 3] verhoogd met fl 1.500.000,-. (…) Dit bedrag wordt door [bedrijf 3] uitgekeerd aan [gedaagde sub 11] BV. Van dit bedrag wordt door [gedaagde sub 11] fl 199.580,- aan omzetbelasting verschuldigd aan de Belastingdienst. Het restant ad fl 1.300.420 wordt vervolgens gelijkelijk verdeeld over [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 6], [persoon 2] en [gedaagde sub 3]. Ieder komt derhalve één vierde deel ad fl 325.105,- toe. Het deel voor [persoon 2] en [gedaagde sub 3] wordt door [gedaagde sub 6] verminderd met 3% van dit bedrag (…). Hierdoor ontvangen [persoon 2] en [gedaagde sub 3] uiteindelijk ieder fl 315.352,-. [gedaagde sub 6] komt derhalve fl 325.105 + 2 maal fl 9.753 = fl 344.611 toe. (…) Bemiddelingsfee voor [gedaagde sub 11] BV inzake transactie “Slaakhuys” Naast het delen in zowel de provisie als de verhoging van de koopprijs van het “Slaakhuys” deelt [gedaagde sub 10] ook de door hem ontvangen courtage/bemiddelingsfee ad fl 112.000,- die [gedaagde sub 11] BV aan P.W.S. mocht factureren. Hij deelt dit wederom gelijkelijk met [gedaagde sub 6], [persoon 2] en [gedaagde sub 3]. Ieder komt derhalve één vierde deel ad fl 28.000,- toe. Het deel voor [persoon 2] en [gedaagde sub 3] wordt door [gedaagde sub 6] verminderd met 5% van dit bedrag (…). Hierdoor ontvangen [persoon 2] en [gedaagde sub 3] uiteindelijk ieder fl 26.600,- hiervan. [gedaagde sub 6] komt derhalve fl 28.000 + 2 maal fl 1.400 = fl 30.800 toe. [persoon 2] heeft dit geld via Jamabel NV op de bankrekening van zijn zoon [persoon 9] ontvangen. [gedaagde sub 3] heeft dit geld via Jamabel NV op zijn Zwitserse bankrekening ontvangen.” 2.37. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/10) d.d. 21 september 2005, opgemaakt en ondertekend door [persoon 10] en [persoon 11], beiden ambtenaar van de Belastingdienst, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, houdt in: “Op 30 december 2002 heeft Eljawa Beheer BV in één levering 194 onroerende zaken verkocht aan TKN Totaal Kantoorautomatisering Nederland BV (hierna TKN) voor een koopprijs van € 11.219.797,70. Op dezelfde dag zijn deze onroerende zaken, eveneens in één levering door TKN doorverkocht aan Patrimoniums Woningstichting te Delfshaven (hierna PWS) voor een bedrag van € 13.345.707,16.” 2.38. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling met als opschrift “Overzicht 2002/2003: Pakket Groot deel 1 (via Atta) Compagnie (via Atta)” (aangeduid met PV-code AH/79) d.d. 22 november 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 6] en [persoon 7], voornoemd, houdt in “D/232 Een document met de volgende tekst: [persoon 2], Bijgevoegd de samengestelde declaratie van Bubuco ten behoeve van onze vriend. Kun jij hem deze morgenvroeg per fax doen toekomen zodat hij per omgaande telefonisch kan betalen. Het is een samenvoeging van; 115.200 118.125 --------- 233.325 aftrek 118.750 500/4-5% voor omweg --------------------------------------------- 114.575 Het origineel zend ik per post morgen naar zijn adres. Gegroet, [voornaam]” (…) “ RESUMÉ P.W.S. heeft via Atta Makelaars BV gezocht naar onroerende zaken in Rotterdam om in te investeren. Atta heeft middels zijn contacten met [persoon 12] een “projekt” gevonden. (…) de betrokken onroerende zaken zijn uiteindelijk afkomstig van [persoon 13] en zijn Eljawa Beheer BV. Eljawa Beheer BV verkoopt aan TKN BV van [persoon 12] en vervolgens verkoopt TKN BV op zelfde dag door aan P.W.S. (…) € 500.000,- via Bubuco BV Uit de transactiewinst voor TKN BV wordt direct bij de notaris een provisie aan Bubuco BV betaald ter grootte van € 500.000,- (exclusief € 95.000,- BTW). (…) [gedaagde sub 13], zoon van [gedaagde sub 6], [is] directeur van Bubuco BV (…). [gedaagde sub 6] droeg vervolgens zorg voor het doorsluizen van deze provisie naar [persoon 2] (…), [gedaagde sub 3] (…) en naar (…) Atta Makelaars BV. Vervolgens heeft Bubuco BV doorbetaald aan Transformanagement BV (van [persoon 2]) en aan [gedaagde sub 6] via Berkendaal BV (…) en verrekend met Atta Makelaars. (…) € 600.000,- in contanten Daarnaast wordt de transactiewinst voor TKN BV door de notaris uitgekeerd op de privébankrekening van [persoon 12]. Van de privébankrekening van [persoon 12] worden door [persoon 12] diverse contante opnamen gepleegd. (…) Courtage TKN-deal Tevens is de courtage met betrekking tot de TKN-deal ad € 192.000,- die Atta Makelaars aan P.W.S. heeft gefactureerd door [persoon 1] gedeeld met de functionarissen van P.W.S. en [persoon 12] van TKN BV. Ieder komt van deze courtage derhalve € 192.000,- gedeeld door 5 is € 38.400,- toe. Courtage projekt “Compagnie” Daarnaast is eveneens de courtage met betrekking tot een onroerende zaak transactie genaamd “compagnie (via Atta)” ad € 157.500,- die Atta Makelaars aan P.W.S. heeft gefactureerd door [persoon 1] gedeeld met de functionarissen van P.W.S. Deze courtage heeft [persoon 1] middels Atta Makelaars aan P.W.S. gefactureerd. Ieder komt van deze courtage derhalve € 157.500,- gedeeld door 4 is € 39.375,- toe.” 2.39. Door de FIOD is aangetroffen een factuur d.d. 5 januari 2003 van Bubuco aan Marritta Management B.V. voor een bedrag van € 500.000,= vermeerderd met € 95.000,= BTW, aangeduid met code D/248. De omschrijving op de factuur luidt: “Vergoeding voor de informatie- en databestanden ten behoeve van een inventarisatie en herontwikkeling advies van onroerend goed projecten alsmede een bijdrage in de reis en verblijfkosten.” 2.40. Door de FIOD is aangetroffen een factuur d.d. 14 januari 2003 van Bubuco aan Atta Makelaars B.V. voor een bedrag van € 114.575,= vermeerderd met € 21.769,25 BTW, aangeduid met code D/249. De omschrijving op de factuur luidt: “Beoordeling, advisering en advies alsmede tot standkoming overeenkomst.” 2.41. Door de FIOD is aangetroffen een factuur (creditnota) d.d. 2 maart 2003 van Bubuco aan Atta Makelaars B.V. voor een bedrag van € 3.740,38 vermeerderd met € 710,67 BTW, aangeduid met code D/250. De omschrijving op de factuur luidt: “Wegens overeengekomen vermindering van honorarium”. 2.42. Een door de FIOD aangetroffen declaratie d.d. 6 augustus 1999 van Jamabel aan Almeas V.O.F./[gedaagde sub 15], aangeduid met code D/228, houdt in: “Conform overeenkomst met [gedaagde sub 15] van 12 maart 1999 heeft onze onderneming met de U bekende partners zich ingespannen met betrekking tot de realisatie van het woningbouwproject gelegen aan de St. Jacobsplaats te Rotterdam. Wij kwamen voor onze honorering een vaste vergoeding overeen op basis van no-cure, no pay, die thans ineens invorderbaar is, wij declareren derhalve de derde termijn. overeengekomen vergoeding fl. 800.000,-“ 2.43. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/77) met als opschrift “Overzicht 2002/2003: [pakket 1] (via Atta) en Pakket Groot deel 2 (via Atta)” d.d. 22 november 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 6] en [persoon 7] voornoemd, houdt in: “D/231 Een document aanvangend met “Ff de onderbouwing” en eindigend met “28.11.2002”. In dit document staat uitgewerkt dat Valtop € 260.677 aan [partij 1] declareert, dat de courtage ad € 35.940,- van Atta aan Patrimoniums Woningstichting te Delfshaven hierbij wordt opgeteld, waarna het totaal bedrag in vieren wordt gedeeld, (zodat Atta na de ontvangen courtage van € 35.940,- nog € 38.214,25 toekomt. Opmerking verbalisanten: dit komt overeen met één vierde deel van het totaalbedrag. (…) D/230 Een E-mail van Valtop Consultancy BV / [gedaagde sub 3] aan Carpe diem (opmerking verbalisanten: carpe diem staat vermoedelijk voor [gedaagde sub 6]) en [persoon 2] [persoon 2]. Verzonden op vrijdag 20 december 2002 om 19.04 uur. Hierin staat onder andere vermeld: Onderwerp: Faktuur [bedrijf 10].xls Tekst: Vrienden, het is binnen!!!!!!!!!!!! Ik zie jullie facturen tegemoet!! Gr [gedaagde sub 3] Aan deze e-mail is een factuur zonder koptekst gehecht gedateerd 18 december 2002, gericht aan [bedrijf 10] met de volgende omschrijving: “Hierbij doen wij u onze faktuur toekomen voor herontwikkeling en adviezen in zake woningen en bedrijfsruimten diverse complexen”. Het gefactureerde bedrag bedraagt € 283.970 vermeerderd met 53.954,30 omzetbelasting.” (…) “ RESUMÉ [persoon 1] (Atta) heeft twee maal een onroerende zaaktransactie tot stand gebracht tussen P.W.S. (koper) en (een BV van) [persoon 14] (verkoper). In beide gevallen is de koopprijs voor P.W.S. verhoogd met een bedrag gelijk aan één maal de jaarhuur van het aangekochte “projekt”. Voor “[pakket 1] (via Atta)” werd de koopprijs opgehoogd met € 260.676,72 en voor “Pakket Groot deel 2 (via Atta)” werd de koopprijs opgehoogd met € 283.970,-. (…) In het geval van het projekt “[pakket 1] (via Atta)” heeft [persoon 1] de door Atta Makelaars BV van Patrimoniums Woningstichting te Delfshaven ontvangen courtage gedeeld met de betrokken functionarissen van P.W.S. Daarnaast is naar voren gekomen dat de gelden waarmee de koopprijzen van de onroerende zaken – zowel voor “[pakket 1] (via Atta)” als voor “Pakket Groot deel 2 (via Atta)” – voor P.W.S. zijn opgehoogd verdeeld zijn onder Atta ([persoon 1]), [gedaagde sub 6], [gedaagde sub 3] ([gedaagde sub 3]) en [persoon 2] ([persoon 2]). De delen van Atta, [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 3] en [persoon 2] zijn op rekening van besloten vennootschappen van betrokkenen terechtgekomen. Dit met uitzondering van het deel van [persoon 2] ([persoon 2]) met betrekking tot het projekt “[pakket 1] (via Atta)”. Ten aanzien van deze transactie is een bedrag groot € 74.000,- op de Zwitserse bankrekening van [persoon 2] terechtgekomen.” 2.44. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/71) met als opschrift “Overzicht 2000: Almaes inzake Jacobsplaats” d.d. 22 november 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 6] en [persoon 7] voornoemd, houdt in: 2.45. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/78) met als opschrift “Overzicht 2002/2003: Pleinweg (via Bremamax)” d.d. 22 november 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 6] en [persoon 7] voornoemd, houdt in: “D/406 Een document gelijkend op D/003: het overzicht over 2002/2003 met als opschrift/kop de volgende tekst: “[gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 3]”, waarop diverse penaantekeningen staan vermoedelijk met betrekking tot de verdeling van gelden met betrekking tot het projekt “Pleinweg (via Bremamax). De regel met betrekking tot dit project is geel gearceerd. Opmerkingen verbalisanten Op dit overzicht staan onder andere de volgende met rode pen geschreven aantekeningen: “326.231,21 / 3 108.743,74” Op de geel gearceerde regel staan de volgende bedragen: bij “Eventuele courtage”: 94.746, en bij “Oorspronk. bedrag”: 348.175 Onderaan het document staat geschreven: 108.743,74 - 100.000,- prive 8743,94 res Jamabel Het document is aangetroffen in een mapje met opschrift “Pleinweg – Bremermax via jamabel (geen decl) december 2002” Het bedrag vermeld bij “Oorspronk. bedrag” ad (€) 348.175 komt overeen met het bedrag op bijlage D/234: “Pleinweg ½ X huur = ca € 348.175,-“. Het bedrag bij “Eventuele courtage” ad (€) 94.746 wijkt af ten opzichte van “Courtage Bremamax = € 94.007,-“. (…) D/234 Een faxbericht van [persoon 2], vermoedelijk aan [gedaagde sub 6]. In het faxbericht staat het volgende: Theo Pleinweg [gedaagde sub 10] belt je en Atta Belt je Pleinweg ½ X huur = ca € 348.175,- <- ----- I Courtage Bremamax = € 94.007,- I Koopsom = € 9.400.746,60 kk gebaseerd op 13,5 X huur Totaal/4 = € 442.182/4” (…) “ RESUMÉ [gedaagde sub 10] heeft een onroerende zaaktransactie tot stand gebracht tussen P.W.S. (koper) en [persoon 15] (verkoper). De koopprijs voor P.W.S. is door functionarissen van P.W.S. (…) verhoogd met een bedrag van ongeveer een half maal de jaarhuuropbrengst van het aangekochte “projekt”. (…) Naar voren is gekomen dat dit geld, waarmee de koopprijs van het projekt “Pleinweg (via Bremamax” voor P.W.S. is opgehoogd, verdeeld is onder [gedaagde sub 11] ([gedaagde sub 10]), ([gedaagde sub 6]), ([gedaagde sub 3]) en [persoon 2] ([persoon 2]). (…) Daarnaast heeft [gedaagde sub 10] de door Bremamax Beheer en Beleggingen BV (een vennootschap van [gedaagde sub 10]) van Patrimoniums Woningstichting te Delfshaven ontvangen courtage gedeeld met de betrokken functionarissen van P.W.S. ([gedaagde sub 6]) heeft van zijn aandeel ad € 108.743,- een bedrag groot € 100.000,- via Jamabel NV op zijn internetspaarrekening gestort. [persoon 2] ([persoon 2]) heeft zijn aandeel ad € 108.743,- via Jamabel NV op zijn Zwitserse bankrekening laten storten door [gedaagde sub 6]. (…) [gedaagde sub 10] heeft zijn aandeel genoten op rekening van [gedaagde sub 11] BV en Bremamax Beheer en Beleggingen BV.” 2.46. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/72) met als opschrift “Overzicht 2000 en 2001: Dunehold” d.d. 22 november 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 6] en [persoon 7] voornoemd houdt in: “ RESUMÉ (…) Dunehold BV heeft (…) fl 1.306.138,- aan winst uitgekeerd aan Jamabel NV. Hiervan is in 2000 fl 600.000,- en in 2001 fl 600.000,- verdeeld onder (…) [persoon 2], (…) [gedaagde sub 6] (…) alsmede (…) [gedaagde sub 3] (…). Het geld is vanuit Jamabel gedeeltelijk (onder inhouding van het deel van [gedaagde sub 6] ad fl 212.000 + fl 406.000 = fl 618.000,-) doorbetaald aan [persoon 2] (fl 194.000 + fl 74.000 = fl 268.000,- op Zwitserse rekening en fl 23.000 op rekening van B. Buschman [persoon 2]) en [gedaagde sub 3] (fl 194.000 + fl 97.000 = fl 291.000,- op Zwitserse rekening). De eindafrekening van Dunehold BV ad fl 106.138,- wordt door [gedaagde sub 6] op 6-8-2003 ontvangen op de bankrekening van Jamabel NV. [gedaagde sub 6] boekt dit bedrag vervolgens geheel over naar zijn privérekening.” 2.47. Een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (aangeduid met PV-code AH/49) d.d. 25 januari 2006, opgemaakt en ondertekend door [persoon 7] voornoemd, houdt in: “D/324 Door mij werd een document aangetroffen, waarvan door mij een afdruk is gemaakt. Dit document heb ik aangetroffen op de databestanden, afkomstig van de computer inbeslaggenomen op het adres te Steenbergen (…). Op deze afdruk is ondermeer het volgende te lezen: Message 0003 From: [e-mailadres 1] Date: Tue, 10 sep. 2002 12:40:08 + 0200 To: “[gedaagde sub 3], [e-mailadres 3] [e-mailadres 2] Subject: <No Subject> Message Body Waarde Vrienden, Ik pleegde overleg met onze [persoon 16] over de beloning van onze geweldige denk inspanningen om zijn projecten succesvol te doen verlopen. Ik declareerde heden een bedrag groot euro 22.800,-, derhalve per partner euro 7.600,- Mag ik van jullie een aan Berkendaal b.v. gerichte declaratie ontvangen voor genoemd bedrag. Na ontvangst door mij zal ik dan e.e.a. door betalen. Ik reken op tevredenheid voor mijn inspanningen. Met groet [gedaagde sub 6]. D/235 Door mij werd een document aangetroffen, waarvan door mij een afdruk is gemaakt. Dit document heb ik aangetroffen op de databestanden, afkomstig van de computer inbeslaggenomen op het adres te Middelaar (…). Op deze afdruk is ondermeer het volgende te lezen: (…) From: [persoon 2] [persoon 2] Date: 20-9-2002(..) To: [e-mailadres 1] Message Body Beste vriend, zou het mogelijk zijn om jou (…) op Jamabel NV een factuur te sturen (…) Bij voorbaat mijn dank en niet doorsturen naar de leden van de RvT (…) [persoon 2](op vrijdagmiddag doe ik leuke dingen zoals dit)” 2.48. Tegen [persoon 2], [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 3] loopt thans een strafrechtelijk vooronderzoek. 2.49. Het strafrechtelijk (voor)onderzoek dat zich richtte tegen Bubuco, Valtop Consultancy, Transformanagement en Berkendaal als verdachten heeft geleid tot een sepot. Ook het strafrechtelijk (voor)onderzoek dat zich richtte tegen [gedaagde sub 15] heeft geleid tot een sepot nadat [gedaagde sub 15] had voldaan aan de door de Officier van Justitie gestelde voorwaarde. 3Het geschil in conventie 3.1. De gewijzigde vordering luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - Transformanagement hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 3.405.183,98 met rente en kosten; - Chilston Park te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 84.610,00 met rente en kosten; - [ gedaagde sub 3] hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 11.313.850,62 met rente en kosten; - Valtop Consultancy en Valtop Beheer hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 2.154.216,90 met rente en kosten; - [ gedaagde sub 6] hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 11.313.850,62 met rente en kosten; - Jamabel hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 4.972.774,16 met rente en kosten; - Zuidsingel hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 81.680,44 met rente en kosten; - Berkendaal hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 918.806,09 met rente en kosten; - [ gedaagde sub 10] hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 2.937.969,23 met rente en kosten; - [ gedaagde sub 11] hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 2.672.108,46 met rente en kosten; - Giam hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 726.048,35 met rente en kosten; - [ gedaagde sub 13] en Bubuco hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 1.818.765,14 met rente en kosten; - [ gedaagde sub 15] hoofdelijk te veroordelen aan PWS te betalen een bedrag van € 1.111.761,53 met rente en kosten; een en ander kosten rechtens, de kosten van de gelegde beslagen daaronder begrepen, met rente. 3.2. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. De gewijzigde vordering van [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis: - de door PWS ten laste van [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer gelegde beslagen op te heffen; - voor recht te verklaren dat PWS onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde sub 3] en/of Valtop Consultancy en/of Valtop Beheer; - PWS te veroordelen aan [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer te vergoeden de door hen geleden schade met rente, nader op te maken bij staat; - PWS te veroordelen tot vergoeding van gederfde inkomsten in verband met afgebroken architectuuropdrachten met rente, nader op te maken bij staat, en PWS te veroordelen tot voldoening van openstaande facturen, waaronder begrepen de aan [gedaagde sub 3] toekomende winstuitkering over het jaar 2005, met rente; kosten rechtens. 3.5. De vordering van [gedaagde sub 6] luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht te verklaren dat PWS onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde sub 6]; - PWS te veroordelen aan [gedaagde sub 6] te vergoeden de door hem geleden schade, nader op te maken bij staat; - PWS te veroordelen aan [gedaagde sub 6] te betalen een voorschot ten bedrage van € 200.000,00 met rente; kosten rechtens. 3.6. De vordering van Jamabel luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht te verklaren dat PWS onrechtmatig heeft gehandeld jegens Jamabel; - PWS te veroordelen aan Jamabel te vergoeden de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat; - PWS te veroordelen aan Jamabel te betalen een voorschot ten bedrage van € 10.000,00 met rente; kosten rechtens. 3.7. De vordering van Zuidsingel luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht te verklaren dat PWS onrechtmatig heeft gehandeld jegens Zuidsingel; - PWS te veroordelen aan Zuidsingel te vergoeden de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat; - PWS te veroordelen aan Zuidsingel te betalen een voorschot ten bedrage van € 10.000,00 met rente; kosten rechtens. 3.8. De vordering van Berkendaal luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht te verklaren dat PWS onrechtmatig heeft gehandeld jegens Berkendaal; - PWS te veroordelen aan Berkendaal te vergoeden de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat; - PWS te veroordelen aan Berkendaal te betalen een voorschot ten bedrage van € 10.000,00 met rente; kosten rechtens. 3.9. De vordering van [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht te verklaren dat PWS jegens [gedaagde sub 10] en/of [gedaagde sub 11] en/of Giam aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam hebben geleden als gevolg van de door PWS ten laste van [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam gelegde beslagen; - PWS te veroordelen aan [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam te vergoeden de door hen geleden schade, nader op te maken bij staat; - PWS te veroordelen tot opheffing van de door haar ten laste van [gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam gelegde beslagen, zulks op straffe van een dwangsom; kosten rechtens. 3.10. De gewijzigde vordering van [gedaagde sub 13] en Bubuco luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht te verklaren dat PWS onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde sub 13] en/of Bubuco; - PWS te veroordelen tot nakoming van de met [gedaagde sub 13] en Bubuco overeengekomen minnelijke regeling; - PWS te veroordelen aan [gedaagde sub 13] en Bubuco te vergoeden de door hen geleden (materiële en immateriële) schade, nader op te maken bij staat; - de door PWS ten laste van [gedaagde sub 13] en Bubuco gelegde beslagen op te heffen; kosten rechtens. 3.11. De gewijzigde vordering van [gedaagde sub 15] luidt – samengevat en zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: - PWS te veroordelen tot opheffing van de door haar ten laste van [gedaagde sub 15] gelegde beslagen; - PWS te veroordelen aan [gedaagde sub 15] te vergoeden de door hem geleden schade, waaronder begrepen de huurkosten, met rente; kosten rechtens. 3.12. PWS voert gemotiveerd verweer, dat strekt tot afwijzing van de respectieve vorderingen. 3.13. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie Splitsing 4.1. [ gedaagde sub 3] c.s. ([gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer), [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 13] c.s. ([gedaagde sub 13] en Bubuco) hebben verzocht om afsplitsing van hun zaken. PWS heeft zich daartegen verzet. 4.1.1. Voor wat betreft de zaken tegen [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 13] c.s. zal de rechtbank dat verzoek toewijzen. Gegeven enerzijds de reeds gebleken aanzienlijke vertraging die het onvermijdelijk gevolg is van het gevoegd houden van de zaken, waarin de betrokken partijen - naar vanzelfsprekend hun goed recht is - elk een eigen koers volgen, en anderzijds de duidelijke en in het hierna volgende nader te bespreken verschillen tussen de feitelijke posities en de gemaakte verwijten acht de rechtbank de verwevenheid van de feiten en de daaruit voortvloeiende wens van PWS om de zaken tezamen te blijven behandelen niet langer zwaarwegend genoeg. De zaak van PWS tegen [gedaagde sub 15] en de zaak van PWS tegen [gedaagde sub 13] c.s. zullen dus elk worden afgesplitst. De beslissingen over kosten in die procedures worden gereserveerd tot de eindbeslissing in die zaken. 4.1.2. Voor wat betreft de zaak tegen [gedaagde sub 3] c.s. is de rechtbank daarentegen van oordeel, dat sprake is van een zo grote verwevenheid tussen de posities van enerzijds [gedaagde sub 3] c.s. en anderzijds [gedaagde sub 6] c.s. ([gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal) en [gedaagde sub 10] c.s. ([gedaagde sub 10], [gedaagde sub 11] en Giam) dat de belangen van een goede rechtsbedeling meebrengen dat van splitsing geen sprake kan zijn. De belangen van [gedaagde sub 3] c.s. wegen niet tegen de aan splitsing verbonden nadelen op. Wel zal de zaak in reconventie worden afgesplitst als hierna onder 4.147.3. nader te bespreken. Inhoudelijk-algemeen-aanpak 4.2. PWS baseert haar vorderingen in de kern op de stelling dat zij is benadeeld door onrechtmatige gedragingen van gedaagden, bestaande uit betrokkenheid in diverse hoedanigheden bij doorleveringen van onroerend goed, andere onroerend goed transacties, aan adviseurs betaalde vergoedingen en neveninkomsten van haar directeur [persoon 2]. Het gaat daarbij om de projecten Aelbrechtskade, Giam-pakketten, Rijnhotel, TKN pakketten A tot en met E, Vissersdijk, Atta-pakket, Schoterbos, St. Jacobsplaats, Woonplus I en II, Slaakhuys, Ruygrok, Pleinweg, Dunehold, Hooge Marinier en Branderspoort, die zich alle hebben afgespeeld in de periode juli 1998 - oktober 2005. De rechtbank zal hierna per “cluster” van gedaagden, zoals in de tussenvonnissen reeds aangeduid, de vorderingen behandelen. Daarbij zullen de zaken van [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal (gedaagden 6 tot en met 9; [gedaagde sub 6] c.s.) vóór die van [gedaagde sub 3], Valtop Consultancy en Valtop Beheer (gedaagden 3 tot en met 5; [gedaagde sub 3] c.s.) worden besproken. Daarbij zullen voorts eerst de processuele/formele verweren (voor zover gevoerd) worden besproken, vervolgens de algemene uitgangspunten worden geschetst die voor die (groep van) gedaagde(
  1. n)gelden, waarna de verwijten per onderdeel/project zullen worden behandeld. 4.3. Aan de eerder in de procedure ingenomen stelling dat elk van gedaagden zelf onrechtmatig heeft gehandeld dan wel onrechtmatig heeft nagelaten te handelen, zodat hen dus elk een eigen verwijt te maken is, heeft PWS bij gelegenheid van het pleidooi subsidiair de stelling toegevoegd dat sprake is van groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank zal hierna die verschillende juridische grondslagen behandelen met inachtneming van deze door PWS zelf aangebrachte rangorde. 4.4. De rechtbank gaat er, mede gelet op de opstelling van partijen bij pleidooi, van uit dat de ter comparitie gemaakte afspraken met betrekking tot het parkeren van het debat over de schade gehandhaafd blijven. Dat betekent, dat, nadat een oordeel is gegeven over de vraag of sprake is van aansprakelijkheid (uit hoofde van art. 6:162 BW dan wel 6:166 BW) van de betreffende gedaagde(
  2. n)jegens PWS slechts zal worden bezien of voldoende aannemelijk is dat sprake is van enige schade; omtrent alle kwesties die samenhangen met de becijfering van de schade, maar ook met daarvoor relevante onderwerpen als medeschuld, eigen schuld en schadebeperking, zullen in dit vonnis, voor zover daartoe aanleiding bestaat, slechts voorlopige oordelen worden gegeven. Partijen kunnen ten aanzien van de nader aan te geven projecten/onderwerpen vervolgens het debat over de schade voortzetten in een schadestaatprocedure. In dat verband, en met het oog op dat nadere debat, merkt de rechtbank thans het volgende op. Om tot het oordeel te kunnen komen dat één of meer gedaagden gehouden is/zijn aan PWS bedragen wegens vergoeding van schade te betalen, zal schade, dus nadeel voor PWS, moeten blijken en zal de omvang daarvan moeten worden begroot. Er zijn diverse benaderingen denkbaar, die vermoedelijk alle (afhankelijk van het project/de projecten en de posities van de betrokkene(
  3. n)in meer of mindere mate) complex zullen zijn. Op dit moment komt het de rechtbank voor dat vergelijking van de feitelijke situatie met een nader in te vullen hypothetische situatie in de rede ligt. In die hypothetische situatie zou, naar het zich laat aanzien, het onrechtmatig gedrag moeten worden weggedacht (hetgeen niet zonder meer betekent dat het betrokken project geheel wordt weggedacht); vervolgens zou kunnen worden bezien welke resultaten kundige en loyale bestuurders, werknemers en/of adviseurs van PWS in de betreffende periode al dan niet met dit specifieke project zouden hebben bereikt. Dat lijkt een ingewikkelde, tijdrovende en complexe exercitie te worden. Er kan ook gekozen worden voor een eenvoudiger benadering, bijvoorbeeld deze dat als hypothetisch vergelijkingsmateriaal wordt uitgegaan van normaal renderende, vergelijkbare projecten. Denkbaar is voorts dat PWS (anders dan zij tot dusverre heeft gedaan) de schadebegroting via de met het onrechtmatig gedrag behaalde winst benadert, op de voet van art. 6:104 BW. Het is aan partijen om zich daarop in het kader van het schadedebat nader te beraden en zich vervolgens daarover uit te laten. De zaak tegen Transformanagement en Chilston Park 4.5. De onrechtmatige daad die PWS verwijt aan Transformanagement en Chilston Park valt in twee delen uiteen, te weten de betrokkenheid bij een aantal projecten (na wijziging van eis uiteindelijk Atta, Woonplus II en de TKN-pakketten) en de nevenwerkzaamheden van [persoon 2], die via Transformanagement en Chilston Park werden beloond. Formeel 4.6. Bij conclusie van antwoord hebben Transformanagement en Chilston Park zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in strijd is met artikel 111 en artikel 120 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zodat PWS niet ontvankelijk verklaard moet worden. Daargelaten of gebreken op dit punt tot niet ontvankelijkheid zouden moeten leiden, nu Transformanagement en Chilston Park dit verweer in hun latere conclusies niet hebben herhaald, gaat de rechtbank ervan uit dat het verweer niet wordt gehandhaafd. Positie beslissing gerechtshof-rechtbank (kantonrechter) in de zaak tegen [persoon 2] 4.7. Aan hetgeen in het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de procedure tussen PWS en [persoon 2] is overwogen en beslist (omtrent welk arrest partijen in deze procedure uitvoerige stellingen hebben ontwikkeld) komt in deze procedure geen formele betekenis toe. Dat arrest is immers gewezen tussen andere partijen dan de procespartijen in deze procedure, in een ander juridisch kader ([persoon 2] was werknemer van PWS) en op basis van de door die partijen in dat geding gestelde feiten en gevoerde verweren. Materiële betekenis voor dit geding komt aan hetgeen het gerechtshof in dat arrest heeft overwogen en beslist slechts toe met inachtneming van voorgaande relevante verschillen en indien en voor zover deze rechtbank dienovereenkomstig oordeelt op basis van haar zelfstandige afweging van hetgeen in dit geding is gesteld en gebleken. Daarop zal hierna, voor zover daartoe aanleiding bestaat, worden teruggekomen bij de behandeling van de specifieke verwijten. Ditzelfde geldt mutatis mutandis voor de overwegingen en beslissingen van de kantonrechter in deze rechtbank in het vonnis dat is voorafgegaan aan voormeld arrest; met name kunnen aan de enkele omstandigheid dat PWS tegen bepaalde beslissingen in dat vonnis niet in appel is opgekomen geen conclusies worden verbonden voor haar positie in dit geding. Schadebeperking-voordeeltoerekening 4.8. Transformanagement en Chilston Park menen dat PWS de schade aan zichzelf te wijten heeft, omdat een concreet aanbod is gedaan (door De Wilgen) om alle projecten die onderwerp zijn van deze procedure over te nemen voor een prijs die gelijk is aan de door PWS aan die projecten toegekende/ toe te kennen waarde. Dat PWS heeft nagelaten een aanbod (van De Wilgen) te accepteren om alle projecten over te nemen, hetgeen bij de bespreking van haar schade in haar nadeel zou moeten werken, is op dit moment niet aannemelijk nu PWS ontkent dat dat aanbod voldoende concreet en expliciet aan een (beslissings)bevoegde vertegenwoordiger van PWS is gedaan. Bovendien brengt het gegeven dat, in het algemeen, van een benadeelde verwacht mag worden dat hij zijn schade zoveel mogelijk beperkt niet mee dat een aanbod als hier aan de orde, mede in aanmerking nemende de positie van PWS als woningcorporatie, zonder meer geaccepteerd had moeten worden. Dit verweer snijdt dus geen hout. 4.9. Voor wat betreft de voordeeltoerekening geldt, dat thans niet, zeker niet zonder meer, duidelijk is dat of in hoeverre bij de relevante projecten sprake is van voordeel dat aan de onrechtmatige daad is toe te rekenen. Daarbij is van belang dat - ingevolge de strikte toepassing die de Hoge Raad in zijn jurisprudentie in dit verband aan de in artikel 6:100 BW gebruikte woorden “een zelfde gebeurtenis” geeft - een later opgekomen winst in verband met een geacquireerd project waarvan de acquisitie een onrechtmatig element bevat als hier aan de orde niet snel voor voordeeltoerekening in aanmerking zal komen. Voor zover het voor PWS mogelijk zou zijn geweest om met De Wilgen een voor PWS gunstige overeenkomst te sluiten, is dus niet zonder meer in te zien op grond waarvan eventueel uit een dergelijke transactie voor PWS voortvloeiend voordeel in mindering zou strekken op schade die voor PWS is voortgevloeid uit onrechtmatige daden van Transformanagement en Chilston Park. In het kader van het schadedebat kunnen partijen daarop echter desgewenst nader terugkomen. Nevenwerkzaamheden 4.10. PWS stelt zich op het standpunt dat het [persoon 2] niet vrij stond om naast zijn salaris als directeur van PWS verdiensten te genereren met werkzaamheden in de onroerend goed sector. Zijn arbeidsovereenkomst bevatte als artikel 7 lid 3 de passage: “werknemer zal geen nevenwerkzaamheden, al dan niet gehonoreerd, uitoefenen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever. Werknemer heeft toestemming om voorzitter te blijven van Woningbouwvereniging Hoek van Holland en om incidentele managementtrainingen c.q. lezingen te geven, uiteraard in de vrije tijd van de werknemer en na voorafgaande melding aan de werkgever.” Het handelen in strijd met deze bepaling dat PWS aan haar vordering ten grondslag legt, ziet concreet op: het honorarium van [persoon 2], geïncasseerd door Transformanagement, de vennootschap waarvan hij directeur en enig aandeelhouder is, en de jaarvergoeding ad ƒ 15.000,= wegens het voorzitterschap van de Raad van Advies van de stichting VH2000+ (opgericht op 23 augustus 2000), in de jaren 2001-2005, aldus in totaal € 34.030,= (E&Y rapport I, p. 32); betalingen in de jaren 1998-2001 ad in totaal ƒ 400.534,= (exclusief BTW) van [bedrijf 8] aan Transformanagement (E&Y rapport I, p.8 en p. 33-38, conclusie van repliek p. 51); facturen van Transformanagement en Chilston Park aan Berkendaal en Bubuco verzonden tussen 4 januari 2001 en 10 oktober 2004, waarop betalingen zijn gevolgd van € 404.177,90 ten gunste van Transformanagement en € 84.610,= van Chilston Park (conclusie van repliek p. 52). Volgens PWS zijn dit alle kwesties die niet onder de toestemming vastgelegd in de tweede zin van artikel 7 lid 3 van de arbeidsovereenkomst vallen en waarvoor [persoon 2] ook niet separaat toestemming heeft gevraagd (laat staan verkregen). Handelen en wetenschap van [persoon 2] als enig statutair bestuurder van Transformanagement en - via Transformanagement - van Chilston Park, kunnen aan die vennootschappen worden toegerekend. Daarmee hebben Transformanagement en Chilston Park onrechtmatig gehandeld jegens PWS. De schade die PWS daardoor heeft geleden is gelijk aan de ontvangen bedragen, aldus PWS. 4.11. Transformanagement en Chilston Park hebben zich verweerd met de stelling dat eventueel handelen in strijd met de arbeidsovereenkomst door [persoon 2] niet gelijk gesteld kan worden aan een jegens PWS gepleegde onrechtmatige daad van Transformanagement en Chilston Park. Bovendien is tegen het oordeel van de kantonrechter op dit punt jegens [persoon 2], die de overeenkomstige vordering jegens [persoon 2] heeft afgewezen, door PWS geen appel ingesteld. Transformanagement en Chilston Park hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat [persoon 2] inderdaad via Transformanagement en Chilston Park bedragen op zijn Zwitserse bankrekeningen heeft ontvangen wegens advieswerkzaamheden, doch dat hem dat was toegestaan. Tussen [persoon 2] en PWS was aanvankelijk de afspraak dat een managementovereenkomst gesloten zou worden, in welk geval hij uiteraard ook werkzaamheden voor anderen dan PWS zou mogen verrichten. Daarvan is alleen afgezien omdat deelname aan het pensioenfonds door [persoon 2] dan onmogelijk zou worden. Het uitgangspunt, dat [persoon 2] naast zijn werkzaamheden voor PWS ook andere, betaalde bezigheden mocht hebben is echter niet verlaten, mits deze niet strijdig waren met zijn werkzaamheden voor PWS; in die zin is artikel 7 lid 3 van de arbeidsovereenkomst geen juiste en complete weergave van de afspraken tussen partijen. PWS, in de persoon van [persoon 3], de huidige voorzitter van de Raad van Toezicht, was van de betreffende werkzaamheden van [persoon 2] voor [bedrijf 7] (a en b onder 4.10. hiervoor) op de hoogte en heeft daarvoor toestemming gegeven (conclusie van dupliek p. 11, bewijsaanbod conclusie na comparitie p. 13). Voor wat betreft de werkzaamheden die zijn gefactureerd aan en betaald door Berkendaal en Bubuco (4.10. onder c hiervoor) geldt dat deze niet samenhangen met de door PWS gestelde fraude die voor het overige inzet van deze procedure is. Voorts betreft het werkzaamheden voor derden die Transformanagement (in de persoon van [persoon 2]) in zijn vrije tijd heeft gedaan, terwijl dat op geen enkele wijze ten koste van zijn werk voor PWS is gegaan; dat is door PWS ook niet gesteld, laat staan onderbouwd. Er is dus geen sprake van onrechtmatig handelen. Daar komt bij dat de betaalde bedragen geen schade voor PWS opleveren. Het was immers geen werk dat [persoon 2] ook namens PWS had kunnen doen en de gelden waren hoe dan ook niet naar PWS gegaan, aldus nog steeds Transformanagement en Chilston Park. 4.12. De rechtbank is van oordeel dat aan het arrest van het gerechtshof in de procedure tussen PWS en [persoon 2] geen betekenis toekomt voor wat betreft de neveninkomsten. Nog daargelaten het uitgangspunt als hiervoor onder 4.7. uiteengezet, brengt de aard van de afwijzing door de kantonrechter van dit onderdeel van de vergelijkbare vordering in die zaak dat mee; die afwijzing is immers gebaseerd op de constatering dat de schade bij gebreke aan feitelijke onderbouwing niet is komen vast te staan. In appel is aan dit onderdeel geen aandacht meer besteed. Waar in die zaak de schade niet (voldoende) was onderbouwd wil dat uiteraard niet zeggen dat dat thans ook in deze zaak niet het geval is. Aan de omstandigheid dat PWS geen appel heeft ingesteld, dat wil zeggen, geen grief heeft gericht tegen afwijzing van de overeenkomstige vordering jegens [persoon 2] door de kantonrechter, komt zoals hiervoor reeds overwogen geen zelfstandige betekenis toe. 4.13. De rechtbank verwerpt eveneens het verweer dat ziet op de onrechtmatigheid. Zoals ook uit de stellingen van Transformanagement en Chilston Park blijkt is over het arbeidscontract betrekkelijk uitvoerig onderhandeld, terwijl beide partijen deskundig waren, althans deskundige bijstand hadden. Aan de tekst van het onderhavige contract, waarin, met enige specifieke uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn, nevenwerkzaamheden worden verboden is [persoon 2] dan ook gebonden. Omdat [persoon 2] de enig bestuurder van Transformanagement is moet zijn kennis aan Transformanagement worden toegerekend, zodat ook Transformanagement kan worden verweten dat deze overeenkomst door [persoon 2] is overtreden, nu Transformanagement [persoon 2] daarbij behulpzaam is geweest door facturen op haar naam te zenden en betalingen aan [persoon 2] door te geven. Dat geldt mutatis mutandis ook voor Chilston Park, dat via Transformanagement evenzeer door [persoon 2] wordt bestuurd. Daarbij komt, dat uit de stukken blijkt dat de werkzaamheden in kwestie door [persoon 2] werden uitgevoerd juist omdat hij directeur was van PWS, althans tenminste dat hij bij die werkzaamheden zijn kennis vanuit die positie inzette. Of PWS met de werkzaamheden bekend was, zoals Transformanagement en Chilston Park stellen, doet niet ter zake, nu gesteld noch gebleken is dat zij ook wist van de (hoogte van
  4. de)financiële beloning. In zoverre is het bewijsaanbod van Transformanagement en Chilston Park niet ter zake. 4.14. De rechtbank is echter, met Transformanagement en Chilston Park, van oordeel dat voor wat betreft de bedragen die gemoeid zijn met de werkzaamheden voor [bedrijf 7] (bedoeld onder 4.10. onder a en b hiervoor) PWS niet voldoende heeft gesteld en onderbouwd hoe en waarom dit onrechtmatig handelen van Transformanagement en Chilston Park tot schade van PWS geleid heeft. Het betreft hier betalingen van [bedrijf 7] wegens (niet [voldoende gemotiveerd] betwiste) daadwerkelijk verrichte werkzaamheden in de vrije tijd van [persoon 2] die geen verband houden met de fraudeverwijten. Deze betalingen zouden nooit aan PWS gedaan zijn en daarvan is ook niet gesteld dat die op enigerlei wijze zijn bekostigd uit gelden die anders aan PWS zouden zijn toegekomen. Uit het overtreden van het verbod op nevenwerkzaamheden vloeit ook niet zonder meer voort dat de met die overtreding gegenereerde bedragen aan PWS moeten worden afgedragen; de overeenkomst voorziet daarin niet. Voor zover de stellingen van PWS moeten worden gezien als een beroep op ongerechtvaardigde verrijking is aan de daarvoor geldende eisen, bij gebreke van een verarming van PWS, niet voldaan. 4.15. Voor wat betreft de hiervoor onder 4.10. onder c bedoelde facturen geldt, dat PWS stelt dat het hier valse facturen betreft en dat daar tegenover geen werkzaamheden hebben gestaan. De verklaring die Transformanagement en Chilston Park geven voor de facturen aan Bubuco, te weten coaching activiteiten van [persoon 2] ten behoeve van [gedaagde sub 13] zonder dat deze laatste van de coaching op de hoogte was, is zowel opzichzelf genomen als gelet op de verklaring van [gedaagde sub 13] zo onaannemelijk dat daaraan voorbij wordt gegaan. Dat coaching wordt gegeven waarvan de gecoachte persoon onkundig is moet immers minst genomen zeer uitzonderlijk worden geacht. Dat die gecoachte daarvoor vervolgens - via zijn vennootschap - betaalt, zonder te weten waarvoor wordt betaald, is redelijkerwijs uitgesloten. Deze facturen en de daarop gebaseerde betalingen ontberen dus een deugdelijke grond. Voor wat betreft de facturen aan Berkendaal geldt, dat Berkendaal een door [gedaagde sub 6] gecontroleerde vennootschap is. De rol van [gedaagde sub 6] is zodanig dat, zoals hierna in de zaak tegen [gedaagde sub 6] c.s. zal worden overwogen, als onvoldoende gemotiveerd betwist moet worden aangenomen dat de door Berkendaal aan Transformanagement en Chilston Park betaalde bedragen (in elk geval ten dele) afkomstig zijn uit gelden die aan PWS hadden moeten toekomen, althans die kosten betreffen die PWS niet zou hebben gemaakt indien [persoon 2] en [gedaagde sub 6] zich naar behoren zouden hebben ingespannen om de belangen van PWS te dienen in plaats van hun eigen belangen. Uit de door de FIOD aangetroffen staatjes D/001, D/002 en D/003 (zie onder 2.32.1., 2.32.2. en 2.32.3.) blijkt immers dat sprake was van een verdeling tussen [persoon 2] en [gedaagde sub 6] van gelden, waarbij Transformanagement en Chilston Park door [persoon 2] werden gebruikt om facturen te schrijven en betalingen te ontvangen. Deze facturen zijn blijkens de aangetroffen mailwisseling (zie bijvoorbeeld onder 2.36. en 2.38.) opgesteld om de op andere gronden te effectueren geldstromen een (valse) schijn van legitimiteit te verlenen. Dat betekent dat er op dit moment, ten aanzien van de verwijten hiervoor onder 4.10. onder c., voldoende is gesteld (en niet door deugdelijk verweer ontzenuwd) aangaande de schade om het bestaan daarvan aannemelijk te achten. Het debat over de hoogte van de schade kunnen partijen in de schadestaatprocedure verder voeren. Projecten-algemeen 4.16. De (onderbouwing van
  5. de)verwijten die PWS Transformanagement (en - doch dat is niet geheel duidelijk - mogelijk ook Chilston Park) maakt (
  6. is)zijn gelijk aan de verwijten die PWS [persoon 2] maakte in de procedure die heeft geleid tot meergenoemd arrest, in combinatie met de stelling dat [persoon 2] enig beleidsbepaler in bedoelde vennootschap(pen) was. Het verweer in dit geding ziet niet op het aspect van de rol van [persoon 2] in Transformanagement en Chilston Park, in het bijzonder niet op de omstandigheid dat [persoon 2], zoals PWS stelt, als enig beleidsbepaler optrad. Daarmee is dus in deze procedure gegeven dat de kennis van [persoon 2] aan Transformanagement respectievelijk Chilston Park kan worden toegerekend. Nu het gerechtshof over deze verwijten in meerbedoeld arrest heeft geoordeeld en Transformanagement en Chilston Park en PWS zich hierover in dit geding hebben kunnen uitlaten en dat ook daadwerkelijk (uitvoerig) hebben gedaan, zal de rechtbank de oordelen van het gerechtshof aangaande de onrechtmatige betrokkenheid van [persoon 2] bij een aantal projecten tot uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de aan Transformanagement en Chilston Park gemaakte verwijten. De rechtbank heeft daarbij mede acht geslagen op D/326, zoals geciteerd in productie 32 bij inleidende dagvaarding, waarin [persoon 2] (in het strafrechtelijk onderzoek, nadat hij gewezen was op zijn recht om geen vragen te beantwoorden c.q. geen verklaring af te leggen) expliciet aangeeft dat hij zowel Transformanagement als Chilston Park gebruikte om van daaruit te factureren. Bovendien geldt voor wat betreft de onrechtmatigheid, dat als aan de strenge eis van artikel 7:661 BW (waaraan het gerechtshof in het arrest toetste) is voldaan, in het algemeen ook aan de lichtere eis van artikel 6:162 BW is voldaan. Transformanagement en Chilston Park hebben daaromtrent ook geen inhoudelijke stellingen in andere zin ingenomen. Atta 4.17. PWS houdt Transformanagement (en kennelijk ook Chilston Park) aansprakelijk voor schade in verband met het project Atta. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat PWS onvoldoende heeft gesteld om aansprakelijkheid van [persoon 2] vast te kunnen stellen. PWS heeft daaromtrent opgemerkt, dat daaraan geen beslissende betekenis toekomt omdat de maatstaf die het gerechtshof daar aanlegde die van artikel 7:661 BW was, dat wil zeggen dat opzet of roekeloosheid moet zijn gebleken. In deze procedure tegen Transformanagement en Chilston Park is “gewone” onrechtmatigheid voldoende. Uit D/003 (zie onder 2.32.3.) blijkt voorts dat een bedrag is overgemaakt aan Transformanagement wegens courtage. 4.18. Transformanagement en Chilston Park hebben gemotiveerd verweer gevoerd en met name gewezen op de wel zeer summiere onderbouwing van de stellingen van PWS. 4.19. De rechtbank is met Transformanagement en Chilston Park van oordeel, dat die onderbouwing van PWS onvoldoende is. In de FIOD-stukken die zijn overgelegd komen weliswaar vermeldingen van Atta voor, maar of en hoe die precies geacht moeten worden verband te houden met de verwijten die PWS nu aan Transformanagement en Chilston Park maakt is niet uitgewerkt. PWS noemt slechts een benadelingsbedrag. Nu voorts vast staat dat Atta de (roep)naam is van een makelaar ([persoon 1], aanvankelijk medegedaagde in deze procedure) die bij meerdere transacties een rol heeft gespeeld, kon PWS hiermee niet volstaan. 4.20. Gelet op dit gebrek aan onderbouwing kan ook de groepsaansprakelijkheid PWS niet baten. Er is sprake van een groep, in de zin van art. 6:166 BW, bestaande uit [persoon 2], [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 3]. Dat blijkt met name uit de staatjes D/001-003 en het hiervoor onder de vaststaande feiten geciteerde e-mail/faxverkeer (zie bijvoorbeeld onder 2.36., 2.38., 2.43. en 2.47.). Wat daarvan verder zij, voor aansprakelijkheid op basis van artikel 6:166 BW is echter in elk geval vereist dat aangaande het gepleegd zijn van de onrechtmatige daad door één van de leden van de groep voldoende is gesteld (en, bij betwisting, – uiteindelijk – is komen vast te staan). Gelet op het vorenstaande is daarvan geen sprake. Er is dus geen ruimte voor een veroordeling tot vergoeding van schade voor zover deze ziet op project Atta. Woonplus II 4.21. Het verwijt van PWS ziet op de factuur D/030 (productie 40 bij inleidende dagvaarding) van Transformanagement, waaraan geen werkzaamheden ten grondslag lagen. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat sprake is van een onrechtmatige daad van [persoon 2] jegens PWS op dit punt. Transformanagement stelt zich op het standpunt met dit project niets van doen te hebben gehad. 4.22. De door PWS overgelegde factuur voor ƒ 45.000,= van Transformanagement aan Valtop Consultancy is door [persoon 2] als bestuurder ondertekend. Nu Transformanagement zelf stelt niets met dit project van doen te hebben maar wel deze factuur heeft gestuurd, die, naar voldoende aannemelijk wordt uit het FIOD-rapport, ook is betaald, heeft niet alleen [persoon 2] maar ook Transformanagement zich aan een onrechtmatige daad jegens PWS schuldig gemaakt. Immers, de factuur heeft, gelet op het vorenstaande, louter als doel gehad een onoirbare geldstroom administratief te rechtvaardigen. Weliswaar is de factuur niet rechtstreeks door PWS betaald, maar uit hetgeen hierna over de samenwerking tussen [persoon 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 6] zal worden overwogen en de rol die Valtop Consultancy daarbij heeft gespeeld wordt duidelijk, dat voldoende aannemelijk is dat deze geldstroom in elk geval ten dele bestaat uit gelden die aan PWS hadden moeten toekomen. Over de omvang van de schade kunnen partijen na dit vonnis nader debatteren. TKN-pakketten 4.23. Voor deze transactie geldt mutatis mutandis hetzelfde als werd overwogen aangaande Woonplus II. Het gerechtshof heeft (in het arrest onder 3.17.) op basis van de toen en ook in deze procedure overgelegde bewijsstukken uit het FIOD-dossier (D/003, AH-77 [zie onder 2.43.] en in het bijzonder D/230) geconcludeerd, dat [persoon 2] op dit punt onrechtmatig heeft gehandeld jegens PWS. Uit diezelfde stukken blijkt, dat Transformanagement daarbij betrokken was. Een factuur (D/047) van Transformanagement aan Bubuco d.d. 4 januari 2001 ad € 67.445,=, aangetroffen bij zowel Transformanagement als Bubuco, komt overeen met de daadwerkelijk geëffectueerde geldstroom. Dit geldt eveneens voor de factuur D/251 (d.d. 4 januari 2003), een andere factuur van Transformanagement. Het verweer van Transformanagement ziet slechts op de precieze berekening. Daarop kan, zo nodig, in het debat over de schadecijfers worden teruggekomen. 4.24. Aan Chilston Park worden geen specifieke verwijten aangaande betrokkenheid bij projecten/transacties gemaakt. Voor zover PWS op dit punt toch iets bedoeld heeft te vorderen, dient die vordering als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. Conclusie 4.25. Transformanagement en Chilston Park zijn dus aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens PWS, waarbij voorshands voldoende aannemelijk is dat PWS daardoor schade heeft geleden. De rechtbank zal de zaak daarom verwijzen naar de schadestaatprocedure. Partijen kunnen dan in dat kader, in lijn met hetgeen ter comparitie was afgesproken en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, het debat over de schade in volle omvang voeren. 4.26. Transformanagement en Chilston Park zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld. De zaak tegen [gedaagde sub 6] c.s. De nietigheid van de dagvaarding 4.27. [ gedaagde sub 6] c.s. ([gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal) heeft gesteld dat de dagvaarding nietig is. PWS bestrijdt dat en meent voorts, dat [gedaagde sub 6] c.s. bij dat beroep in elk geval inmiddels geen belang (meer) heeft. 4.28. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 6] c.s. (nog steeds enig) belang heeft bij dit verweer. Dat, in voorkomend geval, een nieuwe procedure over dezelfde feiten aangespannen zou kunnen worden en dat inmiddels de stellingen nader zijn uitgewerkt doet aan het belang van [gedaagde sub 6] c.s. op dit punt, dat in elk geval gelegen is in beëindiging van de onderhavige procedure (met in dat geval - waarschijnlijk - een veroordeling van PWS in de proceskosten), niet af. 4.29. Aan zijn verweer legt [gedaagde sub 6] c.s. ten grondslag dat hij in zijn verdediging is geschaad doordat in de dagvaarding slechts zeer summiere stellingen zijn opgenomen, waardoor voor hem niet duidelijk is op welke (feitelijke en juridische) gronden PWS hem aanspreekt voor het aanzienlijke bedrag dat in het petitum is genoemd. PWS kon niet volstaan met die summiere dagvaarding en het overleggen van en verwijzen naar een grote hoeveelheid onbecommentarieerde stukken, die voor een deel (met name voor zover het gaat om de aangifte) ook nog in strijd zijn met die dagvaarding, aldus [gedaagde sub 6] c.s. PWS acht haar dagvaarding niet nietig; zij meent dat zij, gegeven de bij [gedaagde sub 6] c.s. aanwezige kennis, voldoende inzicht heeft gegeven in haar vordering en de gronden daarvan om een deugdelijke verdediging mogelijk te maken. 4.30. De rechtbank stelt voorop dat de nietigheid waarop [gedaagde sub 6] c.s. zich beroept ziet op een formeel gebrek dat op grond van de wet tot nietigheid van de dagvaarding kan leiden, te weten schending van het voorschrift van artikel 111 lid 2 onder d Rv, dat eiser verplicht tot het in de dagvaarding vermelden van “de eis en de gronden daarvan”. Nu [gedaagde sub 6] c.s. is verschenen brengt artikel 122 Rv mee, dat het beroep op nietigheid wordt verworpen indien het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad. Daaruit, en uit de omstandigheid dat de wetgever een breuk met de van oudsher geldende toets niet heeft gewild, vloeit voort dat dit verweer slechts wordt gehonoreerd als aannemelijk is dat gedaagde daardoor in de verdediging wordt benadeeld in die zin dat de verdediging in relevante mate wordt bemoeilijkt (NJ 1995, 269). Dat daarvan sprake is kan, volgens vaste jurisprudentie, slechts in uitzonderlijke gevallen worden aangenomen. De rechtbank acht een dergelijk uitzonderingsgeval hier niet aanwezig. Dat het feitelijk relaas in de dagvaarding summier is en dat voor de onderbouwing deels wordt verwezen naar een groot aantal overgelegde maar niet nader toegelichte stukken, is op zichzelf juist. Dat is echter niet voldoende. Het gaat hier om een naar de bewoordingen duidelijke vordering, inhoudende dat [gedaagde sub 6] c.s. wordt veroordeeld tot betaling van een geldsom aan PWS als eiseres, die wordt toegelicht en onderbouwd met een weliswaar beknopt, maar wel coherent en redelijkerwijs te begrijpen feitelijk relaas aangaande een aantal vastgoedtransacties en een juridische duiding daarvan als onrechtmatige daad. Voorts wordt daarbij verwezen naar de aangifte, een door PWS opgesteld en bijgevoegd stuk, die als ingevoegd moet worden aangemerkt; deze maakt daardoor op toelaatbare wijze deel uit van de dagvaarding. De verwijzing naar de bijgevoegde stukken was weliswaar niet op alle punten specifiek, maar in verband en samenhang met de dagvaarding was wel duidelijk wat het verwijt inhield. Daarmee was [gedaagde sub 6] c.s. voldoende duidelijk gemaakt wat werd gevorderd en waarom, en daarmee dus ook waartegen hij zich had te verweren. Dat, in de visie van [gedaagde sub 6] c.s., in de dagvaarding sprake is van inconsistenties, niet onderbouwde standpunten en veronderstellingen maakt dat niet anders; [gedaagde sub 6] c.s. kon immers bij het verweer, zoals hij ook heeft gedaan, daarop ingaan. 4.31. Aan vorenstaand oordeel doet niet af dat het, blijkens artikel 21 Rv, de bedoeling van de wetgever is geweest dat de feiten die de grondslag vormen voor de eis zo duidelijk, waarheidsgetrouw en volledig mogelijk in de dagvaarding worden weergegeven. In voorkomend geval zou een presentatie van de vordering waarbij grote hoeveelheden stukken zonder deugdelijke toelichting worden overgelegd dan wel een deel van de relevante onderbouwende stukken pas in een later stadium van de procedure wordt overgelegd (waarop [gedaagde sub 6] c.s. bij conclusie na comparitie met nadruk wijst) ertoe kunnen leiden dat de rechtbank artikel 21 Rv geschonden acht. Bij de introductie van artikel 21 Rv is er echter uitdrukkelijk van afgezien om aan schending van die verplichting de sanctie van nietigheid van de dagvaarding te verbinden, zodat dit aspect voor het thans voorliggende verweer belang mist. 4.32. Voor zover in de stellingen van [gedaagde sub 6] c.s. moet worden gelezen dat de procedure door voormelde opzet van de dagvaarding in zodanige mate niet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM voldoet dat de beginselen van goede procesorde meebrengen dat het nietig verklaren van die dagvaarding de enige passende sanctie zou zijn, snijden die stellingen evenmin hout. De rechtbank komt tot dat oordeel op de volgende gronden. Voor beantwoording van de vraag of een procedure voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM moet, naar vaste jurisprudentie, de procedure in haar geheel worden bezien. Eigen aan de civiele procedure is een zekere ontwikkeling van het debat en de standpunten van partijen die voldoende mogelijkheden biedt voor een gedaagde om, als in een later stadium blijkt dat hij, al dan niet als gevolg van de beknoptheid van de dagvaarding, een bepaald aspect onbesproken heeft gelaten, dat later alsnog te bespreken. Dit kan, omdat de procedure in haar geheel wordt bezien, ertoe leiden dat een aanvankelijk ontoereikend of summierlijk toegelichte vordering gelet op de nadere uitwerking toch de toets der kritiek kan doorstaan. In dit geval zijn de stellingen door PWS in haar latere processtukken verder uitgewerkt en onderbouwd, waarna [gedaagde sub 6] c.s. steeds in de gelegenheid is geweest - en die gelegenheid ook heeft benut - om daarop te reageren, zodat een eventueel gebrek in de dagvaarding [gedaagde sub 6] c.s. dus niet in de verdediging heeft geschaad. Voorts is van belang dat in een civiele procedure als de onderhavige voor de rechter meerdere mogelijkheden bestaan om consequenties te verbinden aan een vorm van procesvoering waarbij de eiser nalaat deugdelijke verbanden te leggen tussen zijn stellingen en de overgelegde stukken. Onvoldoende duidelijk toegelichte stukken kunnen buiten beschouwing worden gelaten en stellingen kunnen als niet behoorlijk gemotiveerd worden gepasseerd. Dit alles speelt zich af in het kader van de (bewijsrechtelijke) oordeelsvorming in ruime zin als bedoeld in artikel 149 Rv en verder, niet in het kader van de daaraan voorafgaande vraag of de dagvaarding nietig is, maar daarmee kan in voorkomend geval voldoende tegemoet gekomen worden aan bezwaren als door [gedaagde sub 6] c.s. genoemd en bestaat, ook vanuit het thans besproken gezichtspunt van een eerlijk proces, niet de noodzaak om een dagvaarding nietig te verklaren. Tenslotte biedt de civiele procedure mogelijkheden om de partij die door een dergelijke wijze van procederen de wederpartij op kosten jaagt in de sfeer van de proceskostenveroordeling een correctie op te leggen. In dit kader is wel relevant de mate van complexiteit van de materie waarop de vorderingen betrekking hebben, alsmede de vraag of die complexiteit al dan niet mede toerekenbaar is aan enig handelen of nalaten van de wederpartij. Alles overziende is, gegeven de nadere uitwerking en onderbouwing van haar stellingen door PWS en de mogelijkheden tot reactie daarop door [gedaagde sub 6] c.s., in verband gezien met de remedies die binnen de procedure bestaan, in dit geval voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. Dit verweer wordt dus verworpen. Er is geen sprake van nietigheid van de dagvaarding en er zal inhoudelijk worden ingegaan op de vordering en het verweer. Eiswijziging en procedurele punten 4.33. [ gedaagde sub 6] c.s. heeft bij pleidooi bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis en aangevoerd dat deze niet duidelijk in de betreffende conclusie is vermeld; [gedaagde sub 6] c.s. klaagt er specifiek over dat aanvankelijk de onrechtmatigheid volgens PWS gelegen zou zijn in handelen in strijd met een wettelijke verplichting, terwijl thans strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid wordt aangevoerd. Deze wijziging schaadt [gedaagde sub 6] c.s. naar zijn stelling in de verdediging en is in strijd met de goede procesorde. Dit verweer wordt verworpen. Dat de conclusie na comparitie een wijziging van eis bevat, staat in de kop daarvan vermeld. Inhoudelijk was uit de eerdere processtukken redelijkerwijs al duidelijk dat PWS zich - ook - op strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt baseerde. Niet in te zien valt - [gedaagde sub 6] c.s. heeft het ook niet toegelicht - welk verschil de explicitering die thans heeft plaatsgevonden gemaakt zou hebben voor de verdediging. Op de toevoeging van de subsidiaire grondslag - aansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW - heeft [gedaagde sub 6] c.s. zijn pijlen niet gericht. Ambtshalve acht de rechtbank deze toevoeging toelaatbaar. Ten tijde van het pleidooi is nader verduidelijkt dat PWS, zoals ook uit de conclusie na comparitie is op te maken, de vordering primair blijft stoelen op artikel 6:162 BW. Slechts voor het geval de vordering op die grondslag niet toewijsbaar zou zijn wenst PWS dat de rechtbank de subsidiaire grondslag van artikel 6:166 BW behandelt. Nu bovendien bij gelegenheid van het pleidooi [gedaagde sub 6] c.s., voor zover nodig, op die subsidiaire grondslag heeft kunnen reageren, ziet de rechtbank geen strijd met de goede procesorde en - dus ook - geen aanleiding deze eiswijziging niet toe te staan. Derhalve zal op de gewijzigde eis recht worden gedaan. 4.34. Bij conclusie na comparitie heeft [gedaagde sub 6] c.s. te kennen gegeven dat hij ten aanzien van het strafrechtelijk onderzoek - in het bijzonder het overleggen van het complete strafdossier, inclusief de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek - en ten aanzien van de uitkomst van de procedure van PWS tegen [persoon 2] nog een akte wil nemen alvorens vonnis wordt gewezen, als de rechtbank de onderhavige zaak niet aanhoudt totdat die beide procedures zijn voltooid (en als de rechtbank, zo begrijpt de rechtbank de opmerkingen van [gedaagde sub 6] c.s. bij pleidooi, de betreffende stukken bij haar beslissing wil laten meewegen). Voor zover [gedaagde sub 6] c.s. dit standpunt heeft willen handhaven, overweegt de rechtbank daaromtrent als volgt. 4.35. Nu duidelijk is dat het gerechtelijk vooronderzoek, de daarop (eventueel) volgende behandeling van de strafzaak ter zitting alsmede de cassatieprocedure PWS-[persoon 2] niet op (voldoende) korte termijn gereed zullen zijn, ziet de rechtbank gelet op de eisen van een goede procesorde onvoldoende aanleiding de zaak aan te houden teneinde de uitkomsten daarvan af te wachten. Het betreft in beide gevallen procedures waarin de inzet weliswaar - tenminste ten dele - hetzelfde feitencomplex betreft, doch waarbij de verwijten anders zijn en de beoordeling aan de hand van andere maatstaven plaatsvindt, zodat een dergelijke aanhouding niet noodzakelijk is voor de oordeelsvorming in deze zaak. 4.36. Ter voorkoming van misverstand merkt de rechtbank op, dat voor zover PWS meent dat de door haar overgelegde stukken uit het strafrechtelijk (voor)onderzoek een bijzondere waarde toekomt als bedoeld in artikel 161 Rv, dat onjuist is, nu van een strafrechtelijke veroordeling geen sprake is. Ook hebben de ambtsedige processen-verbaal van opsporingsambtenaren in deze civiele procedure niet de bijzondere bewijskracht die zij volgens de strafvorderlijke bewijsregels (artikel 344 Sv) hebben. Dat neemt niet weg, dat aan deze stukken volgens de normale regels van het civiele recht waarde toekomt voor het bewijs; daarop zal hierna worden teruggekomen, voor zover noodzakelijk en aan de orde. Voor het arrest van het gerechtshof in de zaak tussen PWS en [persoon 2] geldt mutatis mutandis hetgeen daaromtrent onder 4.7. werd overwogen in het kader van de verwijten jegens Transformanagement en Chilston Park. Aan het inmiddels overgelegde vonnis van de belastingkamer, waarvan het hoger beroep nog loopt, komt geen bijzondere betekenis toe; het betreft daar een toetsing aan andere normen. Weliswaar is daarbij [gedaagde sub 6] c.s. partij, maar niet is duidelijk wat, gelet op aard en inzet van die procedure, het verband met de huidige verwijten is en wie er schuil gaan achter de geanonimiseerde vennootschappen. 4.37. Nu inmiddels bij pleidooi ruimte is geweest om naar voren te brengen hetgeen [gedaagde sub 6] c.s. nog nodig of wenselijk achtte en bij die gelegenheid desgewenst ook nog een akte genomen had kunnen worden, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om op het punt van deze andere procedures nog een akte toe te staan. Wel zal, zoals onder 4.4 hiervoor reeds werd overwogen, het debat over de omvang van de schade, voor zover na de hierna te geven oordelen nog van belang, na dit vonnis kunnen worden voortgezet in een schadestaatprocedure. Inhoudelijk-hoofdlijnen 4.38. de vordering van PWS PWS vordert van [gedaagde sub 6] c.s. in hoofdsom een bedrag van bijna € 12 miljoen. Het gaat daarbij om een aantal projecten, waarbij het verwijt er in het algemeen, kort samengevat, op neer komt dat [gedaagde sub 6] jegens PWS een onrechtmatige daad heeft gepleegd door in zijn hoedanigheid van (aanvankelijk) voorzitter en (later) vice-voorzitter van de Raad van Commissarissen mee te werken aan vastgoedtransacties, vaak op instigatie van [persoon 2], die financieel nadeel voor PWS opleverden en door mee te delen in de aldus onrechtmatig gegenereerde bedragen. Hij moest de belangen van PWS be[persoon 8]igen, mocht geen werkzaamheden verrichten die daarmee strijdig waren en moest toezicht houden op het bestuur. [gedaagde sub 6] heeft in strijd met die verplichtingen gehandeld en in strijd met hetgeen, ten opzichte van PWS, in het maatschappelijk verkeer betaamde; hij koos (met [persoon 2] en [gedaagde sub 3]) de projecten, onderhandelde (mee) over de koopsom, bepaalde de hoogte van de provisie, onderhield de contacten met de tussenpersonen en zorgde dat de projecten werden geaccepteerd door de Raad van Toezicht door die Raad niet volledig te informeren, aldus PWS. Ook de vennootschappen Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal hebben, zo stelt PWS, een onrechtmatige daad jegens PWS gepleegd door actief mee te werken aan benadeling van PWS. Zij betaalden ontvangen bedragen door, waarbij onder meer valse facturen gebruikt werden. Wetenschap en gedrag van [gedaagde sub 6] kunnen aan die vennootschappen worden toegerekend, gelet op de nauwe band (vergelijk de vaststaande feiten onder 2.13. en 2.14.) die tussen [gedaagde sub 6] en die vennootschappen bestaat; ook de vennootschappen hebben gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer jegens PWS betaamde. De schade moet gesteld worden op het verschil in koopsom (hetgeen door PWS teveel werd betaald dan wel te weinig ontvangen) dat is veroorzaakt althans mogelijk gemaakt door het handelen van [gedaagde sub 6] c.s. [gedaagde sub 6], Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal ([gedaagde sub 6] c.s.) zijn, gelet op de samenhang, voor de schade alle hoofdelijk aansprakelijk. PWS acht voor het bewijs van haar stellingen wezenlijk de overzichten D/001-003, die bij [gedaagde sub 6] zijn aangetroffen door de FIOD. D/001 en D/002 zijn door hem opgesteld, D/003 is door [persoon 2] opgesteld en naar hem toegefaxt. De betreffende bedragen zijn blijkens het FIOD-onderzoek daadwerkelijk op de bankrekeningen van [gedaagde sub 6] c.s. binnengekomen. Voor deze betalingen ontbrak elke deugdelijke grondslag. 4.39. het verweer van [gedaagde sub 6] c.s. [gedaagde sub 6] c.s. betwist een onrechtmatige daad gepleegd te hebben, dat eventueel onrechtmatig handelen aan hem is toe te rekenen en dat sprake is van daardoor veroorzaakte schade, laat staan van de gestelde omvang. Voor wat betreft de onrechtmatigheid betwist [gedaagde sub 6] dat hij enige specifieke (wettelijke) verplichting jegens PWS en/of hetgeen uit de maatschappelijke betamelijkheid jegens haar voortvloeide heeft geschonden. [gedaagde sub 6] was, voordat hij werd aangetrokken door PWS, al geruime tijd werkzaam in de vastgoedsector; het sprak vanzelf dat hij zijn bezigheden voort mocht zetten. Zeker toen hij toetrad tot de Raad van Toezicht was dat duidelijk, nu dat een nevenfunctie betrof waar [gedaagde sub 6] slechts € 10.000,- per jaar voor ontving. De normen die PWS geschonden acht bestonden niet in de periode dat [gedaagde sub 6] (vice-)voorzitter van de Raad van Toezicht was, de statuten bepalen op dat punt niets relevants. Alleen ten aanzien van het project St. Jacobsplaats heeft [gedaagde sub 6] zich in het voortraject met het project bemoeid, en daarvoor had hij uitdrukkelijk mandaat van PWS. Voor het overige heeft hij zich in het voortraject niet met de projecten ingelaten. Voor zover [gedaagde sub 6] bedragen heeft ontvangen staan daar daadwerkelijk verrichte werkzaamheden tegenover en/of berusten deze op daartoe gesloten overeenkomsten. Die werkzaamheden zijn door [gedaagde sub 6] niet verricht in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Raad van Toezicht en het stond hem vrij die te verrichten. PWS was daarvan op de hoogte, zoals ook blijkt uit de verklaring van [persoon 3]. Dat [gedaagde sub 6] voor projecten waarvan hij bewerkstelligde dat PWS (en niet [gedaagde sub 6] zelf) die kon verwerven van de verkopende partij een vergoeding ontving, is redelijk. Dat hij deze vergoedingen via Jamabel, Zuidsingel of Berkendaal ontving gaat PWS niet aan. Deze vennootschappen hebben evenmin enige norm jegens PWS geschonden. Niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste, aldus nog steeds [gedaagde sub 6] c.s. 4.40. Aangaande de toerekenbaarheid betwisten [gedaagde sub 6] en zijn vennootschappen dat hen een verwijt gemaakt kan worden, nu zij niet beoogden PWS te benadelen en zich daarvan ook niet bewust waren of hoefden te zijn. Overigens mogen [gedaagde sub 6] en zijn vennootschappen niet vereenzelvigd worden; hij is niet in privé aansprakelijk voor de schade uit eventuele onrechtmatige handelingen van zijn vennootschappen omdat hem daarvan geen ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden terwijl andersom de vennootschappen niet vereenzelvigd kunnen worden met [gedaagde sub 6] 4.41. Voor wat betreft de schade meent [gedaagde sub 6] c.s. dat die ontbreekt. Voor elke aankoop geldt, dat de door PWS betaalde koopsom reëel was, dat deze is besproken en (unaniem) goedgekeurd in de Raad van Toezicht omdat zij voldeed aan de eigen investeringscriteria van PWS. Daarnaast geldt voor alle transacties dat uit de rapporten van Ernst & Young, een deskundige partij die onder meer was verzocht vast te stellen of sprake was van benadeling, blijkt dat die benadeling niet vastgesteld kon worden. Over de vergoedingen die [gedaagde sub 6] ontving werd pas onderhandeld nadat met PWS overeenstemming bereikt was over de koopprijs, zodat de koopprijs daardoor niet is verhoogd. Het verschil in koopprijs bij opeenvolgende transacties bij de gestelde doorleveringen is geen schade. Dat vastgoed wordt doorgeleverd is op zichzelf niet ongebruikelijk of onrechtmatig, evenmin als de omstandigheid dat daarbij winst wordt gemaakt. De projecten zijn verworven voor de door derden getaxeerde prijzen en voldeden aan de vooraf door PWS zelf vastgestelde rendementseisen. 4.42. Voor zover het gaat om vergoedingen die [gedaagde sub 11] aan [gedaagde sub 6] (al dan niet via de vennootschappen) heeft betaald geldt, dat [gedaagde sub 11] een overeenkomst had met PWS die hem recht gaf op een aanbrengvergoeding/ commissie/courtage van 1% van alle ver- en aankopen van PWS. [persoon 3] was op de hoogte van die overeenkomst. De betalingen in het kader van de projecten Aelbrechtskade, Giam, Woonplus I en II, Slaakhuys en Pleinweg vloeien rechtstreeks voort uit die met [gedaagde sub 10] (Holding) gesloten overeenkomst. Jamabel heeft ten aanzien van de projecten Aelbrechtskade, Giam, Woonplus I en II, Slaakhuys en Pleinweg recht op vergoedingen uit hoofde van overeenkomsten met [bedrijf 2]. 4.43. Er is voorts aanleiding voor verrekening van het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Bijvoorbeeld bij de projecten Pleinweg en Vissersdijk zijn aanzienlijke winsten gerealiseerd, zo stelt [gedaagde sub 6] c.s. Tenslotte heeft PWS niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht omdat zij niet is ingegaan op het aanbod van De Wilgen om alle projecten/aankopen tegen kostprijs over te nemen, inclusief de gemaakte kosten. 4.44. oordeel rechtbank Voorop gesteld wordt dat partijen het er, terecht, over eens zijn dat het aan PWS als eiseres is om te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, te bewijzen, dat aan de vereisten voor een onrechtmatige daad is voldaan. Dat op [gedaagde sub 6] c.s. een verzwaarde stelplicht zou rusten, zoals PWS meent, acht de rechtbank niet juist. Van een verplichting voor [gedaagde sub 6] c.s. om PWS aanknopingspunten te bieden voor de bewijsvoering van PWS zou hoogstens sprake kunnen zijn als voldoende aannemelijk was dat [gedaagde sub 6] c.s. beschikt over wezenlijke informatie (althans daarover geacht moet worden te kunnen beschikken omdat deze tot zijn domein behoort) waartoe PWS niet op andere wijze toegang heeft of kan krijgen. Dat zich een dergelijke situatie voordoet heeft PWS niet aannemelijk gemaakt. Niet in te zien valt dat of waarom sprake zou zijn van een relevant verschil in (toegang tot de relevante) informatie. PWS beschikt immers niet alleen over haar eigen administratie aangaande de projecten in kwestie, maar heeft bovendien de beschikking over de Ernst & Young rapporten en – tenminste een groot deel van – het FIOD-dossier. Dat betekent, dat de normale regels omtrent stelplicht en bewijslast van toepassing zijn. 4.45. De rechtbank oordeelt tegen die achtergrond als volgt. Voor wat betreft de onrechtmatigheid acht de rechtbank het handelen van [gedaagde sub 6] in strijd met hetgeen hem uit hoofde van de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer jegens PWS betaamde op de hierna nader toe te lichten gronden. Datzelfde geldt, in de hierna aan te geven gevallen, op mutatis mutandis dezelfde gronden voor de door [gedaagde sub 6] gecontroleerde vennootschappen Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal. 4.46. De specifieke (gedrags)regels waarop PWS zich beroept, met name in het kader van corporate governance, zijn inderdaad, zoals [gedaagde sub 6] c.s. terecht aanvoert, grotendeels tot stand gekomen nadat de onderhavige transacties werden gesloten. Ook juist is, dat in de constructie zoals die na 1994 bij PWS als woningcorporatie bestond - een stichting met een éénhoofdig bestuur, waarop toezicht werd gehouden door een Raad van Toezicht - de regels die boek 2 BW geeft voor het bestuur en de Raad van Commissarissen van een vennootschap, niet rechtstreeks op [gedaagde sub 6] in zijn verhouding tot PWS van toepassing waren. Dat neemt echter niet weg dat er in de periode 1998-2005, de periode van de onderhavige transacties, in het maatschappelijk verkeer wel degelijk normen golden voor hetgeen toelaatbaar was in de verhouding tussen [gedaagde sub 6] als voorzitter van de Raad van Toezicht en PWS als stichting, en dat die normen vergelijkbaar waren met hetgeen in de wet was vastgelegd voor de Raad van Commissarissen ten opzichte van een vennootschap. PWS was geen vennootschap en had dus geen winstoogmerk, maar zij bewoog zich wel op een - tenminste ten dele - commerciële markt en van haar werd, naar [gedaagde sub 6] zelf ook benadrukt, een zakelijke opstelling verwacht. Weliswaar bracht haar positie als woningcorporatie mee dat zij ook maatschappelijke doeleinden diende na te streven, maar dat maakte het eerder belangrijker dan minder belangrijk dat zorgvuldig met de beperkte middelen werd omgesprongen. De positie van de Raad van Toezicht bij PWS was in hoge mate vergelijkbaar met die van een Raad van Commissarissen bij een vennootschap in de zin dat toezicht op het bestuur moest worden gehouden, waarbij een zekere distantie en onafhankelijk karakter noodzakelijk waren en werden verwacht. Dat bestrijdt [gedaagde sub 6] c.s. overigens niet, in zijn stukken gaat hij uitgebreid in op de waarborgen die er op dat punt waren, onder meer om de indruk weg te nemen dat de omstandigheid dat [persoon 2] en [gedaagde sub 6] oude vrienden waren een rol zou hebben gespeeld bij de benoeming van [persoon 2]. Daarbij gaf de omstandigheid dat het bestuur slechts uit één man bestond, zodat van collegiale controle geen sprake was, en [gedaagde sub 6] dat wist en die man bovendien (goed) kende, juist extra gewicht aan de toezichthoudende taak van de Raad van Toezicht en aan die eisen van distantie en onafhankelijkheid. 4.47. Ook de omstandigheid dat de functie als voorzitter van de Raad van Toezicht ontegenzeggelijk een nevenfunctie was, mede gelet op de beloning van € 10.000,- per jaar, komt overeen met hetgeen gebruikelijk is voor het voorzitterschap van een Raad van Commissarissen in een onderneming van vergelijkbare grootte. Dat het [gedaagde sub 6] vrij stond om naast zijn voorzitterschap andere, betaalde werkzaamheden te verrichten wordt door de rechtbank tot uitgangspunt genomen. Als vaststaand wordt voorts aangenomen dat PWS wist dat hij andere, betaalde bezigheden had. Dat hij andere bezigheden heeft verricht is echter niet wat PWS hem verwijt. De kern van de verwijten is dat sommige van die bezigheden zodanig waren dat zij zich niet verdroegen met zijn voorzitterschap van de Raad van Toezicht. Daarbij gaat het om transparantie en belangenverstrengeling, met name in financiële zin. [gedaagde sub 6] diende, omdat hij voorzitter van de Raad van Toezicht was, naar het oordeel van de rechtbank af te zien van het op enigerlei wijze participeren in of goedkeuren van vastgoedtransacties van PWS in verband waarmee hij, om welke reden dan ook, zelf of via een door hem gecontroleerde vennootschap, geld zou ontvangen. Het behoorlijk houden van toezicht op het bestuur ter zake van (voorgenomen) transacties brengt immers mee, dat geen sprake mag zijn van eigen belangen bij die transacties in de vorm van als gevolg daarvan te ontvangen geld. Dat is een maatschappelijke norm, die ook toen gold. PWS mocht er van uitgaan dat [gedaagde sub 6], toen hij het voorzitterschap accepteerde, zich er rekenschap van had gegeven dat dergelijk behoorlijk toezicht van hem verlangd werd. Het gaat er dus in het bijzonder om dat PWS er, bij elke individuele transactie, van moest kunnen uitgaan dat (het bestuur
  7. en)de toezichthouder geen eigen financieel belang had(den) bij de transactie. Dit geldt ongeacht of al dan niet daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht -hier: door [gedaagde sub 6]- in het kader van die transactie. Onder omstandigheden is niet ondenkbaar dat een voor een concrete individuele transactie met PWS gemaakte afspraak ruimte zou hebben geboden voor financieel voordeel bij [gedaagde sub 6], maar daartoe heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld; dit zal hierna (waar nodig) worden besproken in het kader van de individuele projecten. De algemene overeenkomst tussen [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 11] in combinatie met een overeenkomst tussen [gedaagde sub 11] en PWS (waaraan bijvoorbeeld gerefereerd wordt onder 2.33.) -wat daarvan verder ook zij-, die volgens [gedaagde sub 6] c.s. de directe aanleiding en grond vormden voor de ontvangst van gelden door [gedaagde sub 6] (of een door hem gecontroleerde vennootschap), neemt op zichzelf niet de bezwaren weg die zijn verbonden aan een eigen (financieel) belang van [gedaagde sub 6] bij transacties van PWS. Overigens geldt wel dat evident is, kennelijk ook voor [gedaagde sub 6] c.s. zelf, dat het verdienen aan transacties van PWS ernstig laakbaar is als van feitelijk verrichte werkzaamheden die betreffende verdiensten rechtvaardigen en/of een overeenkomst die strekt tot vergoeding daarvan geen sprake was. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de hoogte van de ter zake van een object betaalde (of in een enkel geval, ontvangen) prijs en het gegeven dat die voldeed aan de rendementseisen van PWS niet ter zake doen voor de onrechtmatigheid, evenmin als de goedkeuring van de voltallige Raad van Toezicht, als die niet op de hoogte was van de achterliggende geldstromen. De toepasselijkheid van de corporate opportunities-leer is in dit verband niet van belang. Op deze aspecten zal hierna, zo nodig, per project worden teruggekomen in verband met de vraag of voldoende is gesteld (dan wel bewezen) aangaande de aannemelijkheid van schade. 4.48. [ gedaagde sub 6] moet, in zijn positie, in redelijkheid het laakbare van zijn handelwijze hebben beseft. De wijze waarop gecommuniceerd werd duidt er op dat hij dat ook besefte. Er zijn diverse e-mails aangetroffen waaruit blijkt dat [persoon 2], [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 3] veelvuldig contact hadden over financiële kwesties. Die mails zijn niet te verenigen met de openheid van zaken tegenover de Raad van Toezicht waartoe [gedaagde sub 6] verplicht was; de rechtbank wijst op de e-mail van [persoon 2] waarin gevraagd werd de Raad van Toezicht niet op de hoogte te stellen, waarna [gedaagde sub 6] dat ook niet heeft gedaan (D/235, zie 2.47.). Tenslotte is van de drie overzichten waarin de verhouding tussen de aan [persoon 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 6] c.s. toebedeelde bedragen werd verantwoord er één, naar voldoende aannemelijk is geworden, door [gedaagde sub 6] zelf opgesteld (D/002) terwijl ze alle drie bij [gedaagde sub 6] zijn aangetroffen, zodat hij daarvan op de hoogte moet zijn geweest. Deze overzichten, in combinatie met de e-mails, laten geen andere verklaring toe dan deze, dat [gedaagde sub 6] wist dat (buiten de rest van de Raad van Toezicht
  8. om)bedragen werden verdeeld zonder dat daarvoor een deugdelijke rechtvaardiging bestond en daarmee ook dat [persoon 2], [gedaagde sub 3] en hijzelf misbruik maakten van hun positie bij PWS om zichzelf te verrijken. Tenslotte wijst ook het gebruik van Zwitserse bankrekeningen op bewustzijn bij [gedaagde sub 6] dat de geldstromen in kwestie een onoirbaar karakter hadden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [gedaagde sub 6] jegens PWS onrechtmatig heeft gehandeld. Nu de gevolgde gedragslijn geheel is gebaseerd op bewuste keuzes van [gedaagde sub 6] dient zijn onrechtmatige gedrag hem ten volle te worden toegerekend, waarbij de aard van de onrechtmatige gedragingen een ruime toerekening van schade rechtvaardigt. Deze aard komt er immers op neer, dat [gedaagde sub 6] met opzet heeft meegewerkt aan constructies die, voor iemand in zijn positie redelijkerwijs voorzienbaar, tot financieel nadeel voor PWS zouden (kunnen) leiden, terwijl hij in een vertrouwenspositie ten opzichte van PWS verkeerde waarin hij juist haar financiële belangen diende te beschermen. Hoewel op zichzelf juist is dat [gedaagde sub 6] niet vereenzelvigd kan worden met Jamabel, Zuidsingel en Berkendaal brengt de positie die hij bij die vennootschappen bekleedde mee, dat zijn wetenschap aan die vennootschappen kan worden toegerekend. In zoverre vloeit uit de onrechtmatigheid van de handelingen van [gedaagde sub 6] dan ook de onrechtmatigheid van de handelingen van bedoelde vennootschappen - die met name zagen op facturering en het ontvangen en doorbetalen van gelden - voort. Op de aansprakelijkheid van de vennootschappen wordt onder 4.96., na bespreking van de projecten, teruggekomen. 4.49. Voor zover [gedaagde sub 6] c.s. zich heeft willen beroepen op medeschuld van PWS wordt dat beroep, gegeven de feitelijke situatie, verworpen. Waar hij zelf voor anderen binnen de Raad van Toezicht de geldstromen in kwestie verborgen hield kan hij PWS niet verwijten dat zij hem teveel heeft vertrouwd. 4.50. Dat PWS heeft nagelaten een aanbod (van De Wilgen) te accepteren om alle projecten over te nemen, hetgeen bij de bespreking van haar schade in haar nadeel zou moeten werken, is niet aannemelijk, nu PWS ontkent dat dat aanbod voldoende concreet en expliciet is gedaan. De als productie 6 bij conclusie na comparitie door [gedaagde sub 6] c.s. overgelegde brief is, tegenover de verklaring van [persoon 17] op dat punt, gelet op de positie van [persoon 17] binnen PWS en gelet op de bewoordingen van meerbedoelde brief zelf (waren bereid-boden aan ... indien de prognoses dat zouden toelaten) in dat verband onvoldoende. Voor het overige geldt mutatis mutandis hetgeen onder 4.8. werd overwogen. 4.51. Voor wat betreft de voordeeltoerekening geldt mutatis mutandis hetgeen daaromtrent onder 4.9. werd overwogen. In het kader van het schadedebat kunnen partijen daarop desgewenst nader terugkomen. 4.52. Meer in het algemeen verdient opmerking dat uit het voorgaande niet zonder meer voortvloeit dat de schade gelijk is aan het verschil tussen de eerdere aankoopprijs en de door PWS betaalde prijs; daaromtrent zal (pas) na nader partijdebat over de schade zo nodig beslist (kunnen) worden. de projecten nader bezien Aelbrechtskade 4.53. PWS vordert een bedrag groot ƒ 575.000,=, zijnde het verschil tussen de door PWS betaalde prijs van ƒ 2.450.000,= en de minder dan 2 maanden daarvoor door de vorige eigenaar, Eljawa Beheer BV, voor die panden betaalde prijs. Het gaat hier om een pakket in slechte staat verkerende woningen dat is aangekocht door PWS in 2001. De verdeling van een bedrag van ƒ 75.000,= door Bremermax (bedoeld zal zijn: Bremamax, een door [gedaagde sub 10] gecontroleerde vennootschap) over Jamabel, [gedaagde sub 3] en [persoon 2] blijkt uit het door [gedaagde sub 6] zelf opgestelde en door de Fiod aangetroffen staatje D/002. [gedaagde sub 10] heeft deze ƒ 75.000,= gestort op de bankrekening van Jamabel; Jamabel heeft vervolgens van haar Zwitserse rekening twee overschrijvingen van de tegenwaarde van ƒ 25.000,= op de Zwitserse bankrekeningen van [persoon 2] en [gedaagde sub 3] gedaan. Daarbij wordt ook vermeld “provisie Bremermax Aelbrechtskade Rotterdam” (vergelijk de constatering van de FIOD, 2.34.) Voorts blijken [gedaagde sub 3] en [persoon 2] elk de tegenwaarde van ƒ 25.000,= op Zwitserse bankrekeningen te hebben ontvangen. 4.54. [ gedaagde sub 6] c.s. stelt dat, omdat PWS niet zelf wilde onderhandelen met de verkoper, door [gedaagde sub 10] is bemiddeld; [gedaagde sub 11] heeft daarvoor een courtage van 1% ontvangen. Dat is in de Raad van Toezicht besproken en goedgekeurd. De vergoeding die [gedaagde sub 6] voor Jamabel heeft ontvangen van [gedaagde sub 11] vindt zijn rechtvaardiging in de overeenkomst die [gedaagde sub 11] en [gedaagde sub 6] hadden. 4.55. Dat de door [gedaagde sub 6] c.s. bedoelde afspraak tussen [gedaagde sub 11] en PWS is gemaakt staat naar het oordeel van de rechtbank vast, gelet op de door PWS zelf overgelegde brieven (bijlage 18-120 bij E&Y rapport I; zie ook onder 2.33.). De huidige voorzitter van de Raad van Toezicht, [persoon 3], heeft voorts verklaard (bij de rechter-commissaris, in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek; productie 6 bij antwoordconclusie na comparitie) dat een dergelijke afspraak is gemaakt, hij beschikte zelfs over de overeenkomst. Hij heeft in verband met dit project verklaard dat het voor het imago van PWS beter was om niet rechtstreeks zaken te doen met “louche” partijen als Eljawa, zodat het zijn voorkeur had om een tussenpersoon in te schakelen, hoewel hij daaraan toevoegt “als ons dat geen cent kostte”. Uit het FIOD-dossier, waarnaar PWS verwijst, blijkt dat een factuur van ƒ 24.500,= met vermelding van 1% commissiekosten ter zake van dit project aan PWS is gezonden. Dit alles baat [gedaagde sub 6] c.s. echter niet. Dat PWS van de betalingen van [gedaagde sub 11] aan [gedaagde sub 6] c.s. wist en deze had goedgevonden blijkt niet; gesteld is zelfs niet dat daarvan mededeling is gedaan. PWS hoefde ook niet te verwachten dat de voorzitter van haar Raad van Toezicht aan deze constructie zou verdienen; dat het [gedaagde sub 6] vrij stond andere zakelijke werkzaamheden tegen betaling te verrichten zag immers juist niet op transacties waarbij PWS betrokken was. Met betrekking tot dergelijke transacties diende voor [gedaagde sub 6] het belang van PWS steeds leidend te zijn, niet zijn eigen - met dat belang van PWS strijdige - belang om voor zichzelf geld te verdienen aan dergelijke transacties. Tegen die achtergrond zijn de betalingen die [gedaagde sub 6] (via Jamabel, die - naar vast staat - geen werkzaamheden heeft verricht in dit kader) heeft geaccepteerd, onrechtmatig jegens PWS en kunnen de provisie-overeenkomst tussen PWS en [gedaagde sub 11] en de stellingen van [gedaagde sub 6] c.s. aangaande de afspraken tussen [gedaagde sub 10] en [gedaagde sub 6] deze niet rechtvaardigen. PWS ging er slechts van uit, en mocht er ook vanuit gaan, dat [gedaagde sub 11] een vergoeding voor haar bemiddeling ontving, niet dat [gedaagde sub 6] daarvan een gedeelte zou krijgen. Aangenomen mag worden dat PWS niet met een dergelijke vergoeding voor [gedaagde sub 11] zou hebben ingestemd indien [gedaagde sub 6] PWS had geïnformeerd over zijn rechtstreekse persoonlijke belang daarbij. Voor wat betreft de schade voor PWS geldt, dat [gedaagde sub 6] c.s. niet heeft betwist dat Jamabel ƒ 75.000,= heeft ontvangen (en aan [persoon 2] en [gedaagde sub 3] elk ƒ 25.000,= heeft doorbetaald) in verband met deze transactie. PWS heeft dit niet separaat aan [gedaagde sub 10] betaald; het bedrag is bovendien hoger dan de provisie die [gedaagde sub 10] heeft ontvangen en er is geen enkele reden om aan te nemen dat [gedaagde sub 10] op de transactie heeft toegelegd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit bedrag - tenminste ten dele - van de verkoper, Eljawa, afkomstig moet zijn. Dat deze dat voor eigen rekening genomen heeft zonder dat in de verkoopprijs aan PWS door te berekenen is zeer onaannemelijk, mede in aanmerking genomen het verschil van ƒ 575.000,= tussen de aankoopprijs die Eljawa 2 maanden eerder had betaald en de verkoopprijs die Eljawa met PWS heeft afgesproken. Het gedeelte van de provisie dat [gedaagde sub 11] bereid was aan derden af te dragen is dus, naar voldoende aannemelijk is, verkregen van PWS en betreft een kostenpost die PWS niet had behoeven te maken indien [gedaagde sub 6] (en Jamabel, door als doorgeefluik te functioneren) niet onrechtmatig zou(den) hebben gehandeld. Hoewel, op basis van het FIOD-rapport (vgl. 2.34. hiervoor), niet kan worden volgehouden dat de exacte geldstromen vast staan, acht de rechtbank gelet op de ruime toerekening die in dit geval aan de orde is, voorshands bewezen dat in ieder geval ƒ 75.000,= aan schade is geleden door PWS als gevolg van de onrechtmatige daad van (onder meer) [gedaagde sub 6] Het staat partijen vrij om in de schadestaatprocedure het debat voort te zetten en daarin bewijsaanbiedingen te doen om een en ander beter in kaart te brengen. Giam 4.56. De met “Giam” aangeduide transactie betreft een aankoop door PWS op 26 mei 2000 (productie 32 conclusie van repliek, AH-70, zie ook 2.35. hiervoor). PWS stelt daaromtrent kort gezegd het volgende. Giam, een vennootschap die [gedaagde sub 10] zegt te beheersen, heeft het betreffende pakket gekocht van Eljawa voor ƒ 10.600.000,= en dezelfde dag doorverkocht aan PWS voor ƒ 12.200.000,=. Eljawa heeft ter zake per bank op 3 juni 2000 aan een buitenlandse vennootschap, Comanco, een bedrag van ƒ 1.454.831,= betaald; Comanco heeft enkele dagen later (5 juni 2000) ƒ 1.144.113,= betaald aan Jamabel. Op het bij [gedaagde sub 6] aangetroffen overzicht D/001 komt dit bedrag en de datum 5 juni 2000 met vermelding Comanco inzake Slier 2 voor (met vermeldingen in de kolommen bij [persoon 2] en [gedaagde sub 3]). Tegenover de FIOD heeft [gedaagde sub 10], nadat hij op zijn zwijgrecht was gewezen, verklaard dat S

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.