RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/960263-10 Datum uitspraak: 6 december 2011 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] (Suriname) ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsvrouw mr. S.M. Krans, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Patist heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland. BEWIJS Rechtmatigheid start onderzoek De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de officier van justitie heeft verzuimd antwoord te geven op de vraag welke feiten of omstandigheden hem op 8 oktober 2009 aanleiding hebben gegeven een proces-verbaal van verdenking ex. art. 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) contra medeverdachte [verdachte 3] op te laten stellen door de Dienst Nationale Recherche (proces-verbaal d.d. 8 december 2009 van verbalisant [verbalisant]), hetgeen tot bewijsuitsluiting van alle ten gevolge van deze opdracht verkregen dossierstukken dient te leiden. Dit klemt te meer, volgens de raadsvrouw, nu de eerste duidelijke aanwijzing van betrokkenheid van [verdachte 3] bij Opiumwetdelicten is gelegen in een CIE-proces-verbaal van 25 november 2009, ruim anderhalve maand na de opdracht van de officier van justitie. De rechtbank verwerpt dit verweer. Ingevolge het in de wet neergelegde opportuniteitsbeginsel is de beslissing tot en de wijze van vervolging voorbehouden aan het openbaar ministerie. In de fase van de pre-opsporing, de fase waarin het onderzoek zich bevond toen de officier van justitie de opdracht gaf, is de officier van justitie eens te meer bevoegd om autonoom op te treden. Binnen deze autonomie past ook het aan opsporingsambtenaren opdracht geven onderzoek te verrichten om te komen tot een verdenking ex 27 Sv. Omtrent de aanleiding om tot een dergelijke opdracht over te gaan behoeft de officier van jusititie op de zitting geen verantwoording af te leggen. Eén en ander behoudens bijzondere omstandigheden die in dit geval gesteld noch gebleken zijn. Bewijsmotivering Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen (bijlage II bij dit vonnis) kan worden vastgesteld dat de verdachte op 23 november 2010 en op enige dagen in de periode daaraan voorafgaand samen met anderen in een woning aan [adres 1] cocaïne heeft versneden, gewogen, verpakt, gemixed en getaped. Naar aanleiding van de door de verdediging gevoerde bewijsverweren en de inhoud van het requisitoir van de officier van justitie wordt het volgende overwogen. Medeplegen De rollen die de verdachte en zijn medeverdachten bij de vastgestelde handelingen - versnijden, tapen, mengen etc.- hebben gehad zijn zodanig inwisselbaar en allen gericht op het hetzelfde doel dat hieruit een nauwe en bewuste samenwerking kan worden afgeleid. De verdachte en zijn medeverdachten kunnen daarom als medeplegers worden aangemerkt. Cocaïne? Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten al ongeveer drie weken tot een maand, een tot twee keer per week in de woning aanwezig waren en dat het die keren naar de mening van een aantal van de aanwezige verdachten telkens ging om pakketten cocaïne van ongeveer 10 tot 20 kilo die moesten worden ‘getaped’ Deze feiten en omstandigheden bezien in samenhang met de aangetroffen situatie in de woning op de 23e november 2010 brengen de rechtbank tot de conclusie dat het op de andere dagen ook cocaïne is geweest waarmee de verdachte en zijn medeverdachte hebben gewerkt. De aangetroffen situatie in de woning duidt er immers ook op dat deze woning geschikt was gemaakt als “versnijdingswerkplaats” die vaker dan slechts op de 23e november als zodanig was gebruikt. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat aanwijzingen dat het op de andere dagen niet om cocaïne ging noch gesteld noch gebleken zijn. Verwerken/bewerken De begrippen ‘bewerken’ of ‘verwerken’ sluiten nauw bij elkaar aan en hebben nauwelijks een te onderscheiden betekenis. De wetgever heeft met deze termen beoogd handelingen die worden begaan met betrekking tot stoffen waar de Opiumwet op ziet strafbaar te stellen. In de jurisprudentie is aangenomen dat het mengen van verschillende soorten hennep aan te merken is als ‘bewerken’. Het toevoegen van een versnijdingsmiddel, het mengen, het herverpakken en vervolgens tapen van cocaïne past binnen zowel de bedoeling van de wetgever alsook in uitleg in de (genoemde) jurisprudentie. Bewezenverklaring Op grond van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 en laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 23 november 2010 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, een grote hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 22 november 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, grote hoeveelheden, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. STRAFBAARHEID FEITEN De bewezen feiten leveren op: 1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; 2. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. De feiten zijn strafbaar. STRAFBAARHEID VERDACHTE De verdachte is strafbaar. STRAFMOTIVERING De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer twee maanden schuldig gemaakt aan het bewerken van grote hoeveelheden cocaïne. De partij waarmee de verdachte is aangetroffen, was van een forse omvang. Wanneer deze partij cocaïne niet door de politie zou zijn onderschept, zou ook deze waarschijnlijk in Nederland of elders op de markt zijn gebracht met alle schadelijke gevolgen van dien. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten. Het is algemeen bekend dat gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, veelvuldig strafbare feiten plegen. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld oplevert aan alle personen die zitten in de organisatie van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. De rechtbank heeft kennis genomen van het op naam van de verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2011. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank heeft zich bij de bepaling van de strafmaat daarnaast rekenschap gegeven van een reclasseringsadvies omtrent de verdachte van 12 augustus 2011, waarin wordt geadviseerd om aan de verdachte bij een veroordeling een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met verplicht reclasseringscontact, waaronder zou vallen een meldingsgebod en verplichte deelname aan een gedragsinterventie. Dit advies zal door de rechtbank worden gevolgd. Ook heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij vergelijkbare zaken en de landelijke oriëntatiepunten ter zake de invoer van cocaïne, afgezet tegen het onderscheid in strafmaxima dat de wetgever heeft gemaakt tussen de invoer van cocaïne enerzijds en het bewerken/verwerken van cocaïne anderzijds. In het bovenstaande wordt aanleiding gezien een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en deze ten opzichte van de eis van de officier van justitie te matigen. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet. BESLISSING De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 28 (ACHTENTWINTIG) maanden; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot 8 (ACHT) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten; stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (TWEE) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien: - de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt; - de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft; stelt als bijzondere voorwaarde: - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting; verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde; beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; wijst af de verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door: mr. Janssen, voorzitter, en mrs. Van Nijen en Blagrove, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Balk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 december 2011. Bijlage I bij vonnis van 6 december 2011: TEKST TENLASTELEGGING Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 23 november 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), van (een) materia(a)l(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.