RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/960264-10 Datum uitspraak: 6 december 2011 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte 2], geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] (Suriname), ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres] ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer, raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Patist heeft gerekwireerd tot: - vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde; - bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland. MOTIVERING VRIJSPRAAK Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman. BEWIJS Bewijsuitsluiting verklaringen medeverdachten [verdachte 4] en [verdachte 1]. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de medeverdachten [verdachte 4] en [verdachte 1], zoals zij deze bij de politie hebben afgelegd, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verdediging geen gelegenheid heeft gehad de verklaringen van deze belastende getuige te kunnen toetsen, aangezien zij zich op de terechtzitting op hun respectievelijke verschoningsrecht hebben beroepen. Bij de beoordeling van dit verweer moet worden vooropgesteld (vgl. HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427 en recenter HR 5 januari 2010, LJN BJ6932) dat in het licht van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder te noemen: EVRM) het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal, voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd is en in het bijzonder niet onverenigbaar is met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van onverenigbaarheid als hiervoor bedoeld is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde recht. In aanmerking genomen dat zowel [verdachte 4] als [verdachte 1] ter terechtzitting als getuigen zijn gehoord en dat de verdediging gelegenheid heeft gehad om over die getuigen, diens eerder afgelegde verklaringen en over hetgeen zij ter terechtzitting heeft verklaard naar voren te brengen wat zij noodzakelijk oordeelde, staat er - met inachtneming van hetgeen is vooropgesteld - niets aan in de weg dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van de verklaringen die [verdachte 4] en [verdachte 1] bij de politie hebben afgelegd. Het verweer wordt verworpen. Betrouwbaarheid verklaringen medeverdachten Anders dan de verdediging heeft betoogd acht de rechtbank de verklaringen van de medeverdachte betrouwbaar en geloofwaardig. Op de eerste plaats sluiten de verklaringen van de twee medeverdachten voor een groot deel op elkaar aan. Daarnaast ontzien verdachten zichzelf in die verklaringen niet en proberen zij zichzelf niet vrij te pleiten door de verdachte te belasten. Ook bevestigen de camerabeelden van de ingang van de [adres] de verklaringen van de medeverdachte in ieder geval in die zin dat de verdachte en zijn medeverdachten in de ten laste gelegde periode vaker samen aanwezig zijn geweest in de woning aan de [adres]. Bewijsmotivering Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen (bijlage II bij dit vonnis) kan worden vastgesteld dat de verdachte op 23 november 2010 en op enige dagen in de periode daaraan voorafgaand samen met anderen in een woning aan de [adres] cocaïne heeft versneden, gewogen, verpakt, gemixed en getaped. Naar aanleiding van de door de verdediging gevoerde bewijsverweren en de inhoud van het requisitoir van de officier van justitie wordt het volgende overwogen. Medeplegen De rollen die de verdachte en zijn medeverdachten bij de vastgestelde handelingen - versnijden, tapen, mengen etc.- hebben gehad zijn zodanig inwisselbaar en allen gericht op het hetzelfde doel dat hieruit een nauwe en bewuste samenwerking kan worden afgeleid. De verdachte en zijn medeverdachten kunnen daarom als medeplegers worden aangemerkt. Cocaïne? Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten al ongeveer drie weken tot een maand, een tot twee keer per week in de woning aanwezig waren en dat het die keren naar de mening van een aantal van de aanwezige verdachten telkens ging om pakketten cocaïne van ongeveer 10 tot 20 kilo die moesten worden ‘getaped’. Deze feiten en omstandigheden bezien in samenhang met de aangetroffen situatie in de woning op de 23e november 2010 brengen de rechtbank tot de conclusie dat het op de andere dagen ook cocaïne is geweest waarmee de verdachte en zijn medeverdachte hebben gewerkt. De aangetroffen situatie in de woning duidt er immers ook op dat deze woning geschikt was gemaakt als “versnijdingswerkplaats” die vaker dan slechts op de 23e november als zodanig was gebruikt. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat aanwijzingen dat het op de andere dagen niet om cocaïne ging noch gesteld noch gebleken zijn. Verwerken/bewerken De begrippen ‘bewerken’ of ‘verwerken’ sluiten nauw bij elkaar aan en hebben nauwelijks een te onderscheiden betekenis. De wetgever heeft met deze termen beoogd handelingen die worden begaan met betrekking tot stoffen waar de Opiumwet op ziet strafbaar te stellen. In de jurisprudentie is aangenomen dat het mengen van verschillende soorten hennep aan te merken is als ‘bewerken’. Het toevoegen van een versnijdingsmiddel, het mengen, het herverpakken en vervolgens tapen van cocaïne past binnen zowel de bedoeling van de wetgever alsook in uitleg in de (genoemde) jurisprudentie. Bewezenverklaring Op grond van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 en laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 23 november 2010 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, een grote hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;; 3. hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 22 november 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt , grote hoeveelheden, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. STRAFBAARHEID FEITEN De bewezen feiten leveren op: 1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; 3. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. De feiten zijn strafbaar. STRAFBAARHEID VERDACHTE De verdachte is strafbaar. STRAFMOTIVERING De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder het de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer twee maanden schuldig gemaakt aan het bewerken van grote hoeveelheden cocaïne. De partij waarmee de verdachte is aangetroffen, was van een forse omvang. Wanneer deze partij cocaïne niet door de politie zou zijn onderschept, zou ook deze waarschijnlijk in Nederland of elders op de markt zijn gebracht met alle schadelijke gevolgen van dien. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten. Het is algemeen bekend dat gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, veelvuldig strafbare feiten plegen. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld oplevert aan alle personen die zitten in de organisatie van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. De rechtbank heeft ook kennis genomen van het op naam van de verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2011. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank heeft zich bij de bepaling van de strafmaat daarnaast rekenschap gegeven van een brief van De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie betreffende de verdachte van 21 november 2011, waarin wordt aangegeven dat de verdachte thans bij De Waag in behandeling is. In de brief wordt aangegeven dat de verdachte goed functioneert tijdens de wekelijkse gesprekken en dat hij na detentie de behandeling wil voortzetten. Ook heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij vergelijkbare zaken en de landelijke oriëntatiepunten ter zake de invoer van cocaïne, afgezet tegen het onderscheid in strafmaxima dat de wetgever heeft gemaakt tussen de invoer van cocaïne enerzijds en het bewerken/verwerken van cocaïne anderzijds. In het bovenstaande wordt aanleiding gezien een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en deze ten opzichte van de eis van de officier van justitie te matigen. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf een reclasseringstoezicht koppelen als bijzondere voorwaarde. Binnen dit toezicht kan de reclassering oog houden op de door de verdachte reeds aangevangen behandeling bij de Waag. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet. BESLISSING De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte het de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 28 (ACHTENTWINTIG) maanden; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot 8 (ACHT) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten; stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (TWEE) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien: - de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt; - de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft; stelt als bijzondere voorwaarde: - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting; verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde; beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. Janssen, voorzitter, en mrs. Van Nijen en Blagrove, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Balk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 december 2011. Bijlage I bij vonnis van 6 december 2011: TEKST TENLASTELEGGING Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 23 november 2010 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid, althans (een) hoeveelhe(i)d(en), van (een) materia(a)l(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.