RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 10/5037 BC-T1 Uitspraak in het geding tussen C&I Holland B.V., gevestigd te Nederhorst den Berg, eiseres 1, Evo, gevestigd te Zoetermeer, eiseres 2, en Transport en Logistiek Nederland, gevestigd te Zoetermeer, eiseres 3, gemachtigde van eisers mr. Chr. P. van Eeghen, advocaat te Amsterdam, en de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder. Aan het geding hebben mede als partij deelgenomen de gemeente Zwolle en ProRail B.V. (hierna: ProRail). 1 Ontstaan en loop van de procedure Naar aanleiding van een verzoek van de gemeente Zwolle om de spoorweg Zwolle Katwolde (Katwolderhavenspoorlijn) te saneren, heeft ProRail in november 2009 verweerder verzocht in te stemmen met het opheffen van deze spoorweg. Bij besluit van 23 juni 2010 heeft verweerder ingestemd met de opheffing van deze spoorweg. Eisers hebben tegen dit instemmingsbesluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 6 januari 2011 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2011. Voor eisers waren aanwezig: mr. Chr. P. van Eeghen, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [naam], directeur van C&I Holland B.V. en [naam] van Evo. Voor verweerder waren aanwezig: mr. dr. J.R.C. Tieman en drs. M. Duinmayer. Voor ProRail waren aanwezig: mr. L.C. Makkinga, bedrijfsjurist van ProRail, en [naam], procesleider juridisch beheer van ProRail. Voor de gemeente Zwolle waren aanwezig: mr. T.J. Heegsma, juridisch adviseur van de afdeling Juridische zaken en Veiligheid van de gemeente Zwolle, en drs. J. van Maar, senior adviseur stadeconomie van de afdeling Ruimte en Economie van de gemeente Zwolle. 2 Overwegingen Verweerder heeft ingestemd met de opheffing van de spoorweg Zwolle Katwolde, een goederenspoorlijntje dat de Katwolderhaven verbindt met Zwolle en dat over het bedrijventerrein Voorst loopt. De gemeente Zwolle is eigenares van deze spoorlijn en wil deze opheffen in verband met de revitalisering van het bedrijventerrein Voorst, zoals neergelegd in het Masterplan Duurzame Versterking Voorst uit 2005 en het Ontwikkelings¬plan bedrijventerrein Voorst uit 2009. De gemeente Zwolle heeft ProRail, als beheerder van de Katwolderhavenspoorlijn, verzocht deze lijn op te heffen. In verband hiermee heeft ProRail verweerder om instemming verzocht. Eiseres 1 heeft als eigenares van de Katwolderhaven en een aftakking van de Katwolderhavenspoorlijn bezwaar tegen de opheffing van deze spoorlijn, omdat zij van deze spoorlijn gebruik maakt voor de goederenoverslag tussen binnenvaart en spoor. Eisers 2 en 3 zijn als belangenbehartigers van transportondernemingen tegen het opheffen van deze spoorlijn. Eisers, ProRail en de gemeente Zwolle zijn op 1 april 2010 door verweerder in de gelegenheid gesteld hun zienswijze op het opheffingsverzoek naar voren te brengen. Verweerder heeft vervolgens ingestemd met het opheffingsverzoek. De door eisers hiertegen gemaakte bezwaren heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. In beroep hebben eisers hiertegen aangevoerd dat de Katwolderhaven een trimodale haven is waar overslag tussen binnenvaart, spoor en weg kan plaatsvinden en dat het opheffen van deze spoorlijn in strijd is met het Beleidskader Spoorgoederenknooppunten 2010 en met het Europees- en overheidsbeleid dat ziet op het bevorderen van het verladen en vervoeren van goederen via goederenspoor en binnenvaart ter ontlasting van het wegverkeer. Eisers stellen dat een multimodaal knooppunt juist moet worden gestimuleerd en gefaciliteerd en dat verweerder tegenwicht hoort te bieden aan tegenwerkende lagere overheden. Eisers wijzen erop dat de trimodale haven ongeveer 15 jaar geleden is aangelegd met 5 miljoen euro overheidssteun en dat de opheffing van de spoorlijn daarom kapitaalvernietiging tot gevolg heeft. Eisers stellen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat verweerder niet heeft onderzocht of er andere beleidsregels ten aanzien van het multimodale spoorgoederen¬vervoer bestaan, de maatschappelijke kosten en baten niet heeft geanalyseerd en de belangen van de binnenvaart niet heeft geïnventariseerd en meegewogen. Voorts stellen eisers dat het besluit onzorgvuldig is omdat verweerder niet heeft gewacht totdat een compenserende spoorlijn is gerealiseerd naar een andere haven in de regio en niet heeft gestimuleerd dat de gemeente Zwolle en ProRail aan de realisatie daarvan meewerken. Volgens eisers heeft ProRail in strijd met artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet eiseres 1 en een representatieve vertegenwoordiging van vervoerders niet geraadpleegd alvorens verweerder te verzoeken om in te stemmen met de opheffing van de spoorweg Zwolle Katwolde en heeft verweerder de belangen van eiseres 1 en de Katwolderhaven onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Verweerder had rekening moeten houden met de door de gemeente Zwolle gecreëerde onduidelijkheid voor marktpartijen over de continuïteit van de spoorlijn. Eisers hebben diverse verladers genoemd die geïnteresseerd zijn in de mogelijkheid die de Katwolderhaven biedt voor overslag tussen binnenvaart en spoor, maar die geen aanloopkosten willen maken zolang de continuïteit van de spoorlijn niet gewaarborgd is. Eisers stellen dat verweerder niet is ingegaan op het door hen overgelegde rapport van Buck Consultants International van mei 2010 over trimodaal goederenvervoer Katwolderhaven Zwolle. Eisers bestrijden dat de goederenlijn in onbruik is geraakt en stellen dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de levensvatbaarheid van de Katwolderhavenspoorlijn. Tot slot betwisten eisers het door de gemeente Zwolle gestelde financiële belang bij de opheffing van de Katwolderhaven¬spoorlijn. Volgens eiseres maakt het opheffen van de Katwolderhavenspoorlijn geen deel uit van de voorwaarden die de provincie Overijssel heeft gesteld aan de voor de herstructurering van het bedrijventerrein Voorst ter beschikking gestelde subsidie. De gemeente Zwolle heeft ter zitting uiteengezet dat uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, verkeersveiligheid en bereikbaarheid van de bedrijven, de Katwolderhavenspoorlijn niet gehandhaafd wordt bij de herstructurering van de Russen- en Rieteweg op het bedrijventerrein Voorst. Daarnaast heeft de gemeente gewezen op de toekomstige ontwikkelingen in het gebied die voorzien in de aanleg van woonwijken, waarbij de aanwezigheid van een goederenspoorlijn uit oogpunt van verkeersveiligheid en geluidsoverlast niet past. Voorts stelt de gemeente Zwolle dat de levensvatbaarheid en de marktpotentie van de spoorlijn niet is aangetoond en dat de afgelopen vier jaar slechts beperkt en incidenteel spoorvervoer over de lijn heeft plaatsgevonden. Verder wijst de gemeente erop dat instandhouding van de spoorlijn conflicteert met de aanstaande vertramming van de spoorlijn Zwolle Kampen. ProRail en verweerder hebben zich op het standpunt gesteld dat alleen de bezwaren van gerechtigden als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet meegewogen moeten worden bij het nemen van een instemmingsbesluit en dat de belangen van eisers daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten. Voorts stelt ProRail dat eisers geen rechtstreeks belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat de spoorlijn Zwolle Katwolde in het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen is aangewezen als hoofdspoorweg. Voor de opheffing van deze spoorlijn is op grond van artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet verweerders instemming vereist. Artikel 17, derde lid, van de Spoorwegwet luidt als volgt: “Een wijziging van de technische of functionele eigenschappen van de hoofdweg¬infrastructuur die de gebruiksmogelijkheden van de hoofdspoorwegen aanmerkelijk verandert, behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister. De beheerder vermeldt in zijn verzoek om instemming de zienswijzen van betrokken gerechtigden als bedoeld in artikel 57 en, voorzover de wijziging afwijkt van die zienswijzen, een deugdelijke motivering van de afwijking.” De in artikel 57 van de Spoorwegwet aangewezen gerechtigden tot het sluiten van een toegangsovereenkomst en een kaderovereenkomst met de beheerder zijn:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.