vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 355628 / HA ZA 10-1743 Vonnis van 7 december 2011 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres], gevestigd te Son en Breugel, eiseres, advocaat mr. M.R. Lauxtermann, tegen 1. de naamloze vennootschap AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V., gevestigd te Amstelveen, 2. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V, gevestigd te Apeldoorn, gedaagden, advocaat mr. W.A.M. Rupert. Partijen zullen hierna [eiseres] en verzekeraars genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding d.d. 25 mei 2010, met producties - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek, met producties - de conclusie van dupliek - de brief van mr. Baetsen namens verzekeraars d.d. 26 september 2011, met bijlagen - de brieven van mr. Lauxtermann d.dis. 5 oktober 2011 (met bijlagen) en 11 oktober 2011 - het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 13 oktober 2011, waaraan gehecht de brief van mr. Baetsen d.d. 31 oktober 2011 en de brief van mr. Lauxtermann d.d. 3 november 2011 - de ter gelegenheid van de comparitie door mr. Baetsen overgelegde pleitnotities 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eiseres] is een werkmaatschappij die behoort tot de groep van [eiseres] Groep B.V. (hierna: JJG). 2.2. Ten behoeve van haar werkmaatschappijen heeft JJG onder meer een AVB-verzekering afgesloten bij verzekeraars. Het gaat hier om een makelaarspolis, waarvan de voorwaarden zijn opgesteld door makelaar AON die daarbij handelde in opdracht van JJG. [eiseres] geldt als verzekerde onder de hier bedoelde verzekering. 2.3. Het desbetreffende polisblad vermeldt onder “voorwaarden” onder meer: “VC031-118/2 Clausule Werk- en/of landmaterieel” (hierna: de WM-clausule). Voorts luidt het polisblad voor zover van belang als volgt: “Eigen risico […] EUR 907.560,00 per aanspraak voor lid 2 van clausule VC031-118/2. EUR 10.000,00 per aanspraak zoals vermeld in lid 3.2 van clausule VC031-118/2.” 2.4. De hiervoor bedoelde clausule VC031-118/2 Clausule Werk- en/of landmaterieel luidt als volgt: “VC031-118/2 WERK- EN/OF LANDMATERIEEL (7 april 2005) Met betrekking tot de aansprakelijkheid van in Nederland gevestigde verzekerden voor door derden geleden schade veroorzaakt door of toegebracht met werk- en/of landmaterieel geldt het volgende: 1 Werk-/landmaterieel 1.1 Onder werk- en/of landmaterieel (hierna te noemen materieel) in de zin van deze clausule worden verstaan motorrijtuigen die in de zin van art. 1 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) als zodanig kunnen worden beschouwd, waarbij uitdrukkelijk wordt bepaald dat hieronder niet zijn begrepen vracht - en bestelauto's en andere motorrijtuigen die primair bedoeld zijn voor vervoer over de openbare weg. […] 2 "Eigen" materieel Indien schade is veroorzaakt door of toegebracht met materieel waarvan de aangesproken verzekerde dan wel het moederbedrijf of een zuster- of dochterbedrijf van de aangesproken verzekerde, eigenaar is of daarover beschikt uit hoofde van huurkoop en/of leasing, geldt een op het polisblad vermeld eigen risico. 3 Materieel van “derden” 3.1 Indien door of onder verantwoordelijkheid van een verzekerde materieel van derden wordt gebruikt dient deze verzekerde ten behoeve van dit materieel elders een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten, dan wel met deze derde overeen te komen dat deze voor de verzekering zorgdraagt. De betreffende verzekering dient in ieder geval de aansprakelijkheid van deze verzekerde voor schade, veroorzaakt door of toegebracht met dit materieel te dekken tot een limiet van tenminste het in lid 2 bedoelde eigen risico en dient tevens te voldoen aan de eisen uit hoofde van de WAM. Onder materieel van derden wordt in de zin van deze clausule verstaan materieel waarvan de aangesproken verzekerde dan het moederbedrijf of een zuster- of dochterbedrijf van de aangesproken verzekerde, geen eigenaar is en daarover niet beschikt uit hoofde van huurkoop en/of leasing. 3.2 Indien de verzekerde met de in lid 3.1 bedoelde derde is overeengekomen dat deze voor een verzekering als bedoeld in lid 3.1 zal zorgdragen, maar in geval van schade blijkt dat deze derde niet geheel aan zijn verplichtingen heeft voldaan, loopt de onderhavige verzekering conform het bepaalde in art. 7.1 van de verzekeringsvoorwaarden als excedent van de ten behoeve van dit materieel gesloten verzekering respectievelijk als het verschil in voorwaarden. In geval van dekking voor het verschil in voorwaarden of, indien onderhavige verzekering volledige dekking dient te beiden omdat deze derde in het geheel niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan geldt een op het polisblad vermeld eigen risico. 3.3 Indien blijkt dat verzekerde niet heef voldaan aan de verplichting als omschreven in lid 3.1 geldt een eigen risico dat gelijk is aan het eigen risico als bedoeld in lid 2. 3.4 […]” 2.5. De eigenaar van een[adres 1]n de [adres 1] heeft aan [eiseres] als (hoofd)aannemer de bouw opgedragen van een onderkelderd en vier lagen tellend complex op dat perceel (hierna: het project). 2.6. [eiseres] heeft de aanleg van de bouwput bij brief van 9 juni 2006 opgedragen aan haar onderaannemer Bunnik B.V. (hierna: Bunnik). Deze opdracht volgde op een offerte van Bunnik van 1 juni 2006. Bunnik heeft op haar beurt diverse onder-onderaannemers ingeschakeld, waaronder Wedam. 2.7. Ten behoeve van de CAR- en AVB-verzekering van het project heeft [eiseres] Bouw B.V. (hierna: JJB) bij brief van 21 juli 2006 het volgende aan [eiseres] bericht: “[JJB] zal de werkzaamheden voor uw aannemer (damwand en grondwerken) als werken van “derden” in verzekering nemen als C.A.R. verzekering en aanvullend onder de A.V.B. […] beiden binnen de vigerende verzekeringen welke [JJG] heeft ondergebracht bij AON te Rotterdam. Deze dekking hebben wij voor u verzorgd onder de volgende voorwaarden: 1. Uw aannemer heeft een eigen werkmaterieel verzekering met een minimale dekking van € 907.560,-. […]” Deze brief is nadien door [eiseres] ondertekend en aan JJB geretourneerd. 2.8. De in 2.7 bedoelde brief heeft [eiseres] ([persoon 1]) in concept per e-mail toegezonden aan Bunnik. Deze toezending volgde op een e-mail van Bunnik aan [eiseres] van 21 juli 2006 met, voor zover van belang, de volgende tekst: “De onderaannemer voor de damwand is Wedam BV […]. Zij hebben een werkmaterieel verzekering, de minimale dekking zijn ze nog aan het uitzoeken. […] Hebben jullie al een briefje over ons eigen risico?” 2.9. Bij brief van 21 juli 2006 heeft [eiseres] aan Bunnik onder meer het volgende bericht: “In overleg met [JJB] is besloten om zowel de C.A.R. verzekering als de Aansprakelijkheidsverzekering van het door jullie uit te voeren werk aan de [adres 1] onder te brengen onder de verzekering van [JJB]. Dit, als ook de daarop betrekking hebbende voorwaarden, is te lezen in de mail die op 21 juli is gestuurd aan jou door [persoon 1]. Een kopie van deze brief is als bijlage bijgevoegd. Voor de verschillende verzekeringen geldt een eigen risico van € 10.000,-. Tijdens het gesprek van 20 juli bij ons op kantoor in Bodegraven met jou en [persoon 2] (Bunnik), [persoon 1] en ondergetekende is afgesproken dat dit eigen risico voor rekening komt van Bunnik. […] Al met al betekent dit dat de bouw nu eindelijk kan starten en dat in week 31, zoals afgesproken de damwanden geplaatst kunnen worden.” 2.10. Bij het indrukken en vervolgens intrillen van de damwanden ten behoeve van de bouwput, in november 2006, is schade door verzakking ontstaan aan de panden op [adres 4] en [adres 2]. Deze schade is veroorzaakt door werkmaterieel van derden als bedoeld in de in 2.4 weergegeven clausule. 2.11. De diverse benadeelden, te weten de eigenaar van het perceel [adres 2] ([pers[persoon 3]), de bewoner van de woning op [adres 3], de eigenaar van het perceel [adres 4] en de huurder van de winkel in [adres 2], hebben [eiseres] voor de schade aansprakelijk gesteld. 2.12. In opdracht van verzekeraars heeft GAB Robins Takkenberg B.V. (hierna: GAB) onderzoek gedaan naar de oorzaak van de verzakking. Op 30 januari 2007 heeft zij rapport uitgebracht. 2.13. Op verzoek van GAB heeft [eiseres] bij Bunnik navraag gedaan naar haar afspraken met onder-onderaannemers ter zake de verzekering van het werkmaterieel dat bij het project is gebruikt. Bunnik heeft op haar beurt haar onder-onderaannemers aangeschreven. 2.14. [eiseres] heeft in een vroeg stadium een regeling getroffen met de bewoner van [[adres 3] tegen betaling van een bedrag van € 6.947,-. In maart 2008 heeft [eiseres] ook met [persoon 3] een regeling getroffen. Deze regeling hield, kort gezegd, in dat [eiseres] (tezamen met een dochtervennootschap) het pand aan de [adres 2] in beschadigde toestand van [persoon 3] kocht voor een koopsom van € 800.000,-. De koopovereenkomst dateert van 18 maart 2008. Het pand is op 1 juli 2008 aan [eiseres] geleverd. De andere in 2.11 bedoelde benadeelden hebben tot op heden geen vervolg gegeven aan hun aansprakelijkstelling. 2.15. Verzekeraars hebben dekking onder de AVB-verzekering geweigerd, stellende dat de schade ruimschoots onder het volgens verzekeraars toepasselijke eigen risico van € 907.560,- is gebleven. In een e-mail aan AON van 16 juni 2008 hebben zij deze weigering als volgt toegelicht: “Bunnik B.V. heeft op 1 juni 2006 een offerte gestuurd aan [eiseres] Projectontwikkeling en heeft in deze offerte leveringsvoorwaarden van toepassing verklaard. [eiseres] Projectontwikkeling heeft vervolgens een opdrachtbevestiging naar Bunnik gestuurd zonder daarbij de voorwaarden van Bunnik terzijde te stellen. Er was dus al sprake van een "gave" overeenkomst, waarin de voorwaarden van Bunnik onvoorwaardelijk door [eiseres] waren geaccepteerd. Door deze onvoorwaardelijke acceptatie heeft verzekerde niet voldaan aan de verplichting zoals deze is neergelegd in clausule VCO31-118/2. De brief van 21 juli 2006 van [eiseres] Bouw aan [eiseres] Projectonwikkeling is derhalve gestuurd nadat er al een overeenkomst was gesloten tussen [eiseres] Projectontwikkeling en Bunnik B.V. en wij veronderstellen dat de aanleiding voor het schrijven van de betreffende brief is geweest de uitsluitingen vermeld in de offerte van 1 juni 2006 van Bunnik B.V. waarin is aangegeven dat uitgesloten zijn: "CAR-verzekering" en het "herstellen van schade aan derden". Uit de brief van 21 juli 2006 van [eiseres] Bouw aan [eiseres] Projectontwikkeling blijkt dat diverse gesprekken tussen beide bedrijven hebben plaatsgevonden inzake het meeverzekeren van Bunnik op de CAR en AVB van [eiseres]. De vermelding van de verzekeringsplicht in de brief van 21 juli heeft dan ook slechts betrekking op de invulling van de voorwaarden waaronder Bunnik zou zijn meeverzekerd op de CAR/AVB en betreft dus niet de verzekeringsplicht in het kader van de clausule werkmaterieel. De consequentie van het niet voldoen aan de door [eiseres] gestelde eisen is dat er geen dekking is voor Bunnik onder de CAR/AVB. Dit is iets heel anders dan dat [eiseres] met Bunnik overeenkomt dat er een werkmaterieelverzekering wordt afgesloten waarop Jansen de Jong als medeverzekerde is opgenomen, zoals in de clausule VCO31-118/2 wordt vereist. Op grond van het bovenstaande concluderen wij dan ook dat verzekerde niet heeft voldaan aan de vereisten voor toepassing van het lagere eigen risico onder de clausule VCO31-118/2. Het eigen risico voor deze schade bedraagt dan ook € 907.560,00.” 3. Het geschil 3.1. [eiseres] vordert na eisvermindering – samengevat – te verklaren voor recht dat op het in 2.11 bedoelde evenement het geldende eigen risico € 10.000,- bedraagt en voorts verzekeraars te veroordelen tot betaling van € 387.567,36, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. Verzekeraars voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Aan haar vordering legt [eiseres] het standpunt ten grondslag dat op het in 2.11 bedoelde evenement het lage eigen risico van € 10.000,- van toepassing is, omdat zij – zoals vereist door lid 3 van de WM-clausule – met Bunnik heeft afgesproken dat deze (althans haar onder-onderaannemer) zou zorgdragen voor een WM-verzekering met een minimale dekking van € 907.560,-. Nu het onder die door Bunnik af te sluiten verzekering niet tot uitkering is gekomen, heeft [eiseres] aanspraak op uitkering onder de onderhavige AVB-verzekering met toepassing van het eerder genoemde lage eigen risico – aldus [eiseres]. 4.2. Verzekeraars stellen zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van het lage eigen risico. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij onder meer het volgende aangevoerd: a. Op grond van lid 3.1 van de WM-clausule had [eiseres] met de onder-onderaannemers (en niet met Bunnik) een afspraak ter zake de WM-verzekering moeten maken. Die onder-onderaannemers zijn immers de “derde” als bedoeld in die bepaling. b. Per 9 juni 2006 was al sprake van een volledige overeenkomst tussen [eiseres] en Bunnik, onder toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Bunnik. Van die overeenkomst maakte geen deel uit enigerlei verplichting van Bunnik om een WM-verzekering af te sluiten. Integendeel, op grond van de algemene voorwaarden van Bunnik was elke aansprakelijkheid van Bunnik uitgesloten. c. Niet gebleken is dat [eiseres] met Bunnik daadwerkelijk is overeengekomen dat die laatste zorg draagt voor een WM-verzekering. Hooguit blijkt uit de in 2.8-2.10 geciteerde stukken dat [eiseres] met Bunnik heeft afgesproken dat laatstgenoemde meeverzekerd zou zijn op de AVB-polis van [eiseres]. d. Als al sprake is van afspraken tussen [eiseres] en Bunnik ter zake de WM-verzekering en Bunnik kan worden beschouwd als “derde” in de zin van lid 3.1 van de WM-clausule, dan geldt dat niet gebleken is dat onder die af te sluiten WM-verzekering ook de aansprakelijkheid van [eiseres] wordt gedekt, hetgeen wel is vereist volgens de onderhavige bepaling. 4.3. In reactie op het hier weergegeven verweer van verzekeraars heeft [eiseres] betoogd dat het verzekeraars niet meer vrij staat andere gronden voor afwijzing aan te voeren dan opgenomen in hun mail van 16 juni 2008 (2.16). In die mail wordt volgens [eiseres] alleen de onder 4.2(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.