RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 354112 / HA ZA 10-1515 Uitspraak: 19 oktober 2011 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PROXIMEDIA NEDERLAND B.V., gevestigd te De Meern, eiseres, advocaat mr. W.J.H. Dingemanse, - tegen - [gedaagde], wonende en zaakdoende te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. G.P. Buise. Partijen worden hierna aangeduid als "Proximedia" en "[gedaagde]". 1 Het verloop van het geding 1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding van 27 april 2010, met producties; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek, met producties; - de conclusie van dupliek, met producties. 1.2 Bij tussenvonnis van deze rechtbank van 4 augustus 2010 is een comparitie van partijen bepaald. Deze zitting heeft geen doorgang gevonden, waarna partijen hebben gerepliceerd en gedupliceerd. 2 De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast. 2.1 Op 16 augustus 2007 is tussen partijen een overeenkomst voor informaticaprestaties gesloten. Op grond van deze overeenkomst is Proximedia (onder meer) gehouden een computer en een internetverbinding aan [gedaagde] ter beschikking te stellen, een website te ontwerpen en technische bijstand te leveren. [gedaagde] is voor die prestaties maandelijks een bedrag van € 201,11 (inclusief BTW) verschuldigd aan Proximedia, evenals een eenmalige vergoeding voor dossierkosten van € 90,00 (inclusief BTW). 2.2 [gedaagde] drijft een kapperszaak, waarin hij als enige - en dus zonder personeel - werkzaam is. 2.3 In artikel 7.1 van de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen: Onverminderd de verlengingen die verband houden met eventueel gebruik van de optie zoals omschreven in artikel 11, wordt onderhavige overeenkomst gesloten voor een onherroepelijke en niet reduceerbare termijn van 48 maanden. De abonnee kan evenwel besluiten om de overeenkomst te ontbinden mits de betaling van een ontbindingsvergoeding gelijk aan 60% van de nog niet vervallen maandelijkse betalingen voor de lopende periode. In alle andere gevallen van vervroegde contractbreuk door een handeling of een overtreding door de abonnee, is deze ook gehouden om aan Proximedia, bij wijze van forfaitaire vergoeding, een som te betalen gelijk aan 60% van de nog niet vervallen maandelijkse betalingen voor de lopende periode. 2.4 Bij brief van 27 november 2007 heeft [gedaagde] onder meer het volgende geschreven aan Proximedia: Naar aanleiding van de slechte zakelijke situatie aan onze zijde benaderen wij u met het verzoek het contract te ontbinden. Onze zaak loopt helaas erg slecht en het ziet er naar uit dat faillissement niet uitblijft. Aangezien dat het faillissement nog niet is uitgesproken is er nog de mogelijkheid dat wij het contract met u ontbinden en de pc die er bij hoort aan u kunnen terug geven. Daarbij is de website en de door jullie geplaatste pc nog niet in gebruik, wellicht kan deze nog bij een andere zaak worden geplaatst. 2.5 Bij brief van 30 november 2007 heeft Proximedia [gedaagde] gewezen op de in artikel 7.1 van de overeenkomst opgenomen verbrekingsvergoeding van 60% van de nog niet vervallen maandelijkse termijnen voor de lopende periode. Partijen zijn vervolgens uitvoering blijven geven aan de overeenkomst, tot het moment dat Proximedia bij brief van 7 april 2009 te kennen heeft gegeven dat zij haar diensten wegens een betalingsachterstand zal beëindigen en het contract zal verbreken. 3 De stellingen van partijen 3.1 De vordering luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan Proximedia te betalen € 6.259,79, vermeerderd met de contractuele rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, de nakosten daarin begrepen. 3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Proximedia aan de vordering - zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd. [gedaagde] is, ondanks sommatie, in gebreke gebleven met tijdige betaling van de verschuldigde maandelijkse termijnen, waarmee berekend tot en met de maand april 2009 een betalingsachterstand van € 2.334,65 is ontstaan. Proximedia heeft de overeenkomst vervolgens beëindigd. Op grond van artikel 7.1 van de overeenkomst is [gedaagde] voor de resterende contractsduur een verbrekingsvergoeding van € 2.839,20 verschuldigd. Proximedia was genoodzaakt haar vordering uit handen te geven aan haar gemachtigde, die buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. In dat kader is [gedaagde] een vergoeding van € 768,00 verschuldigd. Ook is [gedaagde] de overeengekomen rente van 8% verschuldigd, die berekend tot en met de dag van dagvaarding € 317,94 bedraagt. 3.3 Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Proximedia in de kosten van het geding. 3.4 [gedaagde] heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - aangevoerd dat hij als kleine zelfstandige via reflexwerking aanspraak kan maken op de beschermende bepalingen van de Colportagewet. De overeenkomst moet daarom met de brief van 27 november 2007 (zie hiervoor onder 2.4) geacht worden buitengerechtelijk te zijn ontbonden. De gevorderde verbrekingsvergoeding is bovendien niet redelijk. Ook heeft [gedaagde] gewezen op zijn slechte financiële situatie. 3.5 De stellingen van partijen zullen, voor zover nodig, nader worden besproken bij de beoordeling van het geschil. 4 De beoordeling 4.1 Partijen hebben in hun processtukken de vraag centraal gesteld of aan [gedaagde] als kleine zelfstandige via reflexwerking een beroep toekomt op de beschermende bepalingen van de Colportagewet. De Commissie cassatie in het belang der wet heeft eind 2010 aan de Procureur-Generaal van de Hoge Raad geadviseerd een vordering tot cassatie in het belang der wet in te stellen over de vraag of ook kleine zelfstandigen onder het begrip "particulier" van de Colportagewet kunnen vallen. Recentelijk, op 12 juli 2011, heeft het Gerechtshof Amsterdam een arrest gewezen waarin deze vraag centraal stond (LJN BS1116). Daarin heeft het Hof geoordeeld dat uitgangspunt is dat de Colportagewet uitsluitend van toepassing is op particulieren, dat wil zeggen natuurlijke personen, en dat een kleine ondernemer, die niet gelijk te stellen is aan een particulier, zich slechts dan zou kunnen beroepen op bescherming van de Colportagewet indien de transactie waarvoor zij is benaderd buiten het kader van haar beroepsactiviteiten valt. Het Hof heeft daarbij van belang geacht dat de wetgever tot nu toe heeft afgezien van het brengen van (kleine) ondernemers onder de werking van de Richtlijn van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (85/577/EEG). 4.2 Beoordeeld moet dan ook worden, of het aangaan van de overeenkomst met Proximedia binnen of buiten het kader van de beroepsactiviteiten van [gedaagde] valt. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zijn interesse en deskundigheid zich beperken tot het kappen. Bij dupliek heeft [gedaagde] toegelicht dat hij door zijn leeftijd niet behoort tot de categorie ondernemers die met de moderne technische communicatie- en informaticamiddelen is opgegroeid en dat hij deze middelen ook niet nodig heeft voor zijn werkzaamheden. Volgens [gedaagde] is sprake van een klein, vrijwel wijkgebonden zaakje dat op een vaste klantenkring kan draaien en niet hoeft te beschikken over een website. In deze omstandigheden valt het aangaan van een overeenkomst als de onderhavige niet binnen de deskundigheid van [gedaagde] als ondernemer en is [gedaagde] in die zin dus materieel niet of nauwelijks van een consument te onderscheiden. Niet in geschil is dat het initiatief voor het aangaan van de overeenkomst is uitgegaan van Proximedia. [gedaagde] komt dan ook beginsel via reflexwerking de bescherming van de Colportagewet toe. 4.3 De Colportagewet beoogt, evenals de hiervoor onder 4.1 bedoelde Richtlijn, de consument te beschermen die door een verkoper wordt overvallen met een aanbod, door de verkoper wordt bewogen dit aanbod te aanvaarden en zich kort daarna realiseert dat hij die aanvaarding onvoldoende heeft overwogen en dat hij daarvan spijt heeft. Op grond van de Colportagewet heeft de consument in dat geval het recht binnen een termijn van acht dagen (na dagtekening van de betreffende akte bij de Kamer van Koophandel dan wel, na wetswijziging per 28 december 2009, na ontvangst van de akte) de overeenkomst te ontbinden, welke ontbinding terugwerkende kracht heeft. 4.4 In het onderhavige geval is de overeenkomst aangegaan op 16 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.