← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2012:BV3067

RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 11/2407 WET – T2 Uitspraak in het geding tussen X, wonende te Hoogvliet, eiseres, en de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 27 april 2011 heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de gestelde weigering om een besluit te nemen op haar aanvraag van 22 februari 2010, strekkende tot inzage in haar complete personeelsdossier over de periode waarin zij voor verweerder of een onder verweerder dan wel diens rechtsvoorganger vallende dienst werkzaam was, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november

  1. Eiseres was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Bent. 2 Overwegingen 2.1 Eiseres stelt dat verweerder haar ten onrechte geen inzage heeft gegeven in haar volledige personeelsdossier. Verweerder zou bewust stukken hebben achtergehouden over een tweetal incidenten waarbij zij was betrokken en waarvan zij de schuld heeft gekregen. Vanwege deze incidenten is zij naar eigen zeggen ontslagen als dierenkeuringsarts en worden haar sollicitaties naar die functie of vergelijkbare functies afgewezen. 2.2 Deze stelling leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. Verweerder stelt inzage te hebben gegeven in alle stukken, die met betrekking tot eiseres beschikbaar zijn. Verweerder heeft eiseres drie maal in de gelegenheid gesteld haar volledige personeelsdossier in te zien en heeft voorts bij brief van 2 mei 2011 aangeboden dat eiseres desgewenst haar digitale personeelsdossier nogmaals mag komen inzien en de daarin berustende documenten mag uitdraaien. Dat sprake is geweest van enige discrepantie tussen de beschikbare stukken bij de drie gelegenheden waarbij inzage is gegeven, is volgens verweerder geen aanwijzing voor het bewust achterhouden van stukken, maar veeleer het gevolg van een menselijke vergissing, al dan niet gemaakt bij de digitalisering van het personeelsdossier en in verband met de overgang naar het systeem P-Direkt, waardoor enkele van de stukken per ongeluk niet zijn ingescand of uitgedraaid. Deze verklaring van verweerder komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor en eiseres heeft het tegendeel niet aannemelijk kunnen maken. 2.3 Voor zover eiseres met haar beroepschrift heeft willen betogen dat zij ten onrechte is ontslagen alsmede dat zij bij nieuwe sollicitaties ten onrechte is afgewezen, geldt dat de rechtbank zich hierover niet kan uitspreken. De onderhavige procedure heeft slechts betrekking op het besluit van verweerder om eiseres inzage te verstrekken in alle beschikbare, op eiseres betrekking hebbende, stukken uit haar personeelsdossier. 2.4 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3 Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzitter, en mr. R.H.L. Dallinga en mr. D. Brugman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Hielkema, griffier. De griffier: De voorzitter: Uitgesproken in het openbaar op: 12 januari
  2. Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden. Afschrift verzonden op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.