RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/960078-10 Datum uitspraak: 14 februari 2012 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1950 te [plaats], zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, raadsman mr. E.M. Steller, advocaat te Amsterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24, 27 en 31 januari 2012. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie, mr. Baan, heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest. ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE Uitlevering/uitzetting De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging in verband met vormfouten die gemaakt zijn bij de overbrenging van de verdachte van Venezuela naar Nederland. Het standpunt dat hij in dit verband naar voren heeft gebracht komt samengevat hierop neer: De officier van justitie heeft bewust de met waarborgen voor de verdachte omklede uitleveringsprocedure omzeild door oneigenlijk gebruik te maken van de vreemdelingrechtelijke status van de verdachte in Venezuela en aan te sturen op diens uitzetting uit dat land. Er is aldus sprake geweest van een onrechtmatige, verkapte uitlevering. Ook de arrestatie en de detentie in Venezuela zijn daarmee onrechtmatig. Er is ernstig inbreuk gemaakt op de belangen van de verdachte en een eerlijke procesgang is hem onthouden. De artikelen 5, 6, 13 en 18 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn geschonden. De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman betwist. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt er vanuit gegaan dat de feitelijke gang van zaken kort weergegeven als volgt is geweest. Nadat tijdens het opsporingsonderzoek gebleken was dat de verdachte zich vermoedelijk in Venezuela bevond heeft de in dat land gestationeerde verbindingsofficier op verzoek van de officier van justitie nagevraagd op welke wijze de verdachte ter berechting naar Nederland overgebracht zou kunnen worden. De Venezolaanse autoriteiten hebben daarop geantwoord dat een rechtshulpverzoek niet noodzakelijk was, doch dat volstaan zou kunnen worden met een internationale signalering. De verbindingsofficier heeft die informatie aan de officier van justitie doorgegeven. Hij deelde daarbij mede dat formele uitleveringsprocedures in Venezuela niet gebruikelijk zijn en dat het gangbare praktijk in Venezuela is dat personen die zijn aangehouden naar aanleiding van een internationale signalering met toepassing van administratiefrechtelijke bepalingen ongewenst worden verklaard en het land worden uitgezet. Op basis van die informatie heeft de officier van justitie op 6 januari 2011 besloten – zoals zij zelf ook verklaart in haar proces-verbaal van 16 september 2011 – de verdachte internationaal te signaleren, waarbij zij heeft verzocht om diens aanhouding en uitlevering. Op 14 januari 2011 is de verdachte in Venezuela aangehouden. Op 21 maart 2011 is hij uitgezet. In opdracht van de officier van justitie hebben ambtenaren van de marechaussee de verdachte in Venezuela overgenomen van de Venezolaanse autoriteiten en hem, via een overstap op de luchthaven van Parijs, per vliegtuig overgebracht naar Nederland. Op 22 maart 2011 is de verdachte in Nederland aangehouden. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de ter terechtzitting door de officier van justitie gedane bewering dat de verdachte is aanhouden op basis van een zelfstandig besluit van de Venezolaanse autoriteiten en niet op verzoek van de Nederlandse autoriteiten, vooral gelet op het bovengenoemde proces-verbaal van 16 september 2011, niet houdbaar is. De omstandigheid dat de Venezolaanse autoriteiten na die aanhouding niet een uitleveringsprocedure in werking hebben gesteld, waar om was verzocht, maakt dit niet anders. Aangenomen moet worden dat de gehele feitelijke gang van zaken zoals hiervoor beschreven voortvloeit uit een terdege voorbereide en bewuste beslissing van de officier van justitie. Zij heeft er kennelijk voor gekozen om op een zo eenvoudig mogelijke wijze de overbrenging van de verdachte naar Nederland te bewerkstelligen. Dit was in overeenstemming met mogelijkheden die het Venezolaanse recht kennelijk biedt en sloot aan bij de wijze waarop de autoriteiten in dat land plegen op te treden in dit soort kwesties. Niet valt in te zien dat desondanks de officier van justitie slechts had mogen instemmen met een overbrenging via een uitleveringsprocedure, ook al biedt deze, naar mag worden aangenomen, meer rechtswaarborgen voor de verdachte dan de thans gevolgde procedure. Dit geldt te meer nu er tussen Nederland en Venezuela geen uitleveringsverdrag bestaat. Van een ontoelaatbaar handelen door de officier van justitie is in zoverre dan ook geen sprake. Wel moet geconstateerd worden dat er een formele fout is gemaakt bij de hiervoor genoemde overstap in Parijs. Aan de Franse autoriteiten is ten onrechte gemeld dat er sprake was van het overbrengen naar Nederland van een uitgeleverde persoon in plaats van een persoon die was uitgezet. Deze onzorgvuldigheid had niet hoeven plaats te vinden, gelet op alle aandacht die er reeds was besteed aan de juridische vraagstukken rond de overbrenging van de verdachte naar Nederland. De vormfout is echter niet van dien aard dat deze tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie moet leiden. Dit geldt zeker nu niet is gebleken dat de verdachte daardoor in een feitelijk nadeliger positie is geraakt. Wel zal enige strafvermindering om deze reden plaatsvinden. Onjuiste informatie Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij de rechtbank, de rechter-commissaris en de verdediging onjuist, onvolledig en te laat geïnformeerd zou hebben over de gang van zaken met betrekking tot de overbrenging van de verdachte naar Nederland. Maandenlang heeft de officier van justitie ten onrechte het doen voorkomen alsof er sprake was van uitlevering en niet van uitzetting, aldus de raadsman. Ook zouden er onjuiste en onvolledige inlichtingen zijn verschaft over het bestaan van een opsporingsonderzoek, in het bijzonder over observatieactiviteiten, tegen de verdachte in Venezuela. De officier van justitie heeft de standpunten van de verdediging betwist. De rechtbank overweegt als volgt. De raadsman heeft terecht naar voren gebracht, dat door de officier van justitie en andere bij de opsporing betrokken personen bij verschillende gelegenheden ten onrechte is gesproken van een uitlevering in plaats van uitzetting van de verdachte door Venezuela en dat de daardoor bij anderen ontstane valse indruk daaromtrent niet is weggenomen. Pas in haar proces-verbaal van 16 september 2011 heeft de officier uitdrukkelijk opgemerkt dat de verdachte niet was uitgeleverd doch was uitgezet. Dat met deze onzorgvuldige gang van zaken zodanig fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden of zulke ernstige nadelen voor de verdachte zijn veroorzaakt dat de officier van justitie thans het recht moet worden ontzegd de verdachte te vervolgen, kan echter niet worden aangenomen. Wel zal ook op grond van deze vormfout, die niet gemaakt had hoeven te worden, enige strafvermindering plaatsvinden. Aan de raadsman moet voorts worden toegegeven dat er afgaand op de stukken onduidelijkheid kan zijn ontstaan over de kwestie of er tegen de verdachte al dan niet een Venezolaans opsporingsonderzoek heeft gelopen. Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting wordt aangenomen dat de gang van zaken wat dit betreft als volgt is geweest. De Nederlandse autoriteiten hebben de Venezolaanse autoriteiten op de hoogte gesteld van het in Nederland lopende onderzoek tegen de verdachte en hebben daarbij het voorstel gedaan een eigen onderzoek op te starten. Hierop werd in eerste instantie in positieve zin gereageerd door de Venezolaanse autoriteiten, doch de resultaten van het onderzoek dat werd opgestart waren van dien aard dat alsnog werd afgezien van een verder eigen opsporingsonderzoek. Voor de conclusie dat de opsporingsactiviteiten tegen de verdachte in Venezuela zodanig onjuist of onvolledig zijn verantwoord in de stukken dat de officier niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging bestaat onvoldoende aanleiding. Gelijkheidsbeginsel De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De raadsman heeft daartoe aangevoerd – kort weergegeven – dat in tegenstelling tot de medeverdachte [medeverdachte 1] de verdachte wel wordt vervolgd ter zake van artikel 10a van de Opiumwet, terwijl het erop lijkt dat [medeverdachte 1], blijkens het zaaksdossier 10a, de opdrachtgever van het vermeende drugstransport zou zijn en het contact zou onderhouden met de andere medeverdachten. De rol die de verdachte wordt toegeschreven is gelijk aan zo niet kleiner dan de rol die wordt toegeschreven aan [medeverdachte 1]. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het opportuniteitsbeginsel, verband houdende met het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie, is de officier van justitie vrij om te beslissen of tot vervolging van een verdachte wordt overgegaan. Dit beginsel houdt ook in dat het openbaar ministerie vrij is in de te nemen beslissing welke verdachte voor welke feiten wordt vervolgd. Deze bevoegdheid dient te worden uitgeoefend binnen de grenzen van de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging. Zoals door de officier van justitie ter terechtzitting toegelicht, heeft het openbaar ministerie besloten om [medeverdachte 1] niet te vervolgen ter zake van het zaaksdossier 10a, nu deze reeds wordt vervolgd ter zake van vijf feiten, waarvan een deel soortgelijk is en gerelateerd kan worden aan hetgeen de verdachte verweten wordt. Aldus is in redelijkheid niet gebleken van schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur. Redelijke belangenafweging De raadsman stelt dat de beslissing om de verdachte te vervolgen terwijl deze zich in Venezuela bevond in strijd is met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Ook om die reden zou de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Hij voert kort gezegd daartoe aan dat de strafrechtelijke vervolging voor de verdachte heeft betekend dat hij Venezuela is uitgezet en niet meer terug kan keren naar zijn gezin en huis in dat land. Volgens hem had de officier van justitie kunnen en moeten wachten met het aanvangen van de vervolging tot een moment dat de verdachte zich in Nederland bevond. De rechtbank overweegt als volgt. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het in beginsel aan de officier van justitie is om te beslissen of en, zo ja, wanneer en op welke wijze tot strafvervolging wordt overgegaan. Voor rechterlijke toetsing is er in dat opzicht weinig ruimte. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat de officier van justitie met het oog op de mogelijke nadelige gevolgen voor een zich in het buitenland bevindende verdachte, dient te wachten met de aanhouding van de verdachte tot deze zich in Nederland bevindt. Van zodanig ingrijpende of uitzonderlijke omstandigheden om daar in dit geval anders over te oordelen is niet gebleken. Wel kan eventueel bij de strafoplegging met die omstandigheden rekening worden gehouden. Dubbele strafbaarheid Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor zover dat feit in Venezuela zou zijn gepleegd, aangezien niet is gebleken dat de ten laste gelegde gedragingen ook volgens het Venezolaanse recht strafbaar zijn. De raadsman verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De rechtbank verwerpt dit verweer. Aan de verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat hij in Nederland en Venezuela voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet heeft gepleegd. Wanneer een strafbaar feit zowel in Nederland als in een ander land plaatsvindt is volgens vaste jurisprudentie op grond van artikel 2 Sr vervolging voor dat feit mogelijk in Nederland, ook voor zover het feit in een ander land is gepleegd. Conclusie Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de officier van justitie ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. BEWEZENVERKLARING Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op tijdstippen in de periode van 26 februari 2010 tot en met 14 januari 2011, te Amsterdam of elders in Nederland en in Caracas of elders in Venezuela tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en vervoeren van een grote handelshoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) voor te bereiden en/of te bevorderen - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en - zich en/of een ander of anderen inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen, immers, hebben hij, verdachte, en zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.