RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/691257-10 Datum uitspraak: 6 maart 2012 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [VERDACHTE], geboren op [geboortedatum] 1987 te Curaçao, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Noordsingel, raadsman G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Van den Berg heeft gerekwireerd tot: - vrijspraak van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde; - bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland. MOTIVERING VRIJSPRAAK Het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Dit oordeel zal niet nader worden gemotiveerd, omdat de officier van justitie tot vrijspraak heeft gerekwireerd en de raadsman vrijspraak heeft bepleit. BEWEZENVERKLARING Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: [medeverdachte 1] op 26 november 2010 te Rotterdam, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld dat aan die [slachtoffer] toebehoort, als volgt heeft gehandeld: - lopen naar de auto van die [slachtoffer] en - het plaatsen van een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] en - het dreigend uitspreken van de woorden (vertaald uit het Papiamento) "Je moet alles wat je hebt in leveren" en "Als je wegrijdt, dan schiet ik je" terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk strafbaar feit hij, verdachte, op 26 november 2010 te Rotterdam opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen en middelen, door aan [medeverdachte 1] een geladen vuurwapen te verschaffen en door die [medeverdachte 1] inlichtingen te verschaffen omtrent het feit dat [slachtoffer] in zijn auto geld telde, althans aanwezig had en door die [medeverdachte 1] aan te sporen om het geld van die [slachtoffer] af te pakken door middel van bedreiging met een vuurwapen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. BEWIJSMOTIVERING De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen, inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde hebben bijgedragen. NADERE BEWIJSMOTIVERING Namens de verdachte is bepleit dat hij moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde uitlokking van poging tot afpersing. Hiertoe is aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs van de uitlokking kunnen worden gebezigd. Verder is er geen sprake van uitlokking, nu [medeverdachte 1] zelf van plan was om aangever af te persen. Wat [medeverdachte 1] heeft gedaan, was voor de verdachte een onaangename verrassing. Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank acht, in tegenstelling tot de verdediging, de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wel betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. [medeverdachte 2] heeft meteen bij zijn eerste verhoor en ook nadien bij de rechter-commissaris telkens gelijkluidend en gedetailleerd verklaard over hetgeen zich heeft afgespeeld en de rol van de verdachte daarin. Deze verklaring komt ook grotendeels overeen met de verklaring die [medeverdachte 1] tijdens zijn tweede verhoor op 4 december 2010 bij de politie en later bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Er zijn geen redenen aannemelijk geworden dat en waarom de medeverdachten onderling zouden hebben afgesproken om valselijk met betrekking tot de rol van de verdachte te verklaren. Dit geldt te minder, nu [medeverdachte 1] zich in deze verklaringen ook zelf heeft belast en daarbij heeft bekend dat hij degene is geweest die feitelijk met bedreiging met een vuurwapen heeft getracht aangever zijn geld afhandig te maken. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verklaren beiden dat de verdachte hen er als eerste opmerkzaam op maakte dat aangever in zijn auto - die een klein stukje verder stond geparkeerd - een grote hoeveelheid geld aan het tellen was. Het is ook aannemelijk dat de verdachte dit eerder dan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zag, nu de verdachte aan de bestuurderszijde zat en het beste zicht had op de auto van [slachtoffer], die links van hen geparkeerd stond. Tevens houden de verklaringen van [medeverdachte 1] in dat de verdachte meerdere malen tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd: “doe dat ding”, waarmee hij [medeverdachte 1] heeft aangespoord om het geld van [slachtoffer] af te dwingen. Daarbij heeft hij [medeverdachte 1] gewezen op zijn wapen dat onder de bijrijdersstoel van de auto lag en waarmee hij het slachtoffer kon bedreigen. [medeverdachte 2] heeft op alle punten in nagenoeg gelijke zin verklaard. [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat het idee afkomstig was van de verdachte en dat de verdachte als eerste sprak over het tellen van het geld door [slachtoffer] en het afnemen van dat geld. Doordat de verdachte bij [medeverdachte 1] bleef aandringen om het geld van aangever af te pakken en tegen [medeverdachte 1] zei: “dat ding ligt onder de”stoel’’, kreeg hij – in de woorden van [medeverdachte 2] – [medeverdachte 1] zover een poging tot afpersing van [slachtoffer] te plegen. Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij helemaal niet bezig was met het beramen van een beroving en daartoe aanvankelijk geen plan had. Gelet op deze verklaringen wordt, ondanks de betwisting door de verdediging, vastgesteld dat de verdachte [medeverdachte 1] heeft aangezet tot het begaan van de ten laste gelegde poging tot afpersing. STRAFBAARHEID FEIT Het bewezen feit levert op: Opzettelijke uitlokking van poging tot afpersing door het verschaffen van inlichtingen en middelen. Het feit is strafbaar. STRAFBAARHEID VERDACHTE De verdachte is strafbaar. STRAFMOTIVERING De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een ander uitgelokt om een gewapende beroving te plegen. Het slachtoffer zat in een auto, die geparkeerd stond naast de auto waarin de verdachte zat samen met twee andere mannen. Een van die mannen is op aandringen van de verdachte met een vuurwapen op het slachtoffer afgegaan en heeft deze met dat vuurwapen bedreigd met de bedoeling om hem het geld afhandig te maken dat die man even tevoren in zijn auto had zitten tellen. Berovingen waarbij vuurwapens worden gehanteerd zijn erg gevaarlijk, omdat vuurwapens in dit soort situaties niet zelden uitsluitend worden gebruikt om te dreigen maar, ook als dat aanvankelijk niet de bedoeling was, om daarmee te schieten, zoals ook in dit geval is gebeurd. Het spreekt voor zich dat de beroving voor het slachtoffer een erg angstige ervaring is geweest. De ervaring leert dat - zoals ook in dit geval - slachtoffers van een beroving waarbij een wapen is gebruikt ook nadien nog langdurige een ernstige psychische nasleep van de gebeurtenissen ondervinden. Bovendien ontstaan door dit soort feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij en is de rechtsorde ernstig geschokt. Daarom kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2012 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor misdrijven en heeft hij niet eerder langdurig in detentie gezeten. Het over de verdachte opgemaakte rapport van Stichting Reclassering Nederland d.d. 28 januari 2011 houdt in dat de verdachte op het moment van het plegen van het feit huisvesting en een uitkering had. Daarnaast had de verdachte zich ingeschreven voor een opleiding en een relatie die goed verliep. Op een aantal gebieden ondervond de verdachte echter problemen, zoals onder meer het niet hebben van een dagbesteding, het niet spreken van de Nederlandse taal en het dagelijks gebruik van cannabis. Desondanks schat de reclassering het recidiverisico laag in. Tevens is gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Op grond van een en ander wordt aanleiding gezien de duur van de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen en een lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen personenauto, merk Opel, type Astra, met kenteken [kenteken] (voorwerpnummer 10600-2010383101-3699381) terug te geven aan de eigenaar, [naam eigenaar]. Ten aanzien van deze in beslag genomen auto zal een last worden gegeven tot teruggave aan [naam eigenaar], zijnde degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. VORDERING BENADEELDE PARTIJ Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer], wonende te Rotterdam, terzake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert als vergoeding voor materiële schade een bedrag van € 868,00 en als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken en thans onvoldoende is komen vast te staan of en in hoeverre de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. Beantwoording van de vraag welk deel van de schade betrekking heeft op het onder 1 bewezen verklaarde feit en welk deel op het feit waarvoor de verdachte is vrijgesproken, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Deze vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil. VOORLOPIGE HECHTENIS De verdachte bevindt zich sinds 1 december 2010 in voorarrest (inverzekeringstelling met aansluitend voorlopige hechtenis). Gelet op de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf (twee jaar) en rekening houdende met de regeling van de Voorwaardelijke Invrijheidstelling als bedoeld in de artikelen 15 e.v. van het Wetboek van Strafrecht zal de tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf derhalve eindigen op 1 april 2012. Gelet hierop zal de voorlopige hechtenis van de verdachte, met analoge toepassing van artikel 75, zesde lid van het Wetboek van Strafvordering, met ingang van dat tijdstip worden opgeheven. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN Gelet is op de artikelen 45, 47, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt: - gelast de teruggave aan de rechthebbende van: personenauto, merk Opel, type Astra, met kenteken [kenteken] (voorwerpnummer 10600-2010383101-3699381) heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 1 april 2012; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil. Dit vonnis is gewezen door: mr. Asscheman-Versluis, voorzitter, en mrs. De Knoop en Jordaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hut, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2012. Bijlage I bij vonnis van 6 maart 2012: TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. hij in of omstreeks 26 november 2010 tot en met 27 november 2010 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.