RECHTBANK ROTTERDAM Sector strafrecht Parketnummer: 10/993110-06 Datum uitspraak: 13 april 2012 Tegenspraak Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [datum] te [plaats], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], raadsman mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2012. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. Backer heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een werkstraf 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat – kort weergegeven – de verdachte bij brief d.d. 30 maart 2007 een sepotbericht heeft ontvangen, welk sepotbericht betrekking had op oplichting meermalen gepleegd in vereniging in de periode van 20 februari 2004 tot en met 17 augustus 2004. De verdachte is eind maart 2006 door opsporingsambtenaren van zowel de politie als de FIOD-ECD gehoord en de verdachte is er, na ontvangst van het sepotbericht, dan ook vanuit gegaan dat hiermee (ook) de onderhavige strafzaak was afgedaan. De oplichtingszaak en onderhavige strafzaak zijn dusdanig aan elkaar verwant, dat het openbaar ministerie met het sepotbericht bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting van een algeheel sepot heeft opgewekt. Dit verweer wordt verworpen. Blijkens de onderhavige kennisgeving sepot d.d. 30 maart 2007, afkomstig van het arrondissementsparket te Middelburg, en zoals gevoegd als bijlage bij de pleitnotitie van de raadsman, betreft dit een sepotbeslissing ‘ter zake van de gerezen verdenking van: oplichting meermalen gepleegd in vereniging, op 20 februari 2004 t/m 17 augustus 2004 te Renesse’, welke zaak staat geadministreerd onder parketnummer 12/708394-06. De kennisgeving kan dan ook niet anders worden opgevat dan een sepotbeslissing betreffende de oplichtingszaak zoals omschreven en niet als een sepotbeslissing betreffende de onderhavige strafzaak. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. MOTIVERING VRIJSPRAAK Aan de verdachte is ten laste gelegd – zakelijk weergegeven – dat hij tezamen en in vereniging, althans alleen, zonder vergunning als effectenbemiddelaar diensten heeft aangeboden/verricht of doen aanbieden/verrichten met betrekking tot ‘shares’ in het ‘Active-Share Investment Fund’ (East European Private Investment Limited Company) aan een aantal met name in de dagvaarding genoemde personen. Artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) bepaalde gedurende de ten laste gelegde periode: ‘Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten.’ Artikel 1 Wte 1995 bepaalde: ‘In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt — voor zover niet anders bepaald — verstaan onder: a. effecten 1°. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants, en soortgelijke waardepapieren; [ ] b. effectenbemiddelaar: 1°. degene die als tussenpersoon (…) beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in effecten; [ ] 4°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig effecten, bij uitgifte ervan, overneemt of plaatst;’ [ ] De kenmerken van het product dat de (beoogde) beleggers werd aangeboden, komen grotendeels overeen met de kenmerken van een schuldbrief in de zin van artikel 1 Wte 1995. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter onvoldoende dat het Active-Share Investment Fund danwel de onderneming East European Private Investment Limited Company (hierna EEPILC) daadwerkelijk heeft bestaan en dat de aan de beleggers aangeboden ‘shares’ daadwerkelijk waardepapieren betroffen. Op grond daarvan kwalificeren de aan de beleggers verstrekte ‘shares’ niet als effecten in de zin van de Wte 1995 en kan niet worden gezegd dat verdachte en/of (een van) zijn medeverdachte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.