RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 346682 / HA ZA 10-225 347827 / HA ZA 10-415 Vonnis van 13 juni 2012 <i>A. in de zaak met rolnummer 10-225 van</i> de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SEQ INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. J.P.M. Borsboom, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ENECO WIND B.V., (voorheen geheten Eneco New Energy B.V. en daarvoor Eneco Milieu B.V.), gevestigd te Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. D.H. Lodder, <i>B. in de zaak met rolnummer 10-415 van</i> 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SEQ INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [V] MIJNBOUWKUNDIG INGENIEURSBUREAU B.V., gevestigd te Rotterdam, 3. de vennootschap naar het recht van de Nederlandse Antillen, DROPSCONE CORPORATION N.V., gevestigd te Willemstad (Curaçao), eisers, advocaat mr. J.P.M. Borsboom, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ENECO WIND B.V., (voorheen geheten Eneco New Energy B.V. en daarvoor Eneco Milieu B.V.), gevestigd te Rotterdam, 2. de naamloze vennootschap N.V. ENECO BEHEER, gevestigd te Rotterdam, gedaagden, advocaat mr. D.H. Lodder. 1. Het verloop van de gedingen 1.1. De rechtbank heeft in de zaak met rolnummer 10-225 partijen gehoord en kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding d.d. 24 december 2009, met producties; - het in artikel 997a Rv bedoelde exploit d.d. 24 december 2009; - de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 Rv, met producties; - de conclusie van antwoord in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv; - het tussenvonnis d.d. 19 mei 2010 van deze rechtbank, waarbij beide zaken zijn gevoegd; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in (voorwaardelijke) reconventie, met producties; - de conclusie van repliek in conventie, tevens van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in (voorwaardelijke) reconventie, met producties; - de conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie, met producties; - de akte inbrengen producties (in conventie), van SEQ International; - de antwoordakte na inbrengen producties; - de pleitnota’s die door partijen zijn overgelegd bij gelegenheid van het op 18 november 2011 gehouden pleidooi, met - in het geval van SEQ International - twee aanvullende producties, alsmede het proces-verbaal van het pleidooi en de daaraan gehechte brieven van mr. Lodder d.d. 2 maart 2012 en van mr. Buikstra d.d. 8 maart 2012. 1.2. De rechtbank heeft in de zaak met rolnummer 10-415 partijen gehoord en kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding d.d. 28 december 2009, met producties; - de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 Rv, met producties; - de conclusie van antwoord in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv; - het tussenvonnis d.d. 19 mei 2010 van deze rechtbank, waarbij beide zaken zijn gevoegd; - de conclusie van antwoord, met producties; - de conclusie van repliek, met producties; - de conclusie van dupliek, met producties; - de akte inbrengen producties, van SEQ International c.s.; - de antwoordakte na inbrengen producties; - de pleitnota’s die door partijen zijn overgelegd bij gelegenheid van het op 18 november 2011 gehouden pleidooi, met - in het geval van SEQ International c.s. - twee aanvullende producties, alsmede het proces-verbaal van het pleidooi en de daaraan gehechte brieven van mr. Lodder d.d. 2 maart 2012 en van mr. Buikstra d.d. 8 maart 2012. 1.3. Na het pleidooi in beide zaken is het wijzen van het vonnis op verzoek van partijen aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Bij brieven van 6 en 9 januari 2012 hebben partijen vonnis gevraagd. 2. Inleiding 2.1. Onderwerp van geschil is het mislukken van de samenwerking in SEQ Nederland tussen SEQ International en haar bestuurder en indirect aandeelhouder [V] enerzijds en Eneco anderzijds. Deze samenwerking betrof het doen realiseren van innovatie op het gebied van schone energiewinning onder de noemer <i>Zero Emission Power Plant (ZEPP)</i>. Zeer beknopt weergegeven verwijten SEQ International c.s. Eneco c.s. dat zij deze samenwerking hebben doen mislukken door geen uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken over de innovatieve projectontwikkeling van SEQ Nederland en door iedere besluitvorming in SEQ Nederland te blokkeren. Daartegenover stellen Eneco c.s. in de kern dat de ZEPP-technologie niet haalbaar bleek binnen de afgesproken financiële kaders en dat SEQ International en [V] ermee hebben ingestemd dat de verdere projectvoering werd gestaakt. 2.2. Procedureel is dit geschil verdeeld over twee gevoegde procedures. In de zaak met rolnummer 10-225 vordert SEQ International dat Eneco de door haar gehouden aandelen in SEQ Nederland aan haar overdraagt. In de zaak met rolnummer 10-415 vorderen SEQ International c.s. schadevergoeding en betaling van een contractuele boete door Eneco c.s. 2.3. De opbouw van dit vonnis is als volgt. 3. Definities in beide zaken De navolgende begrippen hebben in dit vonnis de navolgende betekenis: 4. De vaststaande feiten in beide zaken Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast. <i> A. De direct betrokken partijen en hun aandeelhouders</i> 4.1. SEQ Nederland hield/houdt zich (in ieder geval) bezig met innovatie op het gebied van schone energiewinning onder de noemer ZEPP. SEQ Nederland houdt alle aandelen in en is bestuurder van SEQ E&P. SEQ E&P hield/houdt zich bezig met het ondergrondse deel van de ZEPP-projectontwikkeling. 4.2. SEQ International en Eneco houden ieder 50% van de aandelen in SEQ Nederland. SEQ International heeft haar aandelen verkregen bij de oprichting van SEQ Nederland op 3 augustus 2004, Eneco heeft haar aandelen per 1 juni 2007 verkregen door deze over te nemen van ONS. 4.3. SEQ International is onderdeel van een groep van vennootschappen, opgericht door [V]. De aandelen in SEQ International worden gehouden door WMI (95%) en ONS (5%). WMI is de persoonlijke holding van [V]. De aandelen in ONS worden gehouden door de gemeente Schiedam. [V] is bestuurder van WMI. [V] is tevens enig aandeelhouder van Dropscone. Naast 50% van de aandelen in SEQ Nederland houdt SEQ International alle aandelen in SEQ UK. 4.4. Eneco is onderdeel van het Eneco concern en houdt zich bezig met bepaalde projecten op het gebied van ‘nieuwe’ energie, zoals schone en duurzame energie. De aandelen in Eneco worden via (onder meer) Eneco Beheer gehouden door Eneco Holding. Tot het Eneco concern behoren tevens (voor zover thans relevant) Enecogen en Stedin. 4.5. Vereenvoudigd laat de vennootschappelijke structuur zich als volgt weergeven: Vennootschappelijke structuur <i> B. De statutaire en contractuele vormgeving van SEQ Nederland</i> 4.6. De relatie tussen SEQ Nederland en haar jointventurepartners wordt beheerst door de statuten en een aantal overeenkomsten, waaronder de aandeelhoudersovereenkomst (gesloten tussen SEQ Nederland, SEQ International en Eneco), de managementovereenkomst (gesloten tussen SEQ Nederland en WMI) en de licentieovereenkomst (gesloten tussen SEQ Nederland en Dropscone en meegetekend door Eneco). Daarnaast bevat de koopovereenkomst tussen Eneco en ONS enkele bepalingen die thans nog relevant kunnen zijn. 4.7. De statuten van SEQ Nederland bevatten - voor zover thans relevant - bepalingen over de vertegenwoordiging en over besluitvorming (zie hierna onder 4.13 en 4.14). 4.8. De aandeelhoudersovereenkomst bevat - voor zover thans relevant - bepalingen over het (als bijlage bij de overeenkomst gevoegde) businessplan en de begroting (zie hierna onder 4.17), de financiering (zie hierna onder 4.18), de directie van SEQ Nederland (zie hierna onder 4.13 e.v.), een non-concurrentiebeding (zie hierna onder 4.88) en een geheimhoudingsbeding (zie hierna onder 4.91). 4.9. De managementovereenkomst bepaalt dat [V] door WMI aan SEQ Nederland ter beschikking wordt gesteld als directeur. Onder deze overeenkomst heeft WMI aanspraak op een vergoeding van € 1.000,00 voor iedere dag arbeid die [V] voor SEQ Nederland verricht. De vergoeding is alleen verschuldigd over daadwerkelijk gewerkte dagen. 4.10. In de licentieovereenkomst heeft Dropscone aan SEQ Nederland een gebruiksrecht verleend op het door [V] aangevraagde en door hem aan Dropscone overgedragen octrooi NL 1013804 met betrekking tot de ZEPP-technologie en (kort gezegd) op octrooien die daarop voortbouwen. De verleende licentie was exclusief en privatief voor projecten in Europa. Op grond van de licentieovereenkomst heeft Dropscone een bedrag van € 500.000,00 ontvangen. Daarnaast bepaalt deze overeenkomst dat Dropscone jegens SEQ Nederland aanspraak heeft op een winstgerelateerde vergoeding (5% van de jaarlijkse nettowinsten van gerealiseerde en verkochte projecten, te beginnen met ingang van het derde project). Krachtens de bepalingen van de licentieovereenkomst loopt deze tot december 2019. 4.11. De koopovereenkomst tussen ONS (als verkoper) en Eneco (als koper) bevat een earn-out bepaling met de volgende inhoud: <small><b>“Artikel 3 - Koopprijs en Earnout Betaling</b> 3.1 Koper is uit hoofde van de koop van de Aandelen aan Verkoper een koopprijs verschuldigd van (
- i)EUR 1 (zegge: één euro) (de “<b>Koopprijs</b>”) (
- ii)eventueel te vermeerderen met een eenmalige earnout betaling van EUR 500.000 (zegge: vijfhonderdduizend) (de “<b>Earnout Betaling</b>”) onder de voorwaarden van de Artikelen 3.2 tot en met 3.6. 3.2 De Earnout Betaling is verbonden aan een project van SEQ E&P waarbij nabij Drachten mogelijk gaswinning kan plaatsvinden (het ‘<b>Gasproject Drachten</b>”), Partijen genoegzaam bekend en niet te verwarren met het ZEPP project te Drachten. Of en in hoeverre gas op deze locatie kan worden gewonnen zal nader onderzoek vergen. Indien op basis van dit onderzoek besloten wordt tot gaswinning over te gaan zal voor de gaswinning een installatie moeten worden gebouwd. Op het moment dat met betrekking tot dit project tussen de dan betrokken partijen de materiële contracten die ten grondslag liggen aan het bouwen van de installatie voor gaswinning worden getekend en er geen opschortende voorwaarden voor de realisatie van dit project gelden (de “<b>Financial Close</b>”) is Koper de Earnout Betaling aan Verkoper verschuldigd. 3.3 Indien de gaswinning in het Gasproject Drachten redelijkerwijs economisch haalbaar is, is Koper verplicht om de mogelijkheid van deze gaswinning serieus te onderzoeken. 3.4 Koper is verplicht om Verkoper iedere zes maanden schriftelijk op de hoogte te houden van de voortgang van het Gasproject Drachten en om Verkoper tussentijds zo spoedig mogelijk schriftelijk te berichten van iedere belangrijke ontwikkeling bij het onderzoek of gaswinning mogelijk is en bij het voeren van de onderhandelingen over de contracten voor het bouwen van de noodzakelijke gaswinningsinstallatie. Voorts zal Koper Verkoper direct op de hoogte stellen op het moment dat de Financial Close is bereikt. 3.5 Koper is verplicht de Earnout Betaling uiterlijk 5 dagen na Financial Close te betalen aan Verkoper door overmaking van het bedrag van de Earnout Betaling op rekeningnummer (…) ten name van de Verkoper bij de ING Bank (…). 3.6 Koper is de Earnout Betaling tevens aan Verkoper verschuldigd indien en op het moment dat Koper haar belang in (één van) de Vennootschappen overdraagt aan een derde. De Earnout Betaling wordt alleen dan niet verschuldigd indien de verplichtingen van Koper onder de Earnout Betaling als verwoord in dit artikel 3 via een kettingbeding integraal en ongewijzigd worden opgedragen aan deze derde of deze derde een groepsmaatschappij is van ENECO.”.</small> <i> C. De directie van SEQ Nederland</i> 4.12. Het bestuur van SEQ Nederland bestaat sinds 1 juni 2007 uit WMI en Eneco. Feitelijk wordt de directie sindsdien gevoerd door twee personen. Dit zijn thans [V] namens WMI en [F] namens Eneco. Tot 24 november 2008 trad [G] als directeur namens Eneco op. 4.13. Artikel 18 lid 1 van de statuten bepaalt dat de directie bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen; de statuten bevatten geen bepaling inzake de bevoegdheid van individuele bestuurders (anders dan een tegenstrijdig belang bepaling). Artikel 6 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaalt dat de bestuurders alleen zelfstandig bevoegd zijn tot een bedrag van € 50.000,00. 4.14. Zowel de statuten van SEQ Nederland (in artikel 19) als de aandeelhoudersovereenkomst (in artikel 6.4) bevatten een lijst van bestuursbesluiten die de voorafgaande toestemming van de AvA vereisen. Daartoe behoren onder meer besluiten tot het wijzigen van het businessplan, de begroting en/of de strategie van SEQ Nederland en tot het aangaan van rechtsgedingen waarvan het belang € 50.000,00 te boven gaat. Voorts bevatten de statuten (in artikel 31.3) en de aandeelhoudersovereenkomst (in artikel 7.2) een lijst van besluiten van de AvA waarvoor een meerderheid nodig is van 60% van het gehele geplaatste kapitaal. Hiertoe behoort onder meer het besluit tot het beëindigen van de activiteiten van SEQ Nederland. <i> D. Het businessplan, de begroting en de financiering van SEQ Nederland</i> 4.15. Bij de aandeelhoudersovereenkomst is als bijlage gevoegd het businessplan met daarin de begroting voor de periode van 1 juni 2007 tot 1 juni 2012. Het businessplan, inclusief genoemde begroting, is door SEQ International en Eneco voor akkoord getekend. 4.15.1. In de inleiding van het businessplan is vermeld: <small>“This business plan for [SEQ Nederland] (…) sets out the framework for the work and activities that SEQ NL is planning to undertake for the next 3 to 5 years, on the basis of terms and conditions as set forth in article 4.3 of the shareholdersagreement (…).”.</small> 4.15.2. De kernactiviteiten van SEQ Nederland worden in § 2 van het businessplan als volgt omschreven: <small><b>“2. Core activities of SEQ NL <i>2.1. Zero Emission Power Plant </i></b> The core activities of SEQ NL consist of developing, managing, exploiting and investing in ZEPP projects within Europe. A ZEPP generates climate neutral electricity by using oxy-fuel combustion and capturing the plant emissions, mainly CO2 from the combustion process. The resulting CO2 will be injected/stored in an underground reservoir, delivered to horticulture, or permanently captured otherwise. The capacity of a ZEPP can vary from 10 to 1000 MW. Contrary to conventional cogeneration type power plants, which produce electricity and useable heat, a ZEPP has 5 basic outputs: 1. Electricity 2. Useable heat 3. (Near) pure CO2 4. Nitrogen (and other air products) 5. Clean water The nitrogen is a basic output if [the] ZEPP project manufactures the required oxygen from air by using an Air Separation Unit (ASU). <i><b>2.2. ZEPP-related projects</b></i> SEQ NL will also develop projects which are related to one of the 5 basic outputs from a ZEPP-project. Possible examples are CO2-transportation for injection/storage in reservoirs, or N2-delivery to a gas transmission system operator for quality conversion of gas. The ZEPP-project is however leading; key objective of the spin-off activities is to optimize the profitability of the ZEPP project. SEQ NL’s main activity will be the maturation of these projects. After maturation SEQ NL will aim to find other investors in the projects. The activities necessary for the projects related to subsurface injection and production will be organized in a separate joint venture in which SEQ NL will aim to participate with a 100% owned affiliate. <i><b>2.3. Enhanced Gas Recovery</b></i> The third core activity of SEQ NL is developing, managing and investing in Enhancing Gas Recovery (EGR) projects, using the CO2 from the ZEPP to recover additional natural gas from a (depleted) gas field and use the production as feed gas for the ZEPP. This will complete the cycle of ‘climate neutral’ electricity production. The exploitation, operation and investments for this activity will always be done in partnership with an experienced and qualified exploration and production company. Maximizing SEQ NL’s value from the ZEPP concept requires participation in the full value chain, i.e. electricity generation, CO2 injection/credits, heat sales, N2 sales, and (off spec) feed gas production for the ZEPP. This in turn implies that an equity position in a concession with subsurface reservoirs is required. However, in view of the risk, exploration for new hydrocarbons in such a concession is not considered a core business of SEQ NL and its affiliates. Recognizing that successful exploration in a concession may provide feed gas to the ZEPP, SEQ NL will try to find a farminee who (for SEQ NL’s cost in the exploration efforts) will obtain part of SEQ NL’s share of the concession. In case such a farminee cannot be found SEQ NL will allow its shareholders to act on their own, subject to a sole risk provision that would allow SEQ NL to re-enter at a premium as specified in the joint venture agreement for that concession. <i><b>Z4. Underground storage of natural gas</b></i> Besides the development of the ZEPP-concept, SEQ NL will also exploit its contacts and knowledge to find suitable locations in Europe for underground storage of gas. Hence, the fourth core activity of SEQ NL is developing, managing, exploiting and/or investing in underground gas storage projects. After the project development phase of a gas storage project SEQ NL will, as long as ENECO owns less gas storage than 2 000 million Nm3 in working gas volume, allow ENECO to take over the project for further implementation. ENECO will pay SEQ NL, after project take-over a market conform development fee (see also article 4.7 of shareholders agreement). In case ENECO already owns gas storage with a total working gas volume of 2 000 million Nm3 or more, SEQ NL can exploit the project fully or sell whole or part of the project to third parties.”.</small> 4.15.3. Het businessplan geeft verder in § 3 invulling aan de personele aspecten van de samenwerking. De strekking daarvan is dat SEQ Nederland niet of nauwelijks vast personeel zal hebben, dat er een projectteam wordt samengesteld bestaand uit personeel dat door de aandeelhouders ter beschikking wordt gesteld tegen een marktconform tarief en dat externe consultants ingehuurd kunnen worden voor specifieke expertise. § 3.3 van het businessplan bevat een opsomming van belangrijke partners en adviseurs: <small>“Since SEQ NL has no foreseen direct employment within its organization, SEQ NL will engage partners and advisers to perform all the tasks necessary for developing a successful business. This paragraph gives an overview of SEQ NL’s main business partners and advisers. Current main partners - who are involved in the Drachten project - are: - Clean Energy Systems, responsible [for] the conceptual power plant design and the proprietary Oxy-fuel combustor. - Siemens, responsible for the detailed design of the power plant, manufacturer of the turbines and balance of plant equipment - Visser & Smit Hanab, responsible for the construction of the boiler, the pipelines to and from the well location and the waste heat delivery system. Further [H] involvement could be in the civil construction work of the power plant.”. </small> 4.15.4. In § 4 van het businessplan wordt een omschrijving gegeven van de activiteiten en het tijdschema: <small>“The focus of SEQ NL in 2007-2011 lies on:
(1)realizing the demonstration ZEPP-project in Drachten (
- ii)financial close for at least 2 other ZEPP-projects and (iii) development of one seasonal gas storage. This means that SEQ NL wilt focus its activities first on the development and realization of the ZEPP-Drachten, secondly on the development of the 4 other identified ZEPP-projects which are described in the Annex. Parallel to the activities for ZEPP-developments, contacts and information should be gathered to identify a suitable location for underground storage for gas. This should result into at least one concrete project for seasonal gas storage. In the Annex the currently identified 5 potential ZEPP-projects including time schedule are described in more detail. The following time table covers an aggregated overview of the planning for 2007 - 2011 for all 5 potential projects, in order of priority. The priority is based on the expected profitability and therefore feasibility of the project. Except for the first project, Drachten, which has the highest priority since this is the demonstration project. This Drachten project is expected to receive governmental support in terms of subsidy. The other projects are ranked according to expected feasibility and profitability. The profitability largely depends on the availability of cheap gas and/or oxygen. The developing governmental support for CO2 storage as a means of CO2 emission reduction may lead to an adjusted ranking of the individual projects. (...)”. </small> 4.16. De begroting voor de tweede helft van 2007 kent een totaalbedrag van € 6,0 miljoen (§ 5.1 van het businessplan, aangepast op 30 mei 2007). Hiervan ziet € 5,2 miljoen op het demonstratieproject in Drachten (onderverdeeld in € 1,9 miljoen voor financial close en € 3,3 miljoen na financial close<sup>1</sup> ). Paragraaf 5.2 van het businessplan (prognosis of future investments and budget: 2007-2012) bevat een prognose van benodigde investeringen voor vijf projecten. 4.16.1. Het businessplan bevat verder in § 6 en in een bijlage een omschrijving van het demonstratieproject en een aantal andere projecten, te weten het UK offshore project en projecten in Rotterdam, Ommen en Harlingen. Daarbij is tevens vermeld: <small>“SEQ NL shall meet her financial obligations with its own funds. In case these funds are insufficient to meet SEQ NL’s financial obligations, additional financing will be obtained in line with article 9 of the shareholders agreement”.</small> 4.17. Over het businessplan en de begroting bepaalt artikel 4 van de aandeelhoudersovereenkomst: <small><b>“Artikel 4. Activiteiten en invulling van de onderneming </b> 4.1 Voor zover rechtens mogelijk en voor zover in hun macht, zullen Partijen er voor zover mogelijk voor zorgdragen dat de onderneming van de Vennootschap, van SEQ E&P en van andere Verbonden Partijen zal worden gedreven in lijn met het Businessplan en de Begroting. Partijen nemen hierbij de verplichting op zich al hetgeen te doen dat redelijkerwijs verwacht mag worden om dat te bewerkstelligen. 4.2 Als <u><b>Bijlage 4.2</b></u> is aan deze Overeenkomst gehecht, de vanaf de Ondertekeningsdatum geldende Begroting. De Vennootschap draagt er zo veel mogelijk zorg voor dat zij vervolgens jaarlijks vóór 1 augustus, een Begroting voor het volgende kalenderjaar opstelt, ten einde te bewerkstelligen dat de AvA uiterlijk een maand voorafgaande aan de op te stellen begrotingscyclus van ENECO voor het volgende kalenderjaar de vaststelling van de Begroting heeft goedgekeurd, zodat de Begroting in die begrotingscyclus kan worden meegenomen. De Directie ziet erop toe dat de Begroting met in achtneming van het voorgaande tijdig wordt voorgelegd aan de AvA. Partijen nemen hierbij de verplichting op zich al hetgeen te doen dat redelijkerwijs verwacht mag worden om een en ander te bewerkstelligen. 4.3 Als <u><b>Bijlage 4.3</b></u> is aan deze Overeenkomst gehecht, het vanaf de Ondertekeningsdatum geldende Businessplan. De Vennootschap draagt er zo veel mogelijk zorg voor dat zij vervolgens jaarlijks vóór 1 augustus, een Businessplan voor een periode van drie tot vijf jaar opstelt, ten einde te bewerkstelligen dat de AvA uiterlijk een maand voorafgaande aan de op te stellen begrotingscyclus van ENECO voor het volgende kalenderjaar de vaststelling van het Businessplan heeft goedgekeurd, zodat het Businessplan in die begrotingscyclus kan worden meegenomen. Indien (een deel van) het voorgaande Businessplan gelijk dient te blijven in het nieuwe Businessplan, kan dit (deel van het) voorgaande Businessplan vanzelfsprekend een op een worden overgebracht naar het nieuwe Businessplan. Een nieuw Businessplan stelt het voorgaande Businessplan, voor zover dat nog van kracht is, terzijde. De Directie ziet erop toe dat het Businessplan met in achtneming van het voorgaande tijdig wordt voorgelegd aan de AvA.”.</small> 4.18. Artikel 9 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaalt over de financiering van SEQ Nederland het volgende: <small><b>“Artikel 9. Financiering </b> 9.1 Tenzij Partijen anders overeenkomen, zal de Vennootschap als volgt worden gefinancierd: 9.1.1 de Aandeelhouders richten in de eerste plaats erop dat de Vennootschap al haar financiële verplichtingen zal nakomen uit haar eigen financiële middelen. 9.1.2 indien de eigen financiële middelen niet voldoende zijn zal de Vennootschap in de tweede plaats een lening met derden aangaan; leningen van derden zullen worden aangegaan onder voorwaarden die in het zakelijk verkeer gebruikelijk zijn; geen van de Aandeelhouders zal in verband met enige lening verplicht zijn een garantie, borgstelling dan wel andere zekerheid af te geven; 9.1.3 indien het de Vennootschap niet lukt een toereikende lening met derden aan te gaan onder voorwaarden die in het zakelijk verkeer gebruikelijk zijn, kunnen de Aandeelhouders, zonder daartoe verplicht te zijn, in de derde plaats de Vennootschap voor gelijke delen financieren; en 9.1.4 indien ook dat niet toereikend blijkt te zijn zal in de vierde plaats ENECO respectievelijk SEQ International de mogelijkheid hebben zonder daartoe verplicht te zijn (
- i)de Vennootschap een geldlening te verschaffen die converteerbaar is in cumulatief preferente aandelen in de Vennootschap met een zelfde rente als de rente voor de geldlening en/of (
- ii)tegen uitgifte van aandelen in het kapitaal van de Vennootschap eigen vermogen aan de Vennootschap te verschaffen; in het geval ENECO respectievelijk SEQ International hierdoor op enig moment als Aandeelhouder zoveel stemrechten verkrijgt in de Vennootschap waardoor ENECO respectievelijk SEQ International zonder medewerking van de andere Aandeelhouder, aan enig in deze Overeenkomst opgenomen quorum of gekwalificeerde meerderheid voldoet, zullen Partijen hiervoor een regeling treffen die recht doet aan de belangen van beide Aandeelhouders, mede in het licht van deze Overeenkomst. 9.2 Op de Ondertekeningsdatum wordt een leningsovereenkomst afgesloten tussen ENECO en de Vennootschap, hieraan gehecht als <u><b>Bijlage 9.2</b></u>. Uit de jaarrekening over het jaar 2006 blijkt dat WMI ultimo 2006 een vordering op de Vennootschap heeft voor een bedrag van EUR 654.800 (…). Deze vordering wordt per 1 januari 2007 omgezet in een lening volgens dezelfde condities als geldend in Bijlage 9.2. Afbetaling van 50% van het onder deze condities door WMI uitgeleende bedrag vindt plaats uit gelden die vrijkomen uit de financial close van het eerste project van de Vennootschap waarin gebruik wordt gemaakt van de Licentie. Voor de resterende 50% blijven de condities uit Bijlage 9.2 en de overige voorwaarden uit deze Overeenkomst van toepassing.”.</small> 4.19. De in artikel 9.2 van de aandeelhoudersovereenkomst bedoelde leningsovereenkomst van Eneco aan SEQ Nederland is neergelegd in een aan SEQ Nederland gerichte en door haar voor akkoord getekende brief van Eneco Holding d.d. 12 juni 2007. Daarin is - voor zover van belang - het volgende bepaald: <small>“Hierbij bevestigen wij met u een overeenkomst te zijn aangegaan, waarbij wij u de volgende faciliteit ter beschikking stellen voor de verstrekking van een achtergestelde lening: Doel van Hoofdsom 1, Hoofdsom 2 en de Faciliteit: (
- a)het aflossen van de aan Geldnemer door NV ONS Houdstermaatschappij verstrekte achtergestelde lening (inclusief rente) en overige vorderingen van NV ONS Houdstermaatschappij op Geldnemer (Hoofdsom 1); (
- b)het aflossen van op closing uitstaande crediteuren, met uitzondering van het hierboven onder (
- a)genoemde, alsmede met uitzondering van de vordering van [V] Mijnbouwkundig Ingenieursbureau B.V. op SEQ Nederland B.V. (Hoofdsom 2); (
- c)het financieren van toekomstige ontwikkelingskosten (Faciliteit). (…) Storting van Hoofdsom 1 heeft plaatsgevonden middels betaling van Geldgever aan de notaris vervolgens betaling van notaris aan verkoper, zijnde NV ONS Houdstermaatschappij. Storting van Hoofdsom 2 (…) zal plaatsvinden op rekening (…) ten name van SEQ Nederland B.V. in Rotterdam. Eventuele additionele Hoofdsommen zullen aan Geldnemer ter beschikking worden gesteld nadat Geldnemer door middel van documentatie op voor Geldgever acceptabele wijze heeft aangetoond dat zij deze financiering nodig heeft om de ontwikkelingskosten te financieren. (…)”.</small> Op pagina 1 van de brief is (in een voettekst) het kamer van koophandelnummer van Eneco Beheer vermeld. 4.20. Na ondertekening van de aandeelhoudersovereenkomst maar voorafgaand aan de ondertekening van de hiervoor onder 4.19 bedoelde brief, heeft [I] van de afdeling strategie van Eneco bij e-mail d.d. 6 juni 2007 aan (onder meer) [V] het volgende geschreven: <small>“Afgelopen vrijdag heeft closing van de SEQ transactie plaatsgevonden. Op dat moment is aan ONS circa 1,5 miljoen betaald. Dit bedrag is feitelijk een lening van ENECO aan SEQ (…). Daarnaast zijn in de transactiedocumentatie nog twee zaken overeengekomen (…): • ENECO verstrekt lening aan SEQ voor aflossing/betaling overige crediteuren van SEQ NL (ook circa 1,5 miljoen) (…) • Daarnaast krijgt SEQ een faciliteit waarmee toekomstige ontwikkelingskosten (voor 2007) kunnen worden betaald. Hiervoor is een faciliteit van 1,5 miljoen opgenomen, maar eventuele storting aan SEQ (en dus verhoging van de totale lening) kan alleen plaatsvinden met instemming van ENECO (…)”.</small> 4.21. Onder de leningsovereenkomst heeft SEQ Nederland een aantal cash-calls gedaan. Dit heeft geresulteerd in de navolgende betalingen aan SEQ Nederland: 4.22. De statuten bevatten geen geschillenregeling. Wel bevat artikel 13 onder A van de statuten een blokkeringsregeling ingeval een aandeelhouder voornemens is zijn aandelen over te dragen: <small>“1. Elke overdracht van aandelen kan slechts geschieden nadat de aandelen aan de mede-aandeelhouders zijn te koop aangeboden zoals hierna in dit artikel is bepaald. 2. (...) 3. De aandeelhouder die één of meer aandelen wil overdragen, hierna te noemen: de “aanbieder”, deelt aan de directie mede welke aandelen hij wenst over te dragen. Deze mededeling geldt als een aanbod aan de mede-aandeelhouders tot verkoop van de aandelen tegen een prijs die zal worden vastgesteld op de wijze als bepaald in lid 5. (…) 5. De koopprijs zal - tenzij de aanbieder en de mede-aandeelhouders éénparig anders overeenkomen - worden vastgesteld door één of meer onafhankelijke deskundigen, die door de aanbieder en de mede-aandeelhouders in gemeenschappelijk overleg worden benoemd. Komen zij hieromtrent niet binnen twee weken na de in lid 4 bedoelde kennisgeving van de directie tot overeenstemming, dan verzoekt de meeste gerede partij aan de voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken binnen wier ressort de vennootschap feitelijk is gevestigd, de benoeming van drie onafhankelijke deskundigen. (…)”.</small> <i> E. De projecten van SEQ Nederland, een algemene beschrijving van ZEPP, het demonstratieproject, de Staatsopdracht en een algemene beschrijving van de ontwikkelingen sinds 1 juni 2007</i> 4.23. SEQ Nederland is door SEQ International en Eneco bedoeld als een projectontwikkelingsvennootschap: SEQ Nederland zou ZEPP-projecten ontwikkelen om deze vervolgens te verkopen aan projectvennootschappen waarin SEQ Nederland bij voorkeur een minderheidsbelang zou houden. Zeer beknopt weergegeven gaat het bij die projecten om de opwekking van elektriciteit door verbranding van aardgas met zuurstof (oxyfuel), waarbij de vrijkomende CO2 wordt afgevangen en vervolgens geïnjecteerd in een aardgasveld. Hiermee wordt niet alleen bewerkstelligd dat elektriciteit wordt gewonnen zonder dat CO2 in de atmosfeer terecht komt, maar met de injectie van de geproduceerde CO2 wordt tevens getracht de productie van gas uit het gasveld te verbeteren (enhanced gas recovery). 4.24. Schematisch weergegeven behelst een ZEPP-project het volgende: 4.25. Om de ZEPP-technologie te bewijzen, was in het businessplan voorzien in een demonstratieproject in Drachten. Kort gezegd zou daar een ZEPP-project worden gerealiseerd conform het hiervoor weergegeven schema. Later is besloten om te kijken of het demonstratieproject een andere opzet kon krijgen op het terrein van Corus (Hoogovens) in IJmuiden. Voor het demonstratieproject heeft SEQ Nederland van SenterNovem een UKR-subsidie van € 10.000.000,00 gehad. Nauw verbonden aan het demonstratieproject was de inschrijving van SEQ Nederland op de Staatsopdracht. Kort gezegd hield deze in dat de Staat, vertegenwoordigd door SenterNovem, aan twee partijen opdracht zou geven om, ieder voor zich, gedurende tien jaar lang CO2 in de bodem op te slaan tegen een vergoeding van € 30.000.000,00. Deze opdracht zou door SEQ Nederland worden uitgevoerd door middel van het demonstratieproject, welk project deels zou worden gefinancierd met de opbrengst uit de Staatsopdracht. De Staat heeft voor de Staatsopdracht in de jaren 2007-2008 een aanbestedingsprocedure gehouden. 4.26. Op de ontwikkelingen aangaande SEQ Nederland en haar verschillende projecten vanaf het moment dat Eneco aandeelhouder werd, 1 juni 2007, wordt hierna in meer detail ingegaan. Voor de leesbaarheid van het navolgende wordt in algemene zin het volgende opgemerkt: a. Blijkens het businessplan lag de focus voor de jaren 2007-2011 op het realiseren van het demonstratiemodel in Drachten, de financial close van ten minste twee andere ZEPP-projecten en het ontwikkelen van een seizoensgebonden gasopslag. b. In de periode van 1 juni 2007 tot 21 december 2007 is met name gewerkt aan de nadere uitwerking van de plannen voor het demonstratieproject in Drachten, in het bijzonder de validering van het economische model voor dit project. Daarnaast is in deze periode gewerkt aan een mogelijk project op Terschelling en het UK offshore project. c. Op 21 december 2007 hebben de aandeelhouders van SEQ Nederland projectmandaat ZEPP02 vastgesteld, waarin - zeer beknopt weergegeven - besloten werd te onderzoeken of het demonstratieproject in IJmuiden zou kunnen plaatsvinden in plaats van in Drachten. d. Op 28 en 30 januari 2008 hebben twee directievergaderingen plaatsgevonden binnen SEQ Nederland. Eneco wilde de bedrijfsvoering van SEQ Nederland staken. Tussen partijen is in geschil of SEQ International hiermee heeft ingestemd. e. In de periode februari/maart 2008 - mei 2008 is gewerkt aan het demonstratieproject in IJmuiden en aan het verkrijgen van de Staatsopdracht. Aan deze werkzaamheden is eind mei 2008 een eind gekomen zonder dat ingeschreven is voor de Staatsopdracht. Sindsdien zijn de activiteiten van SEQ Nederland gestaakt. f. Tussen partijen is in het voorjaar 2008 een impasse ontstaan. Onderhandelingen tussen partijen sinds de zomer van 2008 hebben niet geleid tot een minnelijke regeling. <i> F. Ontwikkelingen in de periode 1 juni 2007 tot de vaststelling van projectmandaat ZEPP02 op 21 december 2007</i> 4.27. Na 1 juni 2007 is door SEQ Nederland gewerkt aan de uitvoering van het businessplan. Begin juli 2007 is SEQ Nederland van start gegaan met het analyseren van de economische aspecten van het demonstratieproject waarvoor [V] een economisch model had opgesteld. SEQ Nederland heeft in verband hiermee opdracht gegeven aan Ernst & Young om het door [V] opgestelde economische model verder te ontwikkelen en uit te breiden. Dit model beoogt de te verwachten kosten en opbrengsten van het project over een bepaalde periode in kaart te brengen aan de hand van variabelen, zoals de verwachte kostprijs van benodigde bronnen (zoals gas en elektriciteit), de verwachte verkoopprijs van allerlei stoffen (zoals CO2, elektriciteit en warmte) en andere bedrijfseconomische factoren (zoals belastingen, afschrijvingen, rentevoet e.d.). Het model beoogt onder meer inzicht te geven in de effecten van diverse scenario’s, zoals prijswijzigingen van grondstoffen, wijzigingen van belastingen en rente e.d. Het model toont onder meer de netto contante waarde van de investering in het project. 4.28. In het najaar van 2007 heeft Ernst & Young een aantal elkaar opvolgende concepten van het economische model opgeleverd. Dit heeft in november 2007 geleid tot versie 16. Anders dan het model zoals door [V] was opgesteld, voorzag versie 16 van het model niet in opbrengsten door de verkoop van CO2-emissierechten, althans niet in de jaren na 2012. 4.29. Bij e-mail d.d. 17 november 2007 heeft [V] [G] en [E] gewaarschuwd voor de tekortkomingen die versie 16 van het model volgens hem had: <small>“Enkele opmerkingen over het model; • er staan zeer veel ongevalideerde aannames in het model • deze ongevalideerde aannames zijn verantwoordelijk voor een CAPEX onzekerheid van enkele tientallen miljoenen (ASU aansluiting van 6,5 miljoen, pijpleidingen van ruim 20, ASU (was 33, toen 50, nu weer 40)) in het huidige model • belasting afdrachten zijn nu zodanig gemodelleerd dat de ZEPP (via de sluitposten CO2 fee en zuurstof doorberekening) de belasting betaald voor zowel de EGR als de ASU, terwijl er niet voldoende geconsolideerd wordt met de verliezen die de ZEPP mede hierdoor maakt. De manier waarop dit nu in het model staat betekend dat de ZEPP onnodig hoge kosten krijgt doorberekend. • het leeg produceren van het “goedkope” EGR gas in 10 jaar heeft een onnodig negatief effect op de ZEPP, de eerste paar jaar operationeel verlies van de ZEPP werken zeer slecht door in de economics en dit kan verzacht worden door het gas sneller te produceren (volgens de TNO studie kan het gas in enkele maanden worden geproduceerd dus technisch is daar geen belemmering voor) • de J97 optie is niet goed gemodelleerd, volgens het model (case 8b) wordt de J97 in 2012 geïnstalleerd en zorgt dan voor een efficiency stijging tot 46% (met een investering van 8 miljoen) hetgeen niet correct is • er is geen meerwaarde voor de CO2 neutraliteit van de opgewekte energie hetgeen mijns inziens geen reële aanname is • De laatste berekening van E&Y met 20% equity en 80% debt resulteert direct in een positieve NPV voor het project Al deze punten leiden mij tot de volgende conclusie; Het financieel model in de huidige staat bevat nog zoveel onzekerheden en is (voor het project) dermate sub-optimaal opgezet dat aan de hand van het huidige model over de financiële haalbaarheid van de ZEPP01 geen (eind)conclusies gemaakt KUNNEN worden. Dit betekend dus dat er een kwaliteitsslag gemaakt dient te worden voordat er überhaupt iets over de financiële haalbaarheid van het project gezegd kan worden. Deze kwaliteitsslag is afhankelijk van informatie van oa de EPC groep en de ASU leveranciers en dient aangevuld te worden met inhoudelijke financiële ondersteuning van een financieel/fiscaal professional (bv via E&Y of een andere externe partij). Zolang dit nog niet is gebeurd KUNNEN er geen conclusies aan dit model worden ontleend en mogen er zeker geen verregaande beslissingen (opgeven Drachten locatie en dus ook staatsopdracht co2 opslag en Akkrum winningsvergunningsaanvraag) op gebaseerd worden. Dit laat onverlet dat de financiële haalbaarheid van het project Drachten in de huidige vorm ter discussie staat wat wellicht gaat leiden tot een andere projectopzet op een andere locatie. Het lijkt daarom een goede beslissing om de locatie specifieke kosten op de korte termijn te minimaliseren zolang de haalbaarheid van het project niet verduidelijkt wordt.”.</small> 4.30. In reactie op de hiervoor onder 4.29 genoemde e-mail heeft [E] per e-mail d.d. 17 november 2007 het volgende aan [V] geschreven: <small>“Hierbij een eerste reactie mijnerzijds op onderstaande opmerkingen/conclusies: - van <b>overhaaste beslissingen</b> is geen sprake, ons gesprek afgelopen vrijdag was daarin heel eenduidig (we hebben zelfs heel concreet afgesproken geen “no regrets” beslissing te nemen) - (…) - wat betreft conclusies: <b>voor het huidige projectconcept op de locatie valt de basis weg</b>: wellicht moeten we overstappen naar een modulair opgebouwd, package unit concept met veel lagere CAPEX, relatief gezien veel hoger percentage van investering dat gedekt wordt door subsidies, veel hogere uitnutting locale gasvelden enz. enz. (…)”.</small> 4.31. Reagerend op de hiervoor onder 4.29 en 4.30 geciteerde e-mails heeft [G] aan (onder andere) [V] bij e-mail d.d. 18 november 2007 als volgt bericht: <small>“Ik realiseer me maar al te goed dat de conclusies die we getrokken hebben voor het project in Drachten teleurstellend zijn. (…) Belangrijkste teleurstelling in mijn ogen is de staat van de techniek die prematuurder is dan gehoopt en de stappen die we kunnen maken in rendement zijn op overzienbare termijn niet de stappen waarop we gehoopt hadden op basis van het businessplan. Tweede teleurstelling is de aantrekkelijkheid van de locatie Drachten. Het nogmaals kijken naar het model voor Drachten heeft weinig zin. Naast de opmerkingen van [V] zitten er op een aantal punten ook nog optimistische aannames in. (…) De ontwikkelingen in SEQ noodzaken een verandering van de koers en ik onderschrijf de lijnen zoals [E] ze donderdag noemde. Ik wil de beperkte middelen (mensen en geld) inzetten waar de kans op succes het grootste is. Helaas is dat niet in Drachten. (…)”.</small> 4.32. Bij e-mail d.d. 19 november 2007 schreef [V] aan [E]: <small>“(...) De resultaten ten opzichte van drachten zijn voor mij ook teleurstellend, waarschijnlijk zelfs zodanig dat het huidige concept op de locatie niet haalbaar is. De status van het model vind ik niet optimaal, zeker niet als "beslisdocument" maar dat mag na de emails ook duidelijk zijn. Dit betekend in mijn ogen (nog) niet dat de locatie drachten af valt. De reden hiervoor is simpel. Zonder uitdrukkelijke staatssteun of significante technologie ontwikkeling is CO2 afvang en opslag niet haalbaar. Ook niet op een andere locatie. Zonder de co2 opslag staatsopdracht is de opslag niet rendabel, en zonder UKR + emissierechten is de afvang niet haalbaar. Op een andere opslag locatie zal dit niet anders zijn. Harde conclusies maar zo is het nu eenmaal. Wat rest is EOR (in Nederland niet haalbaar wegens gebrek aan olievelden) en EGR, vooral dat laatste is voor Nederland interessant wegens de verouderende gasvelden. Het is echter wel zo dat de techniek onbewezen is en iemand dit als eerste in de praktijk moet uitproberen. (…) Al met al is de locatie Drachten dus vanuit een EP perspectief gezien een uitstekende plek om een EGR demonstratie uit te voeren, zeker als je de andere up-sides meeneemt in de overweging. Afrondend, voor mij staat het huidige project ontwerp (gezien de teleurstellende ontwikkelingen) zeker ter discussie, de locatie echter niet omdat daarin (de afgelopen jaren) niets veranderd is en het een prima locatie is. Het nu gaan zoeken naar een beter alternatief voor de demonstratie is in mijn ogen niet erg zinvol omdat de grote potentie van de kringloop vooral zit in het vervuilde gas. Ik denk echter dat we zonder een demo plant geen commercieel project van de grond krijgen. Het beste zou wel eens kunnen zijn om na een paar jaar draaien in drachten de hele zaak naar bv een terschelling locatie te verhuizen maar dit even terzijde. Dat er iets moet gebeuren staat denk ik wel vast, de koerswijziging moet zich in mijn ogen richten op het, op de huidige locatie commercieel krijgen van een aangepast centrale ontwerp. Op een andere locatie met hetzelfde ontwerp aan de slag lijkt niet zinvol en als we toch aan het ontwerp gaan sleutelen waarom dan (nu
- al)de locatie opgeven? Wat vast staat is dat als wij de locatie nu opgeven we de 30 miljoen aan staatsopdracht kwijtraken en daarom ook geen andere opslag locatie rendabel zullen krijgen. Zoals reeds gemeld denk ik dat we zonder demo geen commercieel project van de grond krijgen dus proberen naar een Terschelling uit te wijken kan m.i. (nog) niet. (…).”. </small> 4.33. Op 21 december 2007 vond een AvA plaats waarin een nieuw projectmandaat is vastgesteld door SEQ International en Eneco, te weten projectmandaat ZEPP02. Dit gebeurde onder voorbehoud van goedkeuring van de raad van bestuur van Eneco Holding. 4.33.1. Over de verhouding tussen het businessplan en het projectmandaat ZEPP02 is in de notulen het volgende opgenomen: <small>“4. <u>Toelichting op afwijking van het businessplan gedateerd 20 mei 2007</u> De voorzitter [rechtbank: [V]] geeft aan dat is afgeweken van het businessplan van 20 mei 2007 omdat het project ZEPP01 op de locatie Drachten moest worden herijkt als gevolg van de resultaten van de afgelopen zes maanden. Als gevolg hiervan was het nodig dat ook de andere in het businessplan bedoelde projecten werden herijkt. [G] merkt op dat hij van mening is dat het projectmandaat ZEPPO2 het businessplan in zijn geheel kan vervangen. De voorzitter is echter van mening dat het businessplan in stand zou moeten blijven voor wat betreft de algemene zaken, zoals missie, visie en strategie. Hij geeft verder aan dat bepaalde zaken, zoals gasopslagprojecten, die wel in het businessplan en de aandeelhoudersovereenkomst zijn benoemd, niet terugkomen in het projectmandaat ZEPPO2, en dat ook daarom het businessplan in stand moet blijven. Na overleg stelt [G] voor om op zo kort mogelijke termijn een nieuw businessplan te schrijven op basis van de geplande activiteiten zoals blijkend uit het projectmandaat ZEPPO2. In dit nieuwe businessplan zullen indien en voorzover dit door de directie van de Vennootschap zinvol wordt geacht de punten uit het businessplan van 20 mei 2007 worden overgenomen. De voorzitter brengt dit voorstel in stemming, en de vergadering stemt unaniem vóór dit voorstel.”. </small> 4.33.2. Projectmandaat ZEPP02 bevat een planning voor de periode van 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 met een budget van € 750.000,00. Zeer verkort weergegeven besloten partijen te onderzoeken of het demonstratieproject in IJmuiden gerealiseerd kon worden en niet in Drachten. Het mandaat bepaalt - voor zover relevant - het volgende: <small>“<b>1. Projectachtergrond</b> De afgelopen maanden is duidelijk geworden dat het gekozen projectconcept voor ZEPP-01 in Drachten (20 jaar exploitatie in 2 fasen — te weten een upgrade na een eerste periode van ong. 5 jaar operaties - op dezelfde locatie met nauwelijks inkomsten vanuit de ondergrond, geen verrekening van emissierechten, tussentijdse ombouw met steeds vast opgestelde installaties, geen risicodragende partners, noch voor techniek, noch voor de CO2 afvang/opslag en EGR, grotendeels (>90%) private financiering zelfs op commerciële basis) een veel te hoog risicoprofiel heeft voor een <i>demonstratie</i>project, waarbij wereldwijd voor de eerste keer een geheel nieuw kringloop concept wordt toegepast. Er dient dan ook een ander projectconcept opgezet te worden, met als primaire doelstelling het demonstreren van de kringloop met een technisch concept (zowel wat betreft het proces, als de bouwwijze) op een locatie en met partners, waardoor ZEPP-02 wel technisch en economisch haalbaar wordt. <b>2. Projectdoelstellingen</b> Aan het eind van deze fase van het project dient het volgende bereikt te zijn: - Op welke locatie kan met welke partners de kringloop technisch en economisch haalbaar gerealiseerd worden. (…) - Eindoordeel t.a.v. bruikbaarheid locatie Drachten t.b.v. ZEPP-01 en/of ZEPP-02, gezien vanuit zowel bovengrondse als ondergrondse perspectieven. - Beschikbaarheid van een concrete (andere) ondergrondse CO2-opslaglokatie, indien de nu geselecteerde Akkrum-gasvelden (i.s.m. Wintershall) definitief komen te vervallen. (…) <b>3. Bereik</b> Focus in deze fase van het project ligt op de volgende activiteiten: - Het gestructureerd inventariseren van potentiële locaties (...). - Het nader uitwerken van locaties op de zgn. “short list” (…) - Het opzetten van een technisch concept dat economisch haalbaar geëxploiteerd kan worden op één of meerdere locaties op de “short list”. - Het vinden en vastleggen van partners voor techniek (…) en gaswinning / exploitatie (…). - (…) - Voortzetting van de voorbereiding van een succesvolle inschrijving op de EU-tender voor CO2-opslag t.w. van 30 miljoen Euro (incl. BTW). (…) <b>4. Resultaten</b> <u>Deliverables</u> - Process Flow Diagrammen (PFD’
- s)met massa en energiebalansen van het technische concept voor ZEPP-02 en de te gebruiken cyclus nu, en over 5 tot 10 jaar (HdP). - Gevalideerde rendementen voor ZEPP-02 en de cyclus nu en voor de toekomst (HdP). - Betrouwbaar/werkbaar financieel model en gevalideerde resultaten / scenario’s incl gevoeligheden. - lntentieovereenkomsten/ L.O.l.’s met partners voor de techniek (incl ASU) en de gaswinning / exploitatie. - Eindrapport over de bruikbaarheid van de locatie Drachten t.b.v. ZEPP-01 en ZEPP-02 (PA). - Integraal eindrapport TU Delft over alle door hen uitgevoerde activiteiten (HdP), in combinatie met TU Delft. - Benchmark-rapport van vergelijkbare projecten. Onder andere voor de gasgenerator van Clean Energy Systems Inc. (CES), maar ook voor andere CO2 afvang technieken (HdP) en bij het gasstoken in andere CO2 opslagprojecten werkend volgens het oxyfuel principe. - Fase eindrapport inclusief globaal plan voor (eventuele) vervolgfase, waaronder in ieder geval: o een globale planning uitvoeringsfase (‘één A4’) (WN); o een communicatieplan voor de volgende fase in het project (DK); o en een risk assessment (JM). - Vlekkenplan en betrouwbare ‘locatie score card’ voor potentiële locaties in Nederland. Minimaal een vlekkenplan voor locaties in Duitsland en Engeland (DD voor ondergrond en PA voor bovengrond). - Intentieverklaring van de beleidsbepalende instanties en diegene die voor support op het gebied van geld, vergunningen, samenwerking en exploitatie kunnen zorgen dat ze daadwerkelijk stappen zullen ondernemen om (mogelijke) showstoppers weg te nemen, het beoogde project financieel te ondersteunen, dan wel een beleidsvoornemen hebben om dat te gaan doen (geld ook voor de juridische aspecten van de langjarige, risicoloze opslag van CO2 en het vooralsnog alleen op commerciële basis in concurrentie willen verstrekken van de Staatsopdracht). - Duidelijkheid over emissierechten (WW) - Succesvolle toewijzing van de aanbestedingstender ‘CO2-opslag in de bodem’ (DD). - Financieringsvoorstel eventueel onrendabele top, concrete toezegging van bijdrage(
- n)door derden en/of positieve grondhouding om bijdrage te gaan leveren (PT). - Projectvoorstel naar de directie (en aandeelhouders) van SEQ Nederland voor het uitvoeren van een vervolgfase indien uit de resultaten van de nu uit te voeren analyse voldoende kan worden aangetoond dat de initiële projectdoelstellingen in een daadwerkelijk project kunnen worden gerealiseerd (JM) <b>5. Beperkingen</b> Randvoorwaarden / restricties in tijd, geld en resources: - Doorlooptijd : maximaal 6 maanden (voorgenomen start: 2 januari 2008) - Budget : maximaal € 750.000 (…) Randvoorwaarden: - Er mag geen afbreukrisico ontstaan vanuit het ZEPP-02 project voor de (mogelijke) partners, technologie en/of locatiekeuze voor toekomstige projecten van SEQ Nederland B.V. - Beoordeling en ranking van locaties moet ook bruikbaar zijn voor middellange termijn projectconcepten van het bedrijf SEQ Nederland BV. (…) Verder dient al het mogelijke gedaan te worden om de inmiddels verkregen UKR subsidie te behouden/in te zetten voor ZEPP-02. Daartoe dient contact opgenomen te worden met SenterNovem teneinde o.a. deadlines aan te passen. (…) <b>6. Relatie met andere projecten</b> - <i>6.1. Relatie met andere projecten van SEQ Nederland B. V. </i> Deze reviewfase mag geen afbreukrisico opleveren voor (eventuele) toekomstige projecten op de locatie Drachten, dan wel in Noord Nederland. Wat betreft de locatie Drachten dient dan ook een zogenaamde ‘no regret’ beslissing genomen te worden. Dit houdt in dat: - door derden een onafhankelijke, analyse / evaluatie van de locatie uitgevoerd moet gaan worden, waarbij integraal gekeken wordt naar de (bewezen) gasreserves, concrete mogelijkheden voor gaswinning, de daarvoor (globaal) benodigde investeringen, het tijdpad waarin dat eventueel plaats kan vinden en de mogelijkheden voor (kleinschalige) gasopslag enz. - Gesprekken gestart gaan worden met Wintershall over hun oordeel m.b.t. deze locatie, gaswinningsmogelijkheden, CO2-opslag enz., met als doelstelling Wintershall een risicodragende partner in een (eventuele) uitvoeringsfase te laten zijn. -Met spoed een zogenaamd "Damage control communicatieplan" opgesteld en uitgevoerd moet worden om de negatieve PR van het niet-bouwen van ZEPP-01 te minimaliseren en zelfs in positieve zin om te buigen door ZEPP-01 te vervangen door een beter concept, t.w. ZEPP-02. (…)”.</small> <i> G. De ontwikkelingen vanaf de vaststelling van projectmandaat ZEPP02 tot de directievergaderingen van 28 en 30 januari 2008 </i> 4.34. Bij e-mail d.d. 5 januari 2008 zond [V] een memo aan [G], [E] en [B] waarin wordt ingegaan op de mogelijkheden voor een ZEPP-project in IJmuiden met een lijst van korte termijn acties, te weten het voeren van gesprekken met Wintershall, Corus, Linde, SenterNovem en CES. 4.35. Op 8 januari 2008 vond een vergadering plaats van de raad van bestuur van Eneco Holding, waar onder meer de stand van zaken in SEQ Nederland werd besproken alsmede de goedkeuring van het projectmandaat ZEPP02. Blijkens de notulen van deze vergadering is toen het volgende besproken: <small>“(…) De ontwikkelingsresultaten voor de ZEPP in Drachten zijn niet conform de verwachting, zoals op moment van overname van ONS Energie door ENECO. De technologie van SEQ blijft echter interessant, mits de randvoorwaarden juist ingevuld kunnen worden. (…) SEQ heeft inmiddels haar activiteiten bijgesteld. (…) Als deze fase succesvol wordt doorlopen, zal medio 2008 een ZEPP02-project worden voorgesteld. (…) Zijn de resultaten van het zoeken van een beter concept (…) echter teleurstellend, dan zal ENECO haar belang in SEQ moeten heroverwegen. (…) Nu de uitkomsten van het onderhavige project niet conform de verwachtingen zijn, is het het eerder ingenomen RvB-standpunt van toepassing dat geen verdere projectontwikkeling van ZEPP zal plaatsvinden. Besloten wordt weliswaar in te stemmen met de in het voorstel beschreven gewijzigde activiteiten voor SEQ Nederland B.V., doch met een lage prioriteit. (…)”.</small> 4.36. Bij e-mail d.d. 23 januari 2008 (onderwerp: Re SEQ 0,5) heeft [J] van CES (onder meer) [E] en[V] als volgt bericht: <small>“I would like to add a few comments to [voornaam] earlier e-mail, and those that followed. The “SEQ 0.5” project is very different from the Drachten project, in that the goal is to have low-capex, but at the cost of high opex. This implies much fewer operating hours - perhaps 1000 to 2000 hours per year, and only makes sense if a site can be identified with a source of up to 50 tph oxygen, for up to 8 hours per day. The next critical step is to decide if thermal energy (steam) can be utilized, and if CO2 can be sold. The SEQ 0.5 description was selected on the assumption that CO2 could be sold into a CO2 network for greenhouses, and therefore a relatively high backpressure was selected for the J79. This was done to reduce compression power for the CO2, and to allow the recovery of heat and production of steam at a nominal 2 bar. If there is no potential for steam or CO2 sales, then a peaker plant for only electricity production would have another turbine downstream of the J79. Total electrical production would increase to 40 MW, but there would be no CO2 capture and no steam sales, so the operating hours would be quite low due to the high marginal cost (gas and oxygen purchases) and revenues only from electricity. We believe either configuration could be offered for $25-$30 million. If a CES equity contribution (credit) of $8 million is added to the 10 million Euro capex subsidy, the funding gap if not too high. The key, of course, is to have a site with good prospects for operating in 2009, for several years, with the prospect of relocating the equipment to another site, if needed. Alternatively, the plant could stay at that site and be dispatched only when economical, as the capex is largely covered. The other approach is the Drachten configuration, but the high capex and relatively low efficiency dictates either a high value on the CO2, premium pricing on electricity, or lower fuel costs. If a project must buy fuel at market rates, sell electricity at market rates, and has no revenue generation from the carbon capture, we can guarantee that a 30% efficient plant will not be competitive. In our twoCaliforniaprojects, for instance, we have Power Purchase Agreements that offer “green energy” pricing - representing $40/MWh over market prices for fossil fuel, and we are selling the carbon dioxide for at least $25/ton, without having any investment for storage infrastructure. If these support mechanisms are not available in the Netherlands (keeping in mind that similar incentives were stated by the government in the past) then the only remaining lever to use is low-cost fuel. In this case, it is likely that CO2 capture and storage is mandatory, so we’re back to the baseload plant with capex in excess of $120 million, or higher if substantial European equipment is used rather than US. l’d like to conclude by stating that we are committed to moving your projects forward and are willing to carry as much financial risk as we can afford as a relatively small company. We have the commercial hardware available this year, and it can be deployed next year there if there is truly a “fast track” project, but we do not control this. If a viable fast-track project cannot be identified, then I completely agree that not much should be expected over the first six months of this year. But if there is a site, we suggest moving fast to confirm the economics, so that SEQ Nederland is a “first mover” and not a follower.”. </small> 4.37. [V] was van 4 januari tot 28 januari 2008 op vakantie. Na zijn vakantie vond op 28 januari 2008 een directieoverleg plaats, waarin onder meer aanwezig waren [V] en [G]. Van dit overleg bestaan twee verschillende notulen: een door Eneco overgelegde versie en een door SEQ International c.s. overgelegde (wat uitvoerigere) versie met markeringen (onderstrepingen en doorhalingen van [V]). Uit de overgelegde producties blijkt het volgende: - In beide versies van de notulen wordt geconcludeerd dat de kansen voor het realiseren van een ZEPP op korte termijn (3-5 jaar) nihil zijn (slot van § 1). - In beide versies staat dat de NAM voor het Terschellingproject heeft aangegeven dat zij niet bereid is om een verdere inventarisatie te doen naar de mogelijkheden van het Westveld en dat op 29 januari 2008 een gesprek zal plaatsvinden met de NAM. - Beide versies vermelden in § 2 dat besloten is het projectmandaat momenteel ‘on hold’ te zetten en aan het projectteam te melden dat er geen werkzaamheden meer worden verricht door SEQ Nederland. In de door Eneco overgelegde versie wordt daarop één uitzondering gemaakt (het maken van een korte vergelijking van de ontvangen ASU-offertes), de versie van SEQ International c.s. vermeldt tevens dat er een bezoek met de NAM zal plaatsvinden om een nader gesprek te voeren over de mogelijkheden in Terschelling en Drenthe en dat er een aantal acties afgerond kan worden zoals telefoontjes en een gesprek met een vertegenwoordiger van VROM. - Beide versies van de notulen vermelden dat besloten is dat de directie zal bespreken in hoeverre er nog kansen zijn voor een ZEPP zowel op lange als op korte termijn en hoe SEQ Nederland hiermee om zal moeten gaan. Na dit interne directieoverleg zal aan de beide aandeelhouders worden gevraagd hoe SEQ Nederland met deze resultaten verder moet. - Beide versies bevatten een vrijwel identieke lijst van afspraken en acties: <small>“Afspraken en acties: o [E] meldt aan het projectteam dat er geen werkzaamheden meer voor het ZEPP project uitgevoerd worden vanaf 29-01-2008 [in de versie van SEQ International c.s. is hieraan toegevoegd: voorzover niet cruciaal of onvermijdelijk voor het project]. o [K] zal gevraagd worden een vergelijking te maken van de diverse ASU offertes en Linde te bellen of zij nog een offerte willen uitbrengen. o In het gesprek van 29 januari zal de NAM gevraagd worden om gevalideerde informatie te geven over de gasvelden rondom Terschelling en in Zuidoost Drenthe. o De directie heeft een overleg (30-01-2008) over de verdere gang van zaken en over de mogelijkheden die er (nog) zijn op korte (3-5 jaar) en lange (10- 15 jaar) termijn. o De directie stelt een lijst op met de primaire stakeholders, de contactpersonen vanuit SEQ en neemt een besluit over de boodschap die naar buiten gebracht zal worden.”. </small> 4.38. Bij e-mail d.d. 29 januari 2008, 08:46 uur, heeft [E] het projectteam van SEQ Nederland bericht dat de aanhoudende stroom zwaar teleurstellende resultaten in het directieoverleg van 28 januari 2008 er toe heeft geleid dat alle ZEPP02 projectactiviteiten ‘on hold’ worden gesteld, behoudens het voeren van een gesprek met de NAM en een analyse / evaluatie van de ontvangen offerte van Air Products. In de e-mail staat voorts (
- i)dat de directie het (wellicht) definitief stoppen met de ZEPP-02 activiteiten in de komende week wil overwegen, waarna een definitieve beslissing volgt wat er eventueel nog wel wordt gedaan en (
- ii)dat door de directie een lijst met “primaire stakeholders” wordt opgesteld die persoonlijk benaderd zullen worden zodra de definitieve beslissing genomen is. 4.39. Op 30 januari 2008 vond wederom een directieoverleg van SEQ Nederland plaats. In deze vergaderingen bepleitte [V] de continuering van de activiteiten van SEQ Nederland en [G] de beëindiging daarvan. Ook van dit overleg bestaan twee verschillende notulen: een door SEQ International c.s. overgelegde versie en een door Eneco c.s. overgelegde (wat uitvoerigere) versie met markeringen. 4.39.1. In de door SEQ International c.s. overgelegde notulen van deze vergadering is het volgende opgenomen (WW= [V], PT = [G]): <small>“1 <u>Resultaten tot nu toe </u> Zoals aangegeven tijdens directie overleg van 28-01-08 (zie notulen) heeft [E] aangegeven dat hij gezien de resultaten van de afgelopen tijd geen aanleiding ziet om de project activiteiten zoals beschreven in het projectmandaat ZEPPO2 verder voort te zetten. [V] (WW) geeft aan dat in zijn mening de resultaten grotendeels de aannames die op 1 juni 2007 (tijdens de aandelenovername door Eneco) golden conformeren. Met name de bruto (exclusief ASU) efficiency (orde grote 36% — 39%) voor het Drachten concept (zie KEMA eind rapportage) en de zuurstof kosten zie offertes AP, AL zijn in zijn visie grotendeels conform verwachting en zeker niet “zwaar teleurstellend” zoals gemeld in de vergadering van 28-1. Ook de resultaten van het “fast track” project van CES zijn geen reden om per direct de activiteiten stop te zetten, dit omdat de doelstelling van het fast track project een puur kortlopend demoproject voor minimale CAPEX zijn. In de visie van CES kan dit op twee manieren, indien er stoom en CO2 commercieel verkocht kan worden aan derden met een E-rendement rond de l0% of anderzijds indien er geen markt voor stoom of CO2 bestaat met een E-rendement van rond de 23% (zie email [J] dd 23-01-08). [G] (PT) geeft aan dat hij de resultaten zoals op 28-1 gepresenteerd wel onderschrijft en ziet dan ook geen reden om door te gaan met de uitwerking van concrete projecten op de locaties die nu in beeld zijn (Drachten, Terschelling, Zuid Oost Drenthe en IJmuiden). Het verschil in opvattingen wordt in belangrijke mate veroorzaakt door de rol die CO2 emissierechten mogelijk kunnen spelen voor de businesscase van een project. WW ziet hierin een grote waarde voor de businesscase terwijl PT deze waarde niet ziet omdat de regelingen omtrent CO2 afvang en opslag binnen het ETS (toewijzing en waarde) formeel nog steeds niet zijn vastgelegd en er voor de economische onderbouwing van een project dus niet mee gerekend mag worden. Zowel PT als WW onderkennen dat er de afgelopen periode en zeker de afgelopen weken een dermate verslechtering van het functioneren van het projectteam heeft plaatsgevonden dat doorgaan met het huidige team slechts zeer moeizaam tot goede resultaten zal leiden. De projectactiviteiten van het huidige team zijn dan ook op de vorige directievergadering (28-1-08) per direct stopgezet. <u>2 hoe nu verder</u> WW ziet zeker mogelijkheden om op de huidige locaties (inclusief Drachten) verder te gaan met concrete projectontwikkeling omdat hij in de resultaten van de afgelopen maanden geen aanleiding ziet om de zaak te stoppen of uit te stellen. Volgens WW dient de verdere projectuitvoering dan ook doorgezet en zelfs geïntensiveerd te worden met als doelstelling op korte termijn een project te realiseren. Dit dient dan echter wel met een nieuw team te gebeuren en ook in de aansturing en ondersteuning van dat nieuwe team moet een duidelijke verbetering ten opzichte van de afgelopen maanden plaatsvinden. PT ziet geen mogelijkheden om op de korte termijn tot een concreet project te komen en volgens hem dienen de projectactiviteiten van SEQ NL dan ook stop gezet te worden en vervolgens dient de ontwikkeling van de markt en technologie gevolgd te worden. Zodra er duidelijk betere (technische/economische) omstandigheden zijn ontstaan kan er overwogen worden om weer met een concreet project te beginnen. WW geeft aan dat een dergelijke aanpak van passief de ontwikkelingen volgen voor hem, ook als aandeelhouder, niet acceptabel is en PT geeft aan dat het verder doorgaan met concrete projectactiviteiten voor hem niet acceptabel is. WW geeft aan dat wat hem betreft een onafhankelijk oordeel over de stand van de techniek en de economische haalbaarheid van de projecten (een “second opinion” dus) eventueel de beide standpunten nader tot elkaar kan brengen maar PT ziet daarin geen oplossing. WW geeft aan dat de directie formeel niet bevoegd is om een dergelijke verstrekkende beleidswijziging (links of rechtsom) door te voeren en dat hiervoor een AvA noodzakelijk is. De ontstane impasse kan doorbroken worden indien Eneco haar aandeelhouderschap van SEQ NL opgeeft en PT geeft aan dat Eneco hiertoe bereid is onder vergelijkbare condities als de overname door Eneco van de aandelen SEQ NL gehouden door de NV ONS houdstermaatschappij. In het kort komen die condities er op neer dat de nieuwe toetredende partij de achtergestelde leningen (verstrekt door Eneco) afbetaald en dat de aandelen SEQ NL voor een symbolisch bedrag worden verkocht aan de nieuwe partij. PT geeft aan dat WW (SEQ international) wat hem betreft vrij is om deze aanbieding met externe partijen te gaan bespreken. WW geeft aan dat dit waarschijnlijk wel een langdurig proces kan worden en dat in de tussentijd de ontstane situatie niet ten koste mag gaan van de (aandeelhouders) waarde van SEQ NL gelet op een eventuele doorstart van de huidige projecten. Afgesproken is dat WW een plan gaat uitwerken over de optie dat Eneco haar aandelen SEQ NL te koop aanbied en PT een plan gaat uitwerken voor het alternatief van SEQ NL met de huidige aandeelhouders passief de ontwikkelingen te laten volgen. Beide plannen zullen over twee weken (13 februari 2008) besproken worden. In de tussentijd zullen zowel Eneco en SEQ International zelfstandig contact opnemen met stakeholders (zoals Senter Novem, ministeries etc) om de situatie vanuit hun eigen perspectief uit te leggen. Dit additioneel op de gezamenlijke (SEQ-NL) externe en interne communicatie naar stakeholders over de projectvoortgang. (…) <u>4) acties</u> WW uitwerken plan voor verkoop Eneco aandeel in SEQ Nederland BV (afronden 13-2-08) Contact opnemen met BK ivm bemiddeling PT uitwerken plan voor doorstart SEQ NL met de huidige aandeelhouders (afronden 13-2-08) (…)”.</small> 4.39.2. In de door Eneco c.s. overgelegde versie is aan de door SEQ International c.s. overgelegde notulen - onder meer - toegevoegd:<sup>2</sup> a. aan het slot van de derde alinea (de uitleg van [G] waarom hij niet verder wil): <small>“Een negatieve netto contante waarde van ongeveer €100 miljoen is niet repareerbaar. De kosten van de ASU zijn hoger dan eerder aangenomen, warmte en N2 levering zijn niet van toepassing in Drachten of op andere locaties. De fasttrack centrale heeft met 11% een zeer laag rendement waardoor ze voor elektriciteitsproductie niet ingezet kan worden en de stoom is van een dermate lage kwaliteit (2 bar) dat ze geen andere nuttige aanwending heeft.”.</small> b. aan het slot van de vierde alinea (waarin het verschil in opvattingen in verband wordt gebracht met een verschillende benadering van de CO2-emissierechten): <small>“Bovendien is het de verwachting dat alle CO2 rechten vanaf 2013 geveild worden waardoor er geen rechten meer zijn waar een waarde aan toegekend kan worden.”.</small> c. aan het slot van de achtste alinea (m.b.t. de opmerking dat [G] een second opinion niet als een oplossing ziet): <small>“het gat van € 100 miljoen negatieve contante waarde is daarvoor te groot”.</small> d. aan het slot van de negende alinea (na de opmerking van [V] dat, kort gezegd, de directie niet bevoegd is om te besluiten tot een vergaande beleidswijziging als het passief volgen van de ontwikkelingen): <small>“Wel zal tot nader order geen kosten gemaakt worden of verplichtingen aangegaan worden in SEQ Nederland B.V.”.</small> Voorts is de zevende alinea van de door SEQ International c.s. overgelegde versie als volgt gewijzigd: <small>“Vanwege de negatieve netto contacte waarde en de premature stand van de techniek ziet PT geen mogelijkheden om op de korte termijn tot een concreet project te komen. Hierom zijn ook de projectactiviteiten van SEQ NL op 28 januari stopgezet en vervolgens dient de onwikkeling van de markt en technologie gevolgd te worden. Zodra er duidelijk betere (technische/economische) omstandigheden ontstaan kan er overwogen worden om weer met een concreet project te beginnen.”.</small> Verder is de in de tiende alinea van de door SEQ International c.s. overgelegde versie opgenomen ‘bereidheid van Eneco tot verkoop’ in de notulen van Eneco afgezwakt tot een ‘verwachting van [G] dat Eneco bereid zal zijn tot verkoop’. 4.40. [G] heeft bij e-mail d.d. 1 februari 2008 - mede op naam van en met een c.c. aan [V] - het projectteam van SEQ Nederland als volgt bericht: <small>“Afgelopen maandag [rechtbank: 28 januari 2008] is door de directie van SEQ besloten dat de activiteiten van het projectmandaat voorlopig gestopt worden. De belangrijkste reden zijn de resultaten voor de ASU, nieuwe informatie van CES en het niet goed functioneren van het projectteam. (…) De woensdag daarop [rechtbank: 30 januari 2008] hebben [V] en [[G]] overlegd over de stand van zaken en om te kijken hoe het verder moet met SEQ Nederland BV. Vooralsnog lijken er twee mogelijkheden voor de toekomst: 1) het stopzetten van de huidige samenwerking wat zal leiden tot een andere aandeelhoudersstructuur of; 2) voor langere tijd concrete projectactiviteiten stilzetten, de technologische ontwikkeling volgen en projectactiviteiten herstarten zodra de techniek volwassen is. Beide opties worden uitgewerkt en medio februari zal hierover nader geïnformeerd worden. (...)”. </small> <i> H. Bedrijfsvoering van SEQ Nederland na begin februari 2008 tot eind mei 2008</i> 4.41. Na het directieoverleg van 28 en 30 januari 2008 is vanaf enig moment in februari dan wel maart 2008 verder gegaan met de voorbereiding van het demonstratieproject in IJmuiden en met de definitieve inschrijving op de Staatsopdracht.<sup>3</sup> Tijdens een directieoverleg van SEQ Nederland op 14 maart 2008 is verder gesproken over het demonstratieproject in IJmuiden. De notulen bevatten een paragraaf ‘status IJmuiden’ waarin [V] - kort gezegd - een schets geeft van een mogelijk ZEPP-project in IJmuiden. De notulen vermelden onder meer: <small>“[voornaam] [rechtbank: [G]] heeft nog geen mening over deze business case [rechtbank: voor IJmuiden], wel lijkt dit kansrijker dan Drachten, maar er zijn nog wel een groot aantal moeilijkheden die opgelost moeten worden. We moeten goed bepalen wat er in deze ZEPP gaat en wat er uit komt en wat het inzetprofiel van de ZEPP zal zijn. ENECO zal in verband met de UKR subsidie voor 6 april een mening moeten kunnen hebben. Daarnaast is het zeer belangrijk dat alles goed gevalideerd is en dat de overheid op de hoogte is van dit project, de kansen en de moeilijkheden. [G] spreekt zijn bezorgdheid uit over een onvoldoende gevalideerd concept waardoor SEQ uiteindelijk haar beloftes niet kan waarmaken. Daarnaast is het goed voor het project als bijvoorbeeld Siemens, CES en V&SH risicodragend willen investeren.”. </small> 4.42. Bij brief d.d. 18 maart 2008 heeft Eneco SEQ International bericht dat Eneco geïnteresseerd blijft in het ZEPP-project van SEQ Nederland, mits er van de juiste technische concepten gebruik gemaakt wordt en de juiste partners risicodragend in de ontwikkeling investeren. In die brief staat voorts dat Eneco kosteloos mensen in zal zetten en dat er bereidheid is kosten te vergoeden voor een goede haalbaarheidstudie, teneinde voor 6 april 2008 een goed besluit te kunnen nemen over de kansen van een ZEPP-project in IJmuiden. 4.43. Op 1 april 2008 heeft bij EZ een overleg plaatsgevonden tussen (onder meer) Eneco (vertegenwoordigd door [D], [G] en W. Noordoven), SEQ Nederland ([V] en [B]) en SenterNovem. Besproken is onder meer het demonstratieproject in IJmuiden en de inschrijving op de Staatsopdracht. In de notulen staat hierover: <small>“3) Deadlines UKR en aanbestedingstender [L] licht dit toe: 1) UKR In 2007 is de UKR-CO2 afvangsubsidie gecommiteerd. (…) Deadline van 6 april staat weliswaar op papier, maar kan flexibel mee worden omgegaan. UKR is immers bedoeld om te experimenteren en bij experimenteren hoort ook dat planning niet altijd loopt zoals vantevoren ingeschat. Er dient echter wel helderheid te worden aangegeven over hoe de nieuwe planning er dan uit komt te zien. <b>SN verwacht nu binnen 2 weken na nu (15 april) helderheid hoe het traject er nu komt uit te zien. Definitieve deadline voor de UKR wordt nu opgerekt naar 6 mei</b>. Tevens is voor deze subsidie alleen nodig dat berekening ‘aannemelijk’ worden gemaakt, er hoeft dus niet in detail op onderbouwing te worden ingegaan. (…). 2) Aanbestedingstender Ook hier zal de termijn worden opgerekt naar 6 mei. Definitieve bieding zal uitkomen op 30 mei. In Juni 2008 wordt de definitieve gunning bekendgemaakt. Hierbij geldt wel een aantal kanttekeningen: - voor tender gelden, anders dan bij UKR, zekerheden - in plan van aanpak kunnen geen voorbehoud worden gemaakt - hier geldt dan ook een resultaatverplichting”. </small> 4.44. Bij e-mail d.d. 8 april 2008 heeft [C] aan [B] en [V] geschreven dat het project bij Corus waarschijnlijk volledig gefinancierd zou moeten worden met eigen vermogen en dat het de bedoeling van Eneco was dat CES en Siemens als risicodragende partners aan boord zouden komen. Tijdens een bespreking op 18 april 2008 tussen (onder meer) Eneco, SEQ Nederland, VROM en SenterNovem heeft Eneco verklaard dat zij niet alleen zal instappen (rechtbank: in de Staatsopdracht/IJmuiden) en dat er risicodragende partners die deelnemen in de resultaatverplichting noodzakelijk zullen zijn. 4.45. Het economische model dat was opgesteld voor het demonstratieproject in Drachten is door Ernst & Young aangepast ten behoeve van het project in IJmuiden. Bij e-mail d.d. 17 april 2008 is ‘Model SEQ IJmuiden draft V10’ door Eneco aan [V] doorgezonden. 4.46. Bij brief d.d. 24 april 2008 heeft Eneco SEQ International als volgt bericht: <small>“Middels dit schrijven wil ik duidelijkheid verschaffen ten aanzien van het standpunt van Eneco met betrekking tot de werkzaamheden van SEQ Nederland BV. Door de Raad van Bestuur van Eneco is op 22 april 2008 aangegeven dat Eneco de werkzaamheden ten aanzien van het project IJmuiden van SEQ Nederland BV tot 30 mei 2008 financieel zal ondersteunen. Hiertoe zal een onderbouwde begroting ter goedkeuring worden opgesteld. Op of rond 30 mei 2008 zal een besluit worden genomen of Eneco verder wil investeren in SEQ Nederland BV. Dit is onder andere afhankelijk van een positieve business case voor het project IJmuiden alsmede of andere partijen risicodragend willen participeren in het project IJmuiden, alsmede het bereiken van overeenstemming over een nieuwe projectstructuur inclusief governance. (…)”.</small> 4.47. Bij brief d.d. 6 mei 2008 heeft Eneco SEQ International als volgt geschreven: <small>“Tijdens de voornoemde bespreking bij Economische Zaken [rechtbank: 25 april 2008] is duidelijk geworden dat er op 30 mei aanstaande nog geen voldoende gevalideerde businesscase gereed zal zijn, inclusief de benodigde risicodragende partners. Gelet op het bovenstaande informeren wij u dat de financiering in beginsel wordt beëindigd nadat aan de financieringstoezegging tot 30 mei aanstaande, zoals weergegeven in de hiervoor bedoelde begroting, is voldaan. Mochten de randvoorwaarden op 30 mei toch nog worden ingevuld, dan is Eneco uiteraard bereid te overwegen of, en zo ja, in welke mate zij aan de projectontwikkeling wil bijdragen.”.</small> 4.48. [B] heeft bij e-mail d.d. 7 mei 2008 een voorstel toegezonden aan Corus, Linde, CES en Siemens voor een ‘voorovereenkomst’ aangaande het project in IJmuiden. 4.49. [G] heeft [B] in een e-mail d.d. 22 mei 2008 als volgt bericht: <small>“(…) wil ik wel alvast meegeven [rechtbank: vooruitlopend op de reactie van Eneco op de voorovereenkomst] dat onze voorwaarden van risicodragende partners (financiering) en een herinrichting van de governance niet lijken te zijn opgenomen in het voorstel. Voor Eneco zijn dat harde voorwaarden om na 30 mei het project te willen ondersteunen.”.</small> 4.50. Wintershall heeft SEQ Nederland bij brief d.d. 23 mei 2008 bericht dat Wintershall op dat moment niet in de positie was om zich in welke vorm dan ook te verbinden voor een project inzake opslag van CO2, ook niet aangaande het Q8-A veld: <small>“(…) Hierop [rechtbank: een voorstel van SEQ van 15 april 2008 aangaande het project in IJmuiden] heeft Wintershall geantwoord dat: - de Q8-A studie nog niet is afgerond en dat daarom geen enkele uitspraak gedaan kan worden over de mogelijkheid van CO2 opslag in het Q8-A veld; - anders dan in Akkrum waarbij ZEPP onderdeel was van het gehele project, het in het geval van Q8-A gaat om louter een CO2 opslag project, en Wintershall in dit stadium nog geen beslissing kan nemen of het daarin op enige wijze wil participeren, anders dan de toezegging voor het bestuderen van de opslag mogelijkheden in het kader van RCI; - de Q8 partners (EBN, Dyas en Wintershall) goedkeuring zullen moeten geven aan CO2 opslag in Q8-A, hetgeen pas kan worden overwogen na volledige afronding van de studies en het vaststellen van kosten en baten; - Wintershall zich op basis van de eerdere conclusies en genomen stappen geen deel meer acht van een EU-tender consortium, en dat het indienen van een aangepaste PvA door SEQ alleen als inschrijver zal moeten gebeuren, waarbij Wintershall terwille is om relevante informatie omtrent het Q8-A veld te verschaffen. Wintershall is momenteel niet in de positie om zich in welke vorm dan ook te verbinden aan een project inzake opslag van CO2, ook niet aangaande het Q8-A veld. Wel zal Wintershall zich blijven inzetten (als Q8 Operator en in het kader van RCI) om de haalbaarheid van CO2 opslag in het Q8-A veld te toetsen.”. </small> 4.51. Op 26 mei 2008 vond directieoverleg bij SEQ Nederland plaats. In de notulen van dit overleg staat onder meer: <small>“Besloten wordt om in te schrijven onder de voorwaarden zoals hiervoor besproken (deelname Wintershall, uitkomst technische studies, beschikbare financiering, nog te nemen definitieve investeringsbeslissing).”.</small> Verder is tijdens dit overleg gesproken over een aanbiedingsbrief aan de aandeelhouders van SEQ Nederland aangaande de inschrijving op de Staatsopdracht. Noch dit overleg, noch latere e-mails tussen partijen hebben geleid tot overeenstemming. Uiteindelijk heeft [V] bij e-mail d.d. 27 mei 2008 een brief gezonden aan de aandeelhouders van SEQ Nederland met een begeleidend schrijven waarin hij onder meer aangeeft dat over de inhoud van de brief geen overeenstemming is bereikt binnen de directie van SEQ Nederland. In de brief zelf schrijft [V]: <small>“(…) De directie wil u graag hierbij op de hoogte stellen van het voornemen om vóór 30 mei a.s., 15:00, inderdaad <u>een definitieve Inschrijving in te dienen</u> bij de Aanbestedende Dienst, t.w. SenterNovem te Sittard namens de Staat der Nederlanden. Deelnemen aan en gunning van de genoemde procedure (met onderliggende Staatsopdracht t.w. van 30 miljoen Euro) sluit goed aan op de kernactiviteiten van SEQ Nederland en is op dit moment voor de continuïteit van de vennootschap van cruciaal belang. De directie van SEQ Nederland is door haar adviseurs geïnformeerd dat bij deze inschrijving in principe geen directe financiële verplichtingen ontstaan, anders dan een inspanningsverplichting om in de komende periode het voorliggende project in IJmuiden/Q8A te brengen tot een moment van Final Investment Decision/ FID, hetgeen voorzien is voor 1 december 2008. Risicodragende partijen in dit project zijn voor wat betreft de ‘bovengrondse’ activiteiten momenteel Corus Nederland B.V., Clean Energy Systems Inc. en Linde Nederland B.V. Het ligt in de bedoeling om met deze partijen een voorovereenkomst af te sluiten, waarin de taken en verantwoordelijkheden nader zullen worden aangegeven. Siemens is waarschijnlijk geen partij bij de voorovereenkomst. Een conceptdocument is reeds door genoemde partijen becommentarieerd en zal later deze week in een concept eindversie worden omgezet. Het is voorzien dat deze partijen, in ieder geval voor wat betreft hun eigen kosten, financieel bijdragen in het project. Het concept van de voorovereenkomst treft u hierbij aan. Uitgangspunt, van de voorovereenkomst, is dat betrokken partijen en SEQ Nederland tot het moment van FID voor eigen rekening en risico zullen bijdragen aan de verdere projectontwikkeling, ter uitwerking van een positieve business case en het uitwerken van een effectieve projectstructuur inclusief governance, mogelijkerwijs via de oprichting van een aparte Project B.V., e.e.a. in samenwerking met bovenstaande partners. (…) Op dit moment is de businesscase nog niet in voldoende mate uitgewerkt en ontbreekt bijvoorbeeld de informatie over de investeringsniveaus en de informatie over de kosten van de brandstoffen. Met het zgn. ‘Q8-partnership', bestaande uit Wintershall Noordzee B.V. (30% en uitvoerder), EBN B.V. (40%) en Dyas B.V. (30%) en verantwoordelijk voor sanctionering van alle voorgenomen (‘ondergrondse') CO2-opslagactiviteiten, zullen eveneens nadere afspraken moeten worden vastgelegd. Dit is momenteel binnen deze partijen in beraad. Van Wintershall is recent een brief ontvangen waarin ze aangeven dat ze op dit moment niet in staat zijn zich aan het project te committeren. Wel zal Wintershall zich blijven inzetten (als Q8 Operator en in het kader van RCI) om de haalbaarheid van CO2 opslag in het Q8-A veld te toetsen. In de komende periode zal moeten blijken in hoeverre ze zich willen en kunnen committeren. (…) In het belang van de onderneming is de directie dan ook voornemens de ter beschikking staande (resterende) financieringsruimte (i.c. de kredietfaciliteit conform afspraken d.d. 1 juni 2007) voor SEQ Nederland (in belangrijke mate) te benutten voor aanwending van dit project, waarmee voldoende financiering voor de voorliggende periode is gegarandeerd. Gezien de urgentie van de aanstaande deadline voor het doen van en definitieve aanbieding op voornoemde aanbesteding verzoekt de directie dan ook aan u als beide aandeelhouders vóór woensdagmiddag 14:00 uur a.s. een formele goedkeuring af te geven voor bovengeschetste activiteiten.”. </small> 4.52. Eneco schreef SEQ International bij brief d.d. 29 mei 2008 als volgt: <small>“Onder verwijzing naar uw bovengenoemde brief [rechtbank: de brief van 27 mei 2008] deel ik u mede dat Eneco van oordeel is dat onder de huidige omstandigheden niet is voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in de brief van 6 mei 2008 van onze Manager Finance, de heer [M]. Die conclusie betekent dat sprake is van de in die briefgenoemde consequenties. Met het oog op de korte termijn waarbinnen u om antwoord verzoekt op uw voornoemde brief, beperk ik mij voor wat betreft de redenen die tot deze beslissing hebben geleid tot het kort noemen van enkele relevante omstandigheden, te weten: - het ontbreken van partners die in voldoende mate bereid zijn om risicodragend in het project te participeren - het ontbreken van een voldoende gevalideerde business case. (…) Onze beslissing betekent ook dat de Definitieve inschrijving voor het project “CO2 opslag in de bodem” niet kan en mag worden uitgebracht. Wij zullen daaraan geen medewerking verlenen. (…)”.</small> 4.53. Bij e-mail d.d. 29 mei 2008 (21:01 uur) heeft [G] [V] als volgt bericht: <small>“De brief van vandaag van Eneco aan SEQ Nederland stelt dat er niet voldaan is aan de door Eneco gestelde voorwaarden en dat dit leidt tot de door Eneco genoemde consequenties. Dit betekent dat SEQ Nederland geen inspanningsverplichtingen kan ingaan en de co2 opslagtender kan daarom niet worden ingediend. Ook de voorovereenkomst kan niet onder de huidige voorwaarden aangegaan worden. Aflopen maandag is door [voornaam] [rechtbank: [B]] in het directieoverleg nadrukkelijk bevestigd dat de inschrijving niet leidt tot verplichtingen. Nu blijkt dat er weldegelijk significante verplichtingen voor SEQ Nederland ontstaan. De verplichtingen die ontstaan bij de co2 opslag tender kunnen niet worden aangegaan door SEQ Nederland, onder meer omdat ze niet over de benodigde financiering beschikt. (…)”. </small> 4.54. In reactie hierop schreef [V] [G] bij e-mail d.d. 29 mei 2008 (22:38 uur), kort gezegd, dat hij de conclusies van [G] niet onderschreef en stelde hij voor om bij de inschrijving op de Staatsopdracht een voorbehoud te maken dat er sprake is van een inspanningsverplichting “nader overeen te komen voor het aangaan van een definitieve opslagovereenkomst”. Hij schreef daarbij dat hiermee het risico werd gelopen dat de aanvraag op formele gronden werd afgewezen, maar dat het de verplichting voor SEQ Nederland beperkte tot een inspanningsverplichting. [G] reageerde hierop bij e-mail d.d. 30 mei 2008 (8:31 uur) met de opmerking dat de onvoorwaardelijkheid [rechtbank: bedoeld zal zijn de voorwaardelijkheid] veel explicieter in de totale aanbieding opgenomen moest worden, terwijl hij ook opmerkte dat er geen financier was en dus geen aanbieding kon worden gedaan. Bij e-mail van 30 mei 2008 (10:02 uur) reageerde [V] met een nieuw tekstvoorstel, met het verzoek om per ommegaande te reageren en met de mededeling dat SEQ International het project vanaf 30 mei 2008 zelfstandig zou gaan uitvoeren indien Eneco met het tekstvoorstel niet instemde. 4.55. Bij e-mail d.d. 30 mei 2008 (14:26 uur) schreef [G] aan [V]: <small>“Mbt de inschrijving op de co2 tender zal er een coverletter moeten zijn waarin we aangeven dat de tender ons op dit moment op geen enkele wijze kan binden en dat wanneer dit uit de documentatie anders blijkt, de stelling dat we ons niet binnen prevaleert. Ook zal de verklaring aangepast moeten worden. We kunnen aangeven dat we voor wat betreft de inspanningsverplichting in goed overleg zijn met onze stakeholders over de financiering van de ontwikkeling en dat hopen uiterlijk xx afgerond te hebben en ons vanaf die datum naar verwachting kunnen inspannen. Een en ander zal nader juridisch getoetst moeten worden. Met betrekking tot de governance en financiering kunnen we de aandeelhouders voorstellen dat we de komende weken met de stakeholders een overeenkomst sluiten waarin iedereen in gelijke mate de projectontwikkeling financiert. Project wordt gemanaged door een projectmanager die geen relatie heeft met de aandeelhouders en onder toezicht van een stuurgroep bestaande uit de financiers. Maandelijks zijn er vooraf afgesproken milestones, en bij positief kan de stuurgroep besluiten de ontwikkeling te continueren. Taken worden gedefinieerd, gepland, toebedeeld en gebudgetteerd. De tarieven voor de betrokken zullen redelijk moeten zijn voor een project in ontwikkeling.”.</small> 4.56. Bij e-mail d.d. 30 mei 2008 (14:34 uur) heeft [V] aan [G] en [D] als volgt bericht: <small>“Zojuist telefonisch contact gehad met dhr [N] [rechtbank: medewerker van EZ] die met de volgende aanbeveling kwam; Indien er bij SEQ NL en/of haar aandeelhouders vraagtekens zijn over de verplichtingen die worden aangegaan bij de CO2 opslag tender, kunnen deze als ontbindende voorwaarden aan de inschrijving worden toegevoegd. Indien er behoefte is aan telefonisch overleg hierover is dhr [N] tot 15:00 beschikbaar. Opmerking mijnerzijds, de aanbesteding bied in principe geen ruimte voor het toevoegen van additionele voorbehouden, dus additioneel op de voorbehouden in het plan van aanpak, en de inschrijving kan dus bij deze route op formele gronden worden afgewezen, maar wellicht is dat risico te verkiezen boven het niet inschrijven op de tender.”. </small> 4.57. [V] reageerde bij e-mail d.d. 30 mei 2008 (14:49 uur) op de hiervoor onder 4.55 geciteerde e-mail van [G]: <small>“Gezien de praktische haalbaarheid om deze coverletter nu nog bij senter te krijgen lijkt mij deze aanbieding niet haalbaar. Er kunnen nu nog twee versies bij senter worden ingediend, een van SEQ Nederland en een van SEQ International. Die van SEQ Nederland bevat geen additionele voorbehouden. De keus is nu indienen via SEQ NL of SEQ International? Graag voor 15:00 aangeven of de versie van SEQ NL ingediend mag worden?”.</small> 4.58. Op 30 mei 2008, om 14:59 uur, heeft [B] in opdracht van [V] de definitieve aanbieding voor de Staatsopdracht ingediend bij SenterNovem, zulks op naam van SEQ International in plaats van op naam van SEQ Nederland. 4.59. Bij e-mail d.d. 30 mei 2008 (15:13 uur) heeft [G] aan [V] een voorstel gedaan om de aanbieding aan te passen. Hierop is door [V] bij e-mail d.d. 30 mei 2008 (15:31 uur) teruggeschreven: <small>“Om ongeveer 14:50 uur heb ik een vergelijkbaar voorstel met jou besproken in lijn met de tekst voorstellen van gisterenavond en vanochtend, toen kon er nog door SEQ Nederland BV worden ingediend. Echter je gaf aan dat de tekst onvoldoende was en dat SEQ Nederland niet kon indienen, ik heb aangegeven dat als alternatief SEQ International voor de deadline fvan 15:00 kon inschrijven. Vervolgens is er om 14:59 uur door SEQ International op deze tender ingeschreven. Je suggestie in onderstaande email is dus te laat om te worden meegenomen in de tender.”.</small> 4.60. Bij e-mail d.d. 30 mei 2008 (15:13 uur) heeft een medewerker van EZ, [O], aan (onder meer) [B] het volgende geschreven: <small>“Het opnemen van conditionele voorwaarden is geen formele grondslag voor afwijzing (gechecked bij SN). Het zal wel worden meegenomen in de ranking en de kans op toewijzing neemt hierdoor af. Echter, ik zou zeer zeker adviseren om onder de genoemde voorwaarden in te schrijven.”.</small> 4.61. SenterNovem heeft geweigerd de inschrijving van SEQ International in behandeling te nemen. SEQ International heeft de Staat in kort geding gedagvaard en gevorderd alsnog toegelaten te worden tot de gunningsfase van de aanbestedingsprocedure. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft deze vordering afgewezen bij vonnis d.d. 20 augustus 2008. <i> I. Niet-projectgebonden ontwikkelingen na begin februari 2008: pogingen tot ontvlechting, aansprakelijkheidsstellingen en procedure bij de Ondernemingskamer</i> 4.62. Bij brief d.d. 13 februari 2008 aan Eneco heeft SEQ International diverse scenario’s geschetst voor de wijze hoe omgegaan moest worden met het ontstane verschil van inzicht over de te volgen koers. In die brief gaf SEQ International, samengevat, aan (
- i)dat Eneco te kennen heeft gegeven niet verder te willen gaan met de door SEQ Nederland ontwikkelde projecten, (
- ii)dat SEQ International wel verder wilde gaan en (iii) dat het SEQ International op grond van artikel 13 van de aandeelhoudersovereenkomst daarom vrij staat om de projecten zonder Eneco voort te zetten. SEQ International schreef verder dat in het directieoverleg op 28 januari 2008 besloten is om alle projectontwikkelingsactiviteiten vooralsnog, per direct (met enkele uitzonderingen), stop te zetten, en voor zover contractueel mogelijk geen (project)kosten meer te maken ten laste van SEQ Nederland en dat op 30 januari 2008 besloten is dat beide directeuren plannen zouden uitwerken voor zowel een doorstart als voor een 'ontvlechting' van SEQ Nederland hetgeen aan de beide aandeelhouders zou worden voorgelegd. Vervolgens worden in de brief vier scenario’s beschreven die - verkort - als volgt kunnen worden samengevat: - In scenario 1 (ontwikkelingen afwachten) zou SEQ International verder gaan met de projecten van SEQ Nederland en als een van die projecten tot realisatie zou komen, dan zou dat project worden overgedragen aan SEQ Nederland. Ten aanzien van de financiering van SEQ Nederland in dit scenario schreef [V]: <small>“SEQ Nederland B.V. kan in dit scenario met een minimale inzet van middelen de marktontwikkeling volgen en weer actief projecten gaan ontwikkelen of participeren op het moment dat dit voor SEQ Nederland B.V. opportuun is. Onder minimale inzet van middelen wordt door SEQ International B.V. in dit kader onder andere bedoeld: het met een beperkt nieuw op te zetten en aangestuurd team te zoeken naar additionele project locaties en concepten binnen de huidige financieringsruimte van SEQ Nederland B.V. (t.w. 2,7 miljoen Euro zoals overeengekomen op 1 juni 2007, minus de reeds gedane ’cash calls”). Hiervoor zal een nieuwe begroting moeten worden opgesteld en worden goedgekeurd door de AvA.”.</small> - Scenario 2 behelst de overname door SEQ International van alle aandelen die Eneco in SEQ Nederland hield voor een symbolisch bedrag van € 1,00, waarbij de bestaande financiering van SEQ Nederland blijft bestaan conform de afspraken van 1 juni 2007. - In scenario 3 zoekt Eneco voor haar aandelen in SEQ Nederland een externe koper, met de kanttekening dat die aandelen aan SEQ International zullen toevallen voor een koopsom van € 1,00 indien Eneco op 1 juni 2008 niet een acceptabele koper heeft gevonden. Gaande dit traject wordt de financiering van SEQ Nederland conform de afspraken van 1 juni 2007 aangewend voor de doorstart van de huidige projectlocaties en concepten. - Scenario 4 behelst de ontbinding van SEQ Nederland, waarbij de daarmee gepaard gaande kosten uit de bestaande financiering zullen worden voldaan en waarbij alle projecten per direct voor eigen rekening en risico door SEQ International zullen worden overgenomen. Het voorstel van SEQ International sluit af met de opmerking dat haar voorkeur uitgaat naar scenario 1 en dat Eneco andere scenario’s of oplossingen voor de bestaande situatie aan de directie van SEQ Nederland kenbaar kan maken. 4.63. Op 14 februari 2008 vond directieoverleg bij SEQ Nederland plaats. Blijkens de notulen van dat overleg is daarbij onder meer gesproken over de vraag hoe verder te gaan met de situatie dat de werkzaamheden van SEQ Nederland op een zeer laag pitje staan. Blijkens de notulen heeft [G] aangegeven dat geen van de door SEQ International geschetste vier alternatieven acceptabel is omdat (
- i)de faciliteit niet beschikbaar staat (de rechtbank begrijpt dat dit ziet op de kredietfaciliteit onder de leningovereenkomst), (
- ii)de activiteiten door SEQ Nederland uitgevoerd moeten worden en (iii) de aandelen niet ‘by default’ aan SEQ International kunnen toevallen. 4.64. Bij brief d.d. 26 februari 2008 heeft de raadsvrouwe van SEQ International Eneco Holding en Eneco gesommeerd tot betaling van € 1.635.000,00, zijnde het toenmalige nog niet getrokken gedeelte van de kredietfaciliteit. 4.65. Op 14 april 2008 heeft SEQ International Eneco opgeroepen voor een algemene vergadering van aandeelhouders van SEQ Nederland, te houden op 22 april 2008. Bij de oproeping was gevoegd (
- i)een memorandum getiteld ‘input SEQ International voor AvA SEQ Nederland B.V. April 2008’ (waarin wordt ingegaan op de bezwaren die SEQ International heeft tegen de gang van zaken) en (
- ii)een door [V] opgesteld businessplan voor 2008. Deze AvA heeft geen doorgang gevonden. 4.66. In de zomer van 2008 heeft Eneco een voorstel tot ontvlechting gedaan. Onder dit voorstel (
- i)diende Dropscone pandrechten te vestigen op haar octrooien ten gunste van Eneco, (
- ii)dienden alle activiteiten van SEQ Nederland te worden overgeheveld naar SEQ International, (iii) dienden de gehele financiering en schuldenlast van de joint venture (circa € 3,5 miljoen) te worden overgenomen door SEQ International, en (
- iv)diende [V] zich in privé borg stellen voor een succesvolle uitvoering van de ontvlechting en voor volledige afbetaling van de financiering van SEQ Nederland. Dit voorstel is door SEQ International c.s. niet aanvaard. Uiteindelijk hebben onderhandelingen geleid tot een concept voor een vaststellingsovereenkomst. Deze is door partijen niet getekend. 4.67. In een e-mail d.d. 25 juli 2008 heeft Eneco aan [V] als volgt geschreven: <small>“(…) In ons telefoongesprek gaf je aan dat SEQ Nederland projecten zal gaan doorzetten. Hierover zijn we naar mijn mening duidelijk geweest. Projecten kunnen alleen worden voortgezet wanneer Eneco geen aandeelhouder meer is en geen betrekkingen meer heeft met SEQ Nederland B.V. Verder hebben we ook met [D] besproken dat wij willen meewerken aan overdracht van aandelen en dat jij in SEQ door kan gaan, waarbij er geen verplichtingen meer bestaan anders dan de betalingsverplichting op de lening. Er wordt afgezien van aanspraken/claims richting Eneco. (…)”. </small> 4.68. Ook onderhandelingen in de laatste maanden van 2008 hebben niet tot overeenstemming geleid. 4.69. Op 4 december 2008 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders van SEQ Nederland plaatsgevonden. Er is onder meer gesproken over het dreigende verlies van de UKR-subsidie van € 10 miljoen en van de winningsvergunningsaanvraag inzake Akkrum. Verder is gesproken over een minnelijke regeling, waarbij Eneco heeft benadrukt dat finale kwijting van Eneco en haar functionarissen daarvan onderdeel zou moeten zijn. Dit was voor SEQ International c.s. en [V] niet aanvaardbaar. 4.70. In december 2008 hebben SEQ International c.s. aan Eneco een conceptdagvaarding doen toekomen, waarin Eneco, Eneco Holding en alle leden van de raad van bestuur en van de raad van commissarissen van Eneco Holding in persoon en hoofdelijk voor tenminste € 150 miljoen aansprakelijk werden gesteld. 4.71. Bij verzoekschrift d.d. 6 april 2009 heeft SEQ International een verzoek aan de Ondernemingskamer gedaan tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken binnen SEQ Nederland en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is door de Ondernemingskamer op 27 april 2009 behandeld en bij beschikking d.d. 8 mei 2009 afgewezen. De Ondernemingskamer heeft bepaald dat het verzoek tot het houden van enquête op verzoek van een van partijen zou kunnen worden behandeld. Geen van partijen heeft hierom verzocht. 4.72. Vervolgens heeft wederom overleg tussen partijen plaatsgevonden over een minnelijke regeling. Eneco heeft bij brief d.d. 10 juli 2009 voorgesteld - kort gezegd - haar aandelen in SEQ Nederland voor € 1,00 over te dragen en afstand te doen van de verschafte leningen, op voorwaarde dat [V] en zijn vennootschappen Eneco en haar functionarissen finale kwijting zouden verlenen. Ook hierover is geen overeenstemming bereikt. 4.73. Op 25 augustus 2009 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders van SEQ Nederland plaatsgevonden. Daarin is gesproken over het in overleg met SenterNovem en EZ overdragen van de UKR-subsidie van € 10 miljoen aan SEQ International voor een door haar uit te voeren project. Verder is gesproken over de continuïteit van SEQ Nederland en SEQ E&P, waarbij Eneco heeft aangegeven dat wat haar betreft er in ieder geval drie mogelijkheden waren: faillissement, ontbinden of ‘slapen’ en dat de voorkeur van Eneco waarschijnlijk uitgaat naar ‘slapen’, waarbij zij tevens heeft aangegeven “<i>dat er zoveel andere dingen spelen dat het even zien is wat er gebeurt op andere fronten</i>”. Eerdere schikkingsvoorstellen van partijen zijn tijdens de AvA aangehaald, maar hierover is geen overeenstemming bereikt. <i> J. Diverse projecten, vergunningen en subsidies nader beschouwd J.1. Het TEM-project </i> 4.74. Het businessplan voorziet niet in een project op Terschelling. Vanaf september 2007 heeft SEQ Nederland onderzocht of het mogelijk was om op Terschelling een ZEPP-centrale te plaatsen. Bij e-mail d.d. 13 oktober 2007 heeft [V] aan (onder meer) [G] een kort memo (twee pagina’
- s)toegezonden met een voorstel voor TEM. Dit voorstel zag op de ontwikkeling van twee niet produceerbare gasvelden onder en ten noorden van Terschelling met het oogmerk om het gewonnen gas - dat door een hoog CO2 en N2 gehalte niet geschikt was voor levering aan de Gasunie - ter plaatse in te zetten voor het opwekken van elektriciteit middels een ZEPP. 4.75. Op 15 januari 2008 vond een ‘kick-off’ meeting plaats. SEQ Nederland heeft een plan van aanpak d.d. 26 januari 2008 uitgewerkt met als titel ‘TEM project Terschelling’. Op 29 januari 2008 heeft hierover een bespreking met de NAM plaatsgevonden. Een voor 21 februari 2008 geplande bespreking is afgezegd op 18 februari 2008 vanwege ‘de ontwikkelingen rondom SEQ NL/ZEPP’. 4.76. In een e-mail d.d. 21 februari 2008 (die cc was gericht aan [G]) heeft [V] geschreven (
- i)dat SEQ International graag de Terschelling Noord en West velden wilde ontwikkelen met een ZEPP, (
- ii)dat Eneco had aangegeven geen interesse te hebben en (iii) dat het SEQ International daarom op grond van artikel 13 lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst vrijstond om het project zelf te doen. [G] heeft hierop in een e-mail van dezelfde datum gereageerd. Hij schreef (
- i)dat hij de lezing van [V] niet onderschreef, (
- ii)dat het huidige concept van CES op korte termijn geen oplossing bood en (iii) dat alle locaties van SEQ Nederland (behalve Drachten) kansrijk waren, alleen niet op korte termijn. [G] schreef in die e-mail verder dat Eneco aan IMSA zal aangeven dat samenwerken met SEQ Nederland of SEQ International niet gewenst is. 4.77. Bij e-mail d.d. 11 maart 2008 berichtte de heer [P] van IMSA [V] als volgt: <small>“(…) Als IMSA/SEF hebben we met Eneco afgesproken dat we in het kader van het TEM-initiatief tot nader order geen contact hebben met SEQ Nederland. (…) Ook wij hopen dat de situatie zich snel zodanig wijzigt dat we onze plezierige samenwerking kunnen voortzetten. Voor meer informatie over TEM en een antwoord op je vraag moet ik je op dit moment echter door verwijzen naar [Q] [rechtbank: van Eneco]”.</small> 4.78. Blijkens de notulen van een directievergadering van SEQ Nederland d.d. 14 maart 2008 is toen over het TEM-project het volgende gezegd: <small>“[voornaam] [rechtbank: [V]] heeft gehoord dat IMSA niet meer met SEQ mag praten. [voornaam] [rechtbank: [G]] zegt dat IMSA uiteraard mag praten met SEQ, maar dat die gesprekken niet door ENECO worden gefinancierd. [Q] heeft aan IMSA aangegeven dat ENECO geen kansen ziet voor een ZEPP op Terschelling op de korte termijn. (…)”.</small> 4.79. [P] van IMSA heeft [V] bij e-mail d.d. 29 mei 2008 bericht dat IMSA en Eneco de samenwerking op het TEM-traject op 27 mei 2009 wederzijds hebben beëindigd, maar dat IMSA het traject onverminderd zou voortzetten. <i> J.2. Het UK offshore project </i> 4.80. Het businessplan bevat een budget van € 400.000,00 voor een UK offshore project. 4.81. SEQ Nederland heeft [A] ingeschakeld voor dit project. <i> J.3. De Akkrum winningsvergunningsaanvraag</i> 4.82. SEQ Nederland dan wel SEQ E&P heeft op of omstreeks 13 september 2004 samen met Wintershall bij EZ een aanvraag ingediend voor een winningsvergunning zoals bedoeld in de Mijnbouwwet. Deze aanvraag ziet op de exploratie en ontwikkeling van gasvelden in het Akkrum-winningsvergunningsgebied in Friesland. Voor zover thans relevant vermeldt de aanvraag op pagina 1: <small>“In deze aanvraag voor een winningsvergunning worden de plannen voor een ontwikkeling van de onlangs verlaten Akkrum velden gepresenteerd. De belangrijkste aanzet voor de geplande ontwikkeling is het ZEPP-EGR winningsconcept (Zero Emission Power Plant / Enhanced Gas Recovery). In dit proces wordt het CO2 - gas, dat wordt geproduceerd bij de verbranding van aardgas in een elektriciteitscentrale, geïnjecteerd in een (deels gedepleteerd) aardgas reservoir. De injectie van de CO2, die plaats vindt in het diepere deel van het reservoir, verhoogt de druk in het reservoir. Gasproductie op de top van het gasvoorkomen resulteert erin dat het CO2 het (resterende) aardgas naar de productieput veegt ('gas sweep'). Het geproduceerde gas wordt vervolgens weer gebruikt als brandstof voor de elektriciteitscentrale. Het is voorzien dat dit ZEPP/EGR injectie- en productieproces in een zeer hoog winningspercentage zal resulteren. Een ander voordeel van deze wijze van elektriciteitopwekking is dat er geen broeikasgassen in de atmosfeer worden uitgestoten. De aldus opgewekte elektriciteit is dus klimaatneutraal.”</small> en op pagina 36: <small>“Voor de continuïteit van het eerder beschreven ZEPP-project is het essentieel om op langere termijn gas te winnen uit andere structuren. Voor eventuele conventionele winning komen de prospectieve structuren als aangegeven in hoofdstuk 5 in aanmerking. Uit het laag-permeabele Akkrum-13 gasveld, bestaande uit een structuur van met name Zechstein 2 Haupt Dolomiet, kan mogelijk additioneel gas worden gewonnen door `traditionele' winningstechniek(en). De GIIP van dit veld wordt momenteel geschat op +/- 750 miljoen Nm3, waarvan nog ongeveer 725 miljoen Nm3 resteert. (...)”. </small> 4.83. Bij brief d.d. 20 mei 2010 heeft Wintershall mede namens SEQ E&P de aanvraag ingetrokken. <i> J.4. De Staatsopdracht </i> 4.84. SEQ Nederland, Wintershall en SEQ E&P hebben zich op 4 juli 2007 ingeschreven op de aanbestedingsprocedure voor de Staatsopdracht. SEQ Nederland is tezamen met Wintershall en SEQ E&P bij brief d.d. 20 juli 2007 door SenterNovem uitgenodigd om als consortium deel te nemen aan de dialoogfase van de aanbesteding. Eveneens uitgenodigd waren (
- i)GTI Zuid-Oost B.V. (thans: Cofely Zuid-Oost B.V.), (
- ii)Shell Nederland Raffinaderij B.V., (iii) Horizon Energy Partners B.V., Elko Energy Inc. en Oyster Energy B.V., en (
- iv)Yara Sluiskil B.V., Ecofys Netherlands B.V. en Golder Associates Europe Limited Ltd. 4.85. Bij brief d.d. 28 september 2007 heeft SenterNovem aan SEQ Nederland bericht dat het ingediende Plan van Aanpak op Hoofdlijnen beoordeeld was en geldig is bevonden. Tevens werd meegedeeld dat SEQ Nederland uitgenodigd zou worden voor de consultatiefase van de aanbesteding. 4.86. Bij e-mail d.d. 16 juli 2010 van SenterNovem aan [V] heeft SenterNovem bevestigd dat de ‘opslagtender’ als sluitingsdatum ‘30 mei’ en als sluitingstijd ‘15:00 uur’ had en dat afwijking daarvan niet toegestaan zou zijn. <i> J.5. De UKR-subsidie</i> 4.87. SenterNovem/EZ heeft aan SEQ Nederland een subsidie verleend van € 10 miljoen voor het demonstratieproject in Drachten. SenterNovem heeft SEQ Nederland bij brief d.d. 27 maart 2009 verzocht om uiterlijk binnen zes weken een voortgangsrapportage toe te zenden. EZ heeft in de zomer van 2009 aangekondigd de UKR-subsidie in te trekken, tenzij er uiterlijk in de laatste week van juni 2009 uitsluitsel zou komen over een oplossing voor het geschil tussen SEQ International c.s. en Eneco. Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van SEQ van 25 augustus 2009 is gesproken over het in overleg met SenterNovem en EZ overdragen van de UKR-subsidie aan SEQ International voor een door haar uit te voeren project. <i> K. Concurrerende activiteiten van het Eneco-concern?</i> 4.88. Artikel 13 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaalt: <small>“<b>Artikel 13. Exclusiviteit; Non-Concurrentie</b> 13.1 Een Aandeelhouder en/of aan haar gelieerde partijen hebben het recht om, direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, tegen vergoeding of om niet, werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die gelijk zijn aan of concurrerend zijn of kunnen zijn met die van de Vennootschap, SEQ E&P en/of andere Verbonden Partijen, met uitzondering van: (
- i)voor ENECO en/of aan haar gelieerde partijen, de activiteiten binnen Europa welke bestaan uit projectontwikkeling, realisatie, beheer en/of exploitatie van Zepp-projecten; (
- ii)voor SEQ International en/of aan haar gelieerde partijen, de activiteiten binnen Europa, welke bestaan uit projectontwikkeling, realisatie, beheer en/of exploitatie van Zepp-projecten, tenzij SEQ International heeft aangeboden deze projecten onder de Vennootschap te ontwikkelen en ENECO als Aandeelhouder expliciet heeft aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in deze projecten; en (iii) voor Aandeelhouders en/of aan hen gelieerde partijen, projecten waarvoor de Licentie aan de Vennootschap is verstrekt en waarvan de exclusiviteit niet is vervallen op grond van Artikel 2.3 van de Licentie. ((
- i)en (
- ii)en (iii) gezamenlijk te noemen als de “<b>Verboden Activiteiten</b>”). 13.2 Voor de Verboden Activiteiten geldt dat het de relevante Aandeelhouder en/of aan haar gelieerde partijen verboden is om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere Aandeelhouder gedurende de periode dat deze Overeenkomst geldt en een periode van 2 (twee) jaar daarna, direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn of belang te hebben bij enige onderneming of enige activiteit terzake de Verboden Activiteiten, behoudens de situatie zoals verwoord in Artikel 13.1 onder (
- ii)vanaf ‘tenzij’. 13.3 De Aandeelhouders staan er voor in dat de aan hen gelieerde partijen het in dit Artikel 13 bepaalde eveneens zullen nakomen. 13.4 Indien een Aandeelhouder en/of aan haar gelieerde partijen is tekortgeschoten in de nakoming van dit Artikel 13, is die Aandeelhouder aan de andere Aandeelhouder zonder aanmaning of andere voorafgaande verklaring een boete verschuldigd van EUR 20.000 (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met een boete van EUR 5.000 (zegge: vijfduizend euro) per dag. De boete per dag wordt verbeurd met ingang van de dag volgend op die waarop de tekortkoming is aangevangen tot en met de dag waarop de tekortkoming eindigt. De boete komt de andere Aandeelhouder toe onverminderd alle andere rechten en vorderingen, daaronder mede begrepen de vordering tot nakoming van dit Artikel 13 en elk recht op schadevergoeding.”.</small> 4.89. Ten tijde van het sluiten van de aandeelhoudersovereenkomst werd door (vennootschappen uit) het Eneco-concern gewerkt aan de ontwikkeling van een nieuwe gasgestookte energiecentrale op de Maasvlakte, Enecogen genaamd. Onderdeel daarvan vormde een (deel)project, EneCO2Gen, dat er op is gericht om de CO2 uit deze centrale af te vangen door middel van cryogene technieken. 4.90. Stedin heeft een CO2-transportproject in het Westland. <i> L. Mededelingen over SEQ Nederland en haar projecten aan derden L.1. Algemeen</i> 4.91. Artikel 14 van de aandeelhoudersovereenkomst luidt als volgt: <small>“<b>Artikel 14. Geheimhouding en publiciteit </b> 14.1 Partijen zullen de inhoud van deze Overeenkomst, alsmede de ter voorbereiding van deze Overeenkomst over en weer verstrekte (vertrouwelijke) informatie, strikt geheimhouden en er zal met in achtneming van Artikel 14.2 en 14.3 over de Overeenkomst geen actieve communicatie naar de markt plaatsvinden, een en ander behoudens voor zover een verplichting tot mededeling bestaat krachtens de wet of krachtens beursreglementen. In dit laatste geval zal de Partij op wie de verplichting tot mededeling rust de andere Partijen tijdig schriftelijk in kennis stellen van de vereiste mededeling. Partijen staan er jegens elkaar voor in dat deze verplichting ook wordt nagekomen door hun directe en indirecte aandeelhouders en werknemers. 14.2 Met in achtneming van Artikel 14.3 zullen persberichten en andere openbare mededelingen (direct of indirect) verbandhoudende met deze Overeenkomst en de uitvoering daarvan door Partijen slechts in onderling overleg en na voorafgaande schriftelijke toestemming aan derden worden gedaan. 14.3 Partijen stellen gezamenlijk ieder persbericht en/of andere openbare mededelingen over projecten van de Vennootschap, SEQ E&P en/of andere Verbonden Partijen op. ENECO heeft daarbij echter eenzijdig het recht om te bepalen op welke wijze zij genoemd zal worden, waarbij het uitgangspunt is dat ENECO als 50% aandeelhouder en/of als investeerder in projecten van de Vennootschap, SEQ E&P en/of andere Verbonden Partijen naar buiten treedt. Indien een Partij een naam van een derde wenst op te nemen of daaraan wenst te refereren, zal dit alleen worden gedaan als iedere Aandeelhouder daarmee uitdrukkelijk instemt.”.</small> <i> L.2. Aan SenterNovem</i> 4.92. [G] heeft op 7 maart 2008 een bespreking gehad met SenterNovem. Hiervan is een besprekingsverslag opgesteld door [G]. [V] heeft een becommentarieerde versie hiervan op 20 maart 2008 toegezonden aan VROM en EZ. 4.93. [G] heeft een afschrift van een verslag dat door KEMA is opgesteld voor SEQ Nederland gegeven aan SenterNovem. <i> L.3. Aan ONS</i> 4.94. Bij e-mail d.d. 1 augustus 2008 (met als onderwerp: halfjaarlijkse update SEQ) heeft [G] aan ONS het volgende geschreven: <small>“Hierbij informeer ik u over de actuele stand van zaken met betrekking tot SEQ Nederland BV, zoals overeengekomen ten tijde van de overname van aandelen SEQ Nederland BV door Eneco. Sinds eind 2007 hebben er nauwelijks activiteiten plaatsgevonden doordat de directie van SEQ Nederland BV eind 2007 tot de conclusie is gekomen dat het project in Drachten niet haalbaar is. De netto contante waarde zoals berekend door Ernst & Young was zeer negatief, waarbij zelf nog rekening was gehouden met maximale subsidie-inkomsten. Het probleem met Drachten was vooral dat de vereiste randvoorwaarden niet aanwezig zijn. Dit heeft geleid tot een aangepast projectmandaat dat in december door de aandeelhouders is vastgesteld en waar naar alternatieve locaties gezocht zou gaan worden. Al zeer kort na het vaststellen van het projectmandaat is aanvullend technische informatie naar voren gekomen die ook het project op andere locaties niet realistisch maakte. De door SEQ verwachte technische mogelijkheden zijn op dit moment helaas niet tegen redelijke kosten te realiseren. Op termijn is de techniek zeker interessant, maar dat vraagt een andere projectaanpak dan nu door SEQ gehanteerd. In februari constateerden de aandeelhouders dat er een impasse was ontstaan. [V] wilde wel graag door met een project in IJmuiden. In overleg met het Ministerie van Economische Zaken heeft ENECO besloten om dit project financieel te ondersteunen tot uiterlijk eind mei. Eneco vond het van groot belang dat de overheid transparant en volledig geïnformeerd zou worden over de mogelijkheden van SEQ. Eneco was in principe bereid om ook na eind mei te financieren mits aan een aantal randvoorwaarden zou zijn voldaan. Dit betrof een sluitende business case, het risicodragend meedoen van de benodigde technologiepartners en een andere inrichting van de governance, waarbij het project professioneler om arms-length basis aangestuurd gaat worden. Uiteindelijk is aan geen van de voorwaarden voldaan en is de financiering beëindigd. Partijen zijn nu in overleg hoe de samenwerking ontvlochten kan worden. Enige afspraken die gelden tussen ONS en Eneco ten tijde van de overname zullen integraal overgaan naar SEQ International als rechtsopvolger van Eneco indien overeenstemming wordt bereikt. Het is onze intentie om een en ander spoedig af te wikkelen.”. </small> <i> M. Opzegging van de licentieovereenkomst door Dropscone</i> 4.95. Dropscone heeft de licentieovereenkomst bij brief d.d. 24 februari 2009 opgezegd. 4.96. Bij brief d.d. 10 maart 2009 heeft [F], namens SEQ Nederland, (de raadsvrouw van) SEQ International c.s. bericht dat SEQ Nederland niet akkoord ging met de beëindiging van de licentieovereenkomst. <i> N. Overige</i> 4.97. De jaarrekening van SEQ Nederland over het boekjaar 2007 is door de AvA op 26 januari 2009 vastgesteld. Uit de jaarrekening blijkt een negatief resultaat van -/- € 547.841,00 en een negatief eigen vermogen van -/- € 1.314.290,00. 4.98. SEQ Nederland heeft geen of nauwelijks activa meer en haar activiteiten zijn sinds eind mei 2008 (vrijwel) geheel gestaakt. 5. De geschillen <i> A. In de uitstotingszaak in conventie</i> 5.1. SEQ International vordert, samengevat, dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: a. (primair) Eneco veroordeelt tot vrije en onbezwaarde overdracht aan SEQ International van alle aandelen die Eneco houdt in het kapitaal van SEQ Nederland, binnen drie dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, zonder dat SEQ International voor die aandelen enige vergoeding aan Eneco verschuldigd zal zijn; b. (subsidiair) (
- i)Eneco veroordeelt tot overdracht conform artikel 2:341 BW van alle aandelen die Eneco houdt in het kapitaal van SEQ Nederland en (
- ii)conform artikel 2:339 lid 1 BW één of meerdere deskundigen benoemt om over de waarde van de over te dragen aandelen te berichten; c. (primair en subsidiair) Eneco veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten. 5.2. Het verweer van Eneco strekt tot afwijzing van de vordering van SEQ International, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van SEQ International in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten. <i> B. In de uitstotingszaak in reconventie</i> 5.3. Eneco vordert, samengevat, dat de rechtbank - indien en voor zover de vordering in conventie geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen en voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - aan de overdracht van de aandelen uitdrukkelijk de voorwaarde verbindt dat de verplichtingen van Eneco met betrekking tot de earn-out (artikel 3 van de koopovereenkomst) integraal en ongewijzigd gelden voor SEQ International, met veroordeling van SEQ International in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten. 5.4. Het verweer van SEQ International strekt tot afwijzing van de vorderin