beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rekestnummer: 400301 / HA RK 12-279 Beschikking van 4 juli 2012 in de zaak van [verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, advocaat mr. K. Aantjes te Rijswijk, tegen de naamloze vennootschap ALLIANZ SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Rotterdam, verweerster, advocaat mr. N.C. Haase te Amsterdam. Partijen zullen hierna [verzoekster] en Allianz genoemd worden. 1. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 24 april 2012 binnengekomen verzoekschrift, met producties; - de brief van 27 april 2012 van mr. Aantjes, met bijlagen; - het verweerschrift, met producties; - het faxbericht van 19 juni 2012 van mr. Aantjes, met bijlagen; - de mondelinge behandeling ter zitting van 20 juni 2012. 2. De vaststaande feiten 2.1. Aan [verzoekster] is op 21 mei 1998 een verkeersongeval overkomen, waarbij de auto waarin [verzoekster] rechts voorin als inzittende/bijrijdster was gezeten is aangereden door een bestuurder van een bij Allianz verzekerde auto (hierna: het ongeval). 2.2. Aansluitend aan het ongeval is [verzoekster] een halskraag omgedaan en is zij met een ambulance overgebracht naar het ziekenhuis. De brief van 28 mei 1998 van de chirurg die [verzoekster] op de dag van het ongeval heeft gezien aan de huisarts van [verzoekster] houdt – voor zover van belang – het volgende in: “Op 21 mei 1998 zag ik na auto-ongeval uw patiënte. Zij was voorover geklapt bij de botsing en klaagde over pijnklachten in de nek en rechter knie. (…) Bij onderzoek van de nek werden geen traumatische afwijkingen geconstateerd. Ook de x-cwk werden geen traumatische botafwijkingen gezien. Ook bij onderzoek van de rechter knie geen afwijkingen gevonden. Advies: zij kreeg een soft collar voorgeschreven en moet het voorlopig rustig aandoen. Pijnstilling werd voorgeschreven.” 2.3. Allianz heeft namens haar verzekerde aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het ongeval erkend en in dat kader een bedrag van in totaal € 47.710,- aan voorschotten onder algemene titel, alsmede ten titel van smartengeld aan [verzoekster] betaald. 2.4. [verzoekster] was voor het ongeval werkzaam als ambtenaar bij [bedrijf]. Sedert het ongeval heeft [verzoekster] geen loonvormende arbeid meer verricht. De arbeidsrelatie tussen [verzoekster] en [bedrijf] is per 1 oktober 2000 beëindigd. 2.5. Op verzoek van partijen heeft [zenuwarts] (hierna: [zenuwarts]), zenuwarts voor psychiatrie en psychotherapie, op 12 juni 2008 een rapport uitgebracht over [verzoekster]. Op de hem gestelde vragen heeft [zenuwarts] – voor zover van belang – geantwoord: “1. DE SITUATIE NA DE AANRIJDING (…) A. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? (…) Tesamen genomen handelt het om een craniocervicobrachialgie beiderzijds, met een uitstralingspatroon bilateraal naar de schouders, unilateraal naar de ellebogen, links duidelijker dan rechts, bij ambidexter zijn. Er is ook een uitstralingselement binnendoor tot achter de ogen bilateraal. Nevengeschikt worden andere klachten genoemd, zoals een evenwichtsstoornis in de vorm van een dronken gevoel bij het staan, het niet stabiel kunnen lopen, het gevoel te zwalken bij het lopen meer in het bijzonder. Daarnaast concentratiestoornissen, meer moeite met het richten, vasthouden en bepalen van de aandacht, hetgeen nauw verbonden lijkt met een nader getypeerde klacht, namelijk het gevoel van traagheid, meer in mentale zin dan ook. Er is geen verlegd dag-/nachtritme en er wordt geen hypnoticum gebruikt. Aan het eind van de dag wordt wel verbruikte reserve beschreven; in de woorden van betrokkene het gevoel op te zijn. De anamnese van betrokkene wegend en de dossierstukken beschouwend, waarbij het laatste mogelijk was over een groot tijdsbestek, van 1975 tot begin 2007, blijkt dat van de aan het ongeval toe te schrijven klachten de craniocervicobrachialgie een voortgaand element is van onderzoek en behandeling. Ook de klinische beschrijving is niet te veronachtzamen; te weten het door de auto heen en weer geworpen worden als een jojo, van voor naar achter, met blauwe plekken ter plaatse van de autoriem en een kwetsuur van de linker knie vanwege een kap tegen het dashboardkastje. Er zijn geen aanwijzingen voor een bewustzijnsverlies. Dit wordt ook bevestigd door de [chirurg] van de EHBO-post, welke op de dag van het ongeval werd bezocht. Vrij indringend is de nekpijn, direct na de klap en het onvermogen zich te bewegen, met name het draaien met de romp. Familie in de buurt, in Hoogeveen, moest logies verlenen vanwege deze klachten, die ook gedurende de nacht aanhielden. Thuisgebracht hield betrokkene enige weken het bed en kreeg gezinshulp. Zelfverzorging was niet mogelijk de eerste tijd, pas na enige maanden. Fysiotherapie werd aan huis gegeven. In september dat jaar was er een terugslag en werd een revalidatiebehandeling opgezet van multidisciplinair karakter, binnen het instituut Klein Klimmendaal, verbonden aan de Gelderse Vallei locatie Ede; zeer intensief aanvankelijk, voor drie dagen per week en deze behandeling gaf enig soulaas, een vermindering van de klachten. Er was fysiotherapie, ergotherapie en begeleiding door het maatschappelijk werk en de psycholoog van node. Separaat genoemde evenwichtsstoornis, concentratiestoornis, mentale traagheid en het veranderende vermoeidheidsgevoel moeten verbonden worden geacht aan de hoofdklacht, de craniocervicobrachialgie. In feite waren zij ook niet afzonderlijk een reden voor nader onderzoek en behandeling, althans in uitgesproken mate tot op heden. Overigens is het voortgaan van de medische aandacht voor de hoofdklacht vanaf het moment van het betreffende ongeval op 21 mei 1998, dus meer dan een decennium, wel indrukwekkend. Ter verdere bepaling en concretisering zijn de bevindingen van de [neuroloog 1] van belang, gezien zijn brief van 13 november 1998. Immers bij de mri van de cervicale wervelkolom vindt hij een kleine laterale h.n.p. op het niveau C4-C5, weliswaar zonder wortel en myelumcompressie, bij het ETSD een forse hypertonie, graad III, verder normaal onderzoek Evoke potentials en EEG, ook een bewegingsbeperking van de cervicale wervelkolom met hypertonie van de musculatuur aldaar. Enige waarde moet worden toegekend aan de vastgestelde comorbiditeit in de vorm van een salpingites, die in 1986 werd vastgesteld bij een laparoscopie en de daarna vastgestelde endometriose in dezelfde periode, door de vondst van een liesgezwel. Als gevolg hiervan ontstaat waarschijnlijk een beperkte fertiliteit, zodat vele gynaecologische consulten nodig zijn in verband met IVF-behandeling, negen in totaal, waarbij er een succesvol wordt in 1996, met als gevolg de geboorte van een zoon op 19 juli 1996, die helaas behept is met een klompvoetje, zodat ook hiervoor weer vele consultaties in ziekenhuizen noodzakelijk zijn met bijkomende belasting, psychisch. Vermeldenswaard is voorts de vaststelling van een masthopathie, omstreeks 1991/1992, waarbij uit vervolgconsultaties dan voortkomt dat het een benigne aandoening betreft tot op heden, waar extra waakzaamheid geboden was in verband met de familiair belaste voorgeschiedenis, met een mammacarcinoom vanaf moederszijde. Ook dan nog is het schildklierlijden, ziende de bevindingen van de [internist], gezien zijn brief van 11 oktober 1990, waarbij hij spreekt van een koude nolus zonder functiestoornis. In 1990 is er de suïcide van het zusje, waarbij opvalt dat hier in de latere jaren niet zozeer aan gerefereerd wordt. In psychische zin is voorts de vermelding van belang van het gestrande eerste huwelijk in de periode 1981 tot 1986/1987, met een gokverslaafde echtgenoot, waarbij betrokkene het kennelijk opbrengt van hem te scheiden. Er waren toen wat depressieve klachten, meer passager. Het vervolg in relationele zin is daarna goed, gezien het voortgaande en harmonisch aandoende huwelijk in 2000, met de huidige 53-jarige echtgenoot, die maatschappelijk werker in de verslavingszorg is. (…) C. Wilt u bij uw antwoord op de vragen A en B aangeven welke gegevens u ontleent aan het relaas van betrokkene en welke u ontleent aan onderzoek van de door u verkregen medische gegevens? Gesteld kan worden dat de uit het psychiatrisch onderzoek verkregen anamnestische gegevens goed overeenkomen met die welke zijn verkregen uit de dossierstukken, een hoge mate van consistentie. Eén aantekening dient te worden geplaatst, namelijk de aantekening in het huisartsendossier dat sprake zou zijn geweest van een opname in de PAAZ te Bennekom in 1986/1987 in verband met het horen van stemmen, waar ook later, zoals blijkt uit het moeilijk leesbare dossier van de huisarts, de bijbehorende medicatie werd gegeven. Afgezien van het feit dat betrokkene dit niet kan bevestigen, is dit ook niet in lijn met het psychiatrisch onderzoek, in het bijzonder de persoonlijkheidsconfiguratie. Het zou om haar tweelingzus gaan, waarvan de suïcide ook in dezelfde periode wordt gemeld. D. Wat zijn uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek? Er worden geen afwijkingen vastgesteld bij oriënterend somatisch onderzoek, evenmin bij oriënterend neurologisch onderzoek. Wel wordt een bewegingsbeperking gevonden in de excursies van het cervicale deel van de wervelkolom, in alle richtingen, in wisselende mate echter. Er is ook sprake van defense musculaire. Met betrekking tot het aanvullend psychodiagnostisch onderzoek geldt dat bij de ABV-test een weinig stressvolle attitude blijkt en een geringe neiging tot somatiseren onder invloed van stress, alsmede een duidelijke extraversie. Binnen de VKB-test wordt de cervicobrachialgie aangehaald en behoudens vermoeidheid en overgangsklachten eigenlijk geen enkele klacht. Er is geen irregulariteit met betrekking tot het functioneren van de verschillende tracti. Binnen de VPE-test worden weinig psychisch-emotionele modulaties of aberraties vermeld, hetgeen ook in overeenstemming is met de genuine wijze van contact leggen. E. Wat is de diagnose op uw vakgebied? (…) 1.1 Een craniocervicobrachialgie beiderzijds, links duidelijker dan rechts, bij ambidexter zijn, met een duidelijk accent op de nek- en halsstreek, de schouder en de ellebogen. 1.2 Evenwichtsstoornissen van aspecifiek karakter, in de vorm van een duizelig gevoel, het gevoel te zwalken bij het lopen en ook onstandvastig staan. Deze klacht was gunstig beïnvloed door fysiotherapie. 1.3 Concentratiestoornissen in verband met een vergrote vigiliteit van de aandacht, bij een toch niet onrustige occupatie, psychisch. Er zijn enige persoonlijkheidskarakteristieken, zoals een psychasthene, licht immatuur histrionische. Er is tevens een zekere loochening van fricties en traumatische life events. (In dit kader kan de suïcide van het zusje, de intruïsieve reeks iatrogene contacten in verband met de endometriosis en de IVF-behandelingen worden genoemd, alsmede het toch traumatisch verlopende, wel goed beëindigende eerste huwelijk.) Pijnsensaties zijn een consistent gegeven. Er is een directe relatie met het intreden van het verkeersongeval en het voortduren van de klacht nadien tot op heden op min of meer consistente wijze, met weinig invloed van therapeutische middelen, maar toch ook niet te verwaarlozen wel enige, zoals multidisciplinaire revalidatiebehandeling, met name fysiofitness en het gebruik van kleine analgetica, alsmede het sedativum Diazepam in milde doseringen van 5 mg. Opvallend is voorts dat direct in aansluiting op het accident afwijkende bevindingen werden vastgesteld, zoals het blijkt uit het verslag van de [neuroloog 1] van 13 november 1998, in de vorm van een aanwezige cervicale prolaps, zonder wortel of medullacompressie evenwel. Concluderend is bij het ongeval niet sprake van een conmotio cerebri of erger. Gezien het beeld van het onderzoek moet wel worden geconcludeerd dat een craniocervicobrachialgie met irradiatie en een passager knieletsel. (…) De preëxistente persoonlijkheidsconfiguratie van betrokkene wordt gekenmerkt door een over het algemeen normale persoonlijkheidsconfiguratie met wel enigszins immature, licht histrionische tendenties, alsmede psychasthene. De afweermechanismen liggen over het algemeen op een hoog niveau. Er is sprake van verdringing van traumatische life events, niet zozeer loochening. De verdringing valt binnen normale grenzen. Medisch/psychiatrisch-diagnostische typering Pijnstoornis, chronisch, gebonden aan zowel somatische factoren als enige psychische, de persoonlijkheidsconfiguratie betreffend, complex en multicausaal bepaald, bij een 49-jarige vrouw, die behept is met een van origine normale persoonlijkheidsconfiguratie met wel enigszins immature histrionische en psychasthene tendenties. (…) F. Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat u differentiaal diagnostische overwegingen zijn? Bij betrokkene is de craniocervicobrachialgie, de hoofdklacht, met bijkomende aequivalenten, zoals de evenwichts- en concentratiestoornissen onder meer. Er was sprake van een deceleratie/acceleratietrauma zonder conmotio cerebri of erger, met een contacttrauma van de linker knie en een contusie van de borsthuid ter plaatse van de autoriem. Bij röntgenologisch onderzoek werd echter een kleine prolaps vastgesteld op cervicaal gebied ter hoogte van C4-C5. Hoewel geen eerder beeldvormend onderzoek uit de dossierstukken blijkt, is het niet onaannemelijk dat deze prolaps gecorreleerd is aan het inwerkend trauma. Dit zou ook stroken met de direct optredende nekpijn, ook ’s nachts, en de bewegingsarmoede van het lichaam door pijn de eerste uren en dagen, de beperkte zelfredzaamheid, ook met de voortgang in het behandelingscircuit, revalidatie van multidisciplinair karakter. Er is wel een verbetering opgetreden door de revalidatie en behandeling; een vermindering van de pijnklachten en een verbeterde zelfredzaamheid. Niet geheel begrijpelijk is het onvermogen dat betrokkene aangeeft om enige arbeid te verrichten. Dit strookt ook niet met het dagelijks activiteitenpatroon in relatie tot zichzelf, de echtgenoot, haar zoon en familie. Het huisartsendossier, zich uitstrekkend over een langere periode voornoemd, is wel indrukwekkend door de hoofdklacht en de bijkomende comorbiditeit, waarbij dan ook nog incidentele passagere klachten, zijn aandacht voor medische zorg. In psychiatrisch/psychologische zin komt betrokkene over als een vrouw met gezonde opvattingen, die op een normale wijze communiceert, niet getuigt van psychische symptomatologie of een stoornis van haar als persoonlijkheid. Hoogstens zou men kunnen stellen dat aan een aantal incidenten in haar leven, zoals het teleurstellende eerste huwelijk en de ziektegeschiedenis van haar zus, niet al te veel aandacht wordt besteed. Anders gezegd: in brede medische zin is sprake van een craniocervicobrachialgie, waarbij een medisch-neurologisch substraat voor de hand lijkt te liggen en niet zozeer van een medisch-psychiatrisch substraat. (…) G. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt vaststellen op uw vakgebied? (…) De AMA-guide laat een vaststelling van het invaliditeitspercentage toe in medisch/neurologisch/psychiatrische zin. (…) Ik zou in deze willen refereren aan hoofdstuk 14, tabel 14-1, klasse 2, mild impairement, welke een percentage bestrijkt van 1 tot 14%. Ik zou de invaliditeit van betrokkene willen bepalen op 6% (zes procent), daarbij refererend aan de druk die de hoofdklacht met zich meebrengt op het algehele psychisch/mentale functioneren, in overeenstemming met het voortgaande behandelingscircuit, echter wel rekening houdend met de goede zelfredzaamheid, de redelijke mogelijkheid activiteiten van het dagelijkse leven te ondernemen, alsmede het sociale functioneren, het vastgestelde concentratieverlies en een goede adaptatie over het algemeen. (…) H. Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel in haar huidige toestand in het dagelijks leven, bij de vrijetijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid? (…) Met betrekking tot de activiteiten van het dagelijks leven wordt over het algemeen een niet verlegd patroon gezien, met een normaal dag-/nachtritme, zonder het gebruik van hypnotica. Incidenteel was er het gebruik van Diazepam in hoeveelheden van 5 mg, in verband met nachtelijke nekpijn, in remissie. Er is een goede zelfverzorging mogelijk, er wordt ook voldoende lichaamsbeweging genoten door de verzorging van naasten, het verzorgen van de hond. Er wordt minder visite ontvangen vanwege de klachten. Er is wel een regelmatig familiebezoek. Er zijn andere recreatieve activiteiten naast lezen, zoals wandelen en fietsen. Onderzochte acht zich vanwege haar klachten niet in staat enige loonvormende arbeid te verrichten, waarvoor een volledige argumentatie niet zozeer te benoemen is naar het ondervinden van pijn. (…) I. Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel? Het blijkt dat er een behoorlijk interval is na het ingetreden ongeval op 21 mei 1998. Er is een goed dossieroverzicht met relevante en voortgaande informatie en de bij psychiatrisch onderzoek verkregen gegevens, de anamnestische met name, doen consistent aan en zijn in overeenstemming met elkaar. Geleidelijk aan is er een verbetering opgetreden van het klachtenpatroon van betrokkene, welke heeft aangehouden, waarbij er nu sprake is van restklachten welke voortgaand en chronisch aandoen. Zodoende is nu een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk. Ik verwacht in de toekomst niet zozeer een verbetering of verslechtering. (…) 2. DE HYPOTHETISCHE SITUATIE ZONDER ONGEVAL (…) A. Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden ontstaan, als het ongeval betrokkene niet was overkomen? Er zijn geen klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest als betrokkene het ongeval niet was overkomen.” 2.6. Op verzoek van partijen heeft voorts [neuroloog 2] (hierna: [neuroloog 2]), neuroloog, op 24 februari 2010 een rapport uitgebracht over [verzoekster], dat – voor zover van belang – inhoudt: “Samenvatting: Status na acceleratie deceleratie letsel, resulterend in nekklachten, cognitieve klachten, vermoedheidsklachten, duizeligheidsklachten, evenwichtsstoornissen, klachten van de linkerknie die ondanks de talloze behandelingen slechts beperkt zijn verbeterd. Voor het ongeval was er bij betrokkene sprake van een zeer bewogen periode met enkele psychotraumatische ervaringen. Ze geeft aan dat de klachten die zij nu heeft, voorheen niet aanwezig waren. Bij neurologisch onderzoek vind ik lichte tendomyogene afwijkingen aan de cervicale wervelkolom, alsmede lichte afwijkingen bij de Mini Mental State Examination, waarbij moet worden opgemerkt dat zij ten aanzien van meer algemene vragen correcte antwoorden kan geven en zij ook haar anamnese logisch in tijd correct kan weergeven. Klinische diagnose: Er is bij betrokkene sprake van een whiplash associated disorder graad II volgens de classificatie van de Quebeck Task Force (spine 1995). Voor de door betrokkene aangegeven meer specifieke klachten in de armen, de duizeligheidsklachten kan ik geen specifiek neurologisch substraat geven, maar dit zijn klachten die wel passen bij een WAD2. (…) Samenvatting en bespreking: De anamnese komt in grote lijnen overeen met hetgeen wat in het dossier is terug te vinden. Ten aanzien van de klachten die voor het ongeval aanwezig waren, gelegd met een associatie met een aantal zeer vervelende psychosociale situaties waarin zij in de periode voor het ongeval mee te maken heeft gehad. Een en ander wordt deels ondersteund door de informatie van de huisarts. Ze maakt zelf geen melding van een hernia cervicaal, wel dat er sprake is geweest van een MRI-scan door de neurologen in Ede. Op deze MRI-scan is wel een discopathie te zien blijkens het dossier (…), maar geen worelcompressie, noch myelumcompressie, noch myelopathie. Beeldvormend onderzoek toonde geen traumatische afwijkingen. Neurologisch onderzoek liet voor zover het neurologisch onderzoek in engere zin betreft in het verleden geen afwijkingen zien. Er is geen sprake geweest van een schedel hersen trauma. Eerder gevonden cognitieve problemen zijn zaken die frequenter worden gezien bij patiënten met een chronisch benigne pijnsyndroom en deze moeten dan ook als een secundair gevolg worden beschouwd. Er zijn geen aanwijzingen voor primair cerebrale beschadiging. Noch in het verleden, noch nu zijn daarvoor aanwijzingen gevonden. Tendomyogene afwijkingen zijn in het verleden ook beschreven. Op een aantal plaatsen is in het dossier erop gewezen dat de zaken die zij op persoonlijk vlak heeft meegemaakt, wellicht toch ook een rol kunnen spelen. Zij geeft dat zelf ook bij de anamnese aan, maar dan vooral voor zover dit de klachten betreft, die zij voor het ongeval had en die in het dossier door o.a. de huisarts zijn vermeld. (…) Vraag 1. De situatie na de aanrijding: (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.