vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 382577 / HA ZA 11-1635 Vonnis van 12 september 2012 in de zaak van [eiseres 1], wonende te [woonplaats 1], [eiser 2], wonende te [woonplaats 2], [eiseres 3], wonende te [woonplaats 3], [eiseres 4], wonende te [woonplaats 2], eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. A. Kouwenaar-de Coninck, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats 4], gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. J.G.M. Roijers. Partijen zullen hierna de [eisers] en [gedaagde] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 16 november 2011; - de conclusie van antwoord in reconventie van de [eisers] van 25 januari 2012; - het proces-verbaal van descente en van comparitie van 17 februari 2012, waaraan de brief van mr. Kouwenaar-de Coninck van 12 maart 2012 is gehecht; - de akte eisvermeerdering van de [eisers] van 18 april 2012; - de antwoordakte vermeerdering van eis in conventie tevens akte voorwaardelijke vermeerdering van eis in reconventie van [gedaagde] van 2 mei 2012. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald, aanvankelijk op 27 juni 2012. 2. De feiten 2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het navolgende vast. 2.2. De [eisers] staan in het kadaster vermeld als gezamenlijke eigenaars van het perceel aan de [perceel] te [woonplaats 2], [kadastraal bekend]. Van dit perceel maakt deel uit een zogenoemde poort/garage, hierna te noemen: ‘de poort’. De poort betreft het gearceerde gedeelte van de als productie 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegde en hieronder gedeeltelijk weergegeven kadastertekening. 2.3. [gedaagde] is eigenaar van het woon-/winkelpand aan de [adres 2] te [woonplaats 2] (perceel 602 op de hierboven weergegeven kadastertekening), dat direct naast de poort gelegen is. Voordat [gedaagde] eigenaar werd, behoorde het pand toe aan de vader van [gedaagde]. 2.4. Aan de achterzijde van de winkel van [gedaagde] aan de [adres 2] te [woonplaats 2] bevindt zich een ruimte die thans bij [gedaagde] in gebruik is als kantoor. Deze ruimte, die verder zal worden aangeduid als ‘het kantoor’, betreft het zwart gemaakte gedeelte van de hiervoor gedeeltelijk weergegeven kadastertekening. Het kantoor maakt, net als de aangrenzende poort, deel uit van het perceel dat [kadastraal bekend]. 2.5. Op 20 februari 1945 hebben de vader van [gedaagde] als huurder, en [persoon 1] (rechtsvoorgangster van de [eisers]) als verhuurder, een huurovereenkomst voor de duur van tien jaar gesloten betreffende de poort en het kantoor. 2.6. De aanhef van de huurovereenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt: ‘De ondergeteekende, [persoon 1], (…) verklaart bij deze, handelende als eigenaresse, te hebben verhuurd aan mede-ondergeteekende [persoon 2] (…), die ook bij deze verklaart van eerstgemelde in huur genomen te hebben de poort, toeganggevende tot de garage, bekent onder den naam T.O.D. met het daaraan grenzende kantoor aan den [adres 1], - het gedeelte aangewezen op de kaart “ plan voor het uitbreiden van een garage ”, zooals dit door het gemeentebestuur van Hillegersberg is goedgekeurd en waarvan huurder geen nadere beschrijving begeert, en geen groter gedeelte zal uitmaken dan het boven het kantoor gelegen plat, in eigendom toebehoorende aan huurder, en waarvan huurder geen nadere omschrijving begeert.’ 2.7. De huurovereenkomst is in 1955 van rechtswege geëindigd. 3. Het geschil in conventie 3.1. Na wijziging van eis ter comparitie vorderen de [eisers], zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. zal verklaren voor recht dat de [eisers] eigenaar zijn van het door [gedaagde] onrechtmatig in gebruik dan wel in bezit genomen kantoor; 2. [gedaagde] zal veroordelen om binnen één week, althans een in goede justitie te bepalen redelijke termijn, na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, het onrechtmatig in gebruik dan wel bezit genomen kantoor te (doen) ontruimen en te verlaten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van € 750.000,-; 3. de [eisers] zal machtigen om bij gebreke van tijdige ontruiming de ontruiming zelf te doen uitvoeren op kosten van gedaagde en zo nodig met behulp van de sterke arm; 4. [gedaagde] zal verbieden gebruik te maken van het perceel van de [eisers] zonder hun voorafgaande schriftelijke toestemming; 5. zal verklaren voor recht dat de [eisers] eigenaar zijn van het door [gedaagde] onrechtmatig in gebruik dan wel in bezit genomen gedeelte boven de poort; 6. [gedaagde] zal veroordelen om binnen één week, althans een in goede justitie te bepalen termijn, na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, het onrechtmatig gebruik dan wel bezit genomen terras boven de poort, te (doen) afbreken, in oude staat te (doen) herstellen, te ontruimen en te verlaten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen tot een maximum van € 750.000,-; 7. de [eisers] te machtigen om bij gebreke van tijdige afbraak en/of herstel in oude staat en/of ontruiming, de afbraak en/of herstel in oude staat en/of ontruiming zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagde] en zo nodig met behulp van de sterke arm; een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. 3.2. Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen van de [eisers]. Voor zover de vordering van de [eisers] mocht worden toegewezen, verzoekt [gedaagde] de rechtbank de termijn voor de ontruiming te stellen op één jaar na betekening van het te wijzen vonnis en de gevorderde dwangsom af te wijzen dan wel te matigen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde] vordert, zakelijk weergegeven en na voorwaardelijke vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. zal verklaren voor recht dat [gedaagde] eigenaar is geworden van het kantoor; 2. zal verklaren voor recht dat [gedaagde] eigenaar is van het plat/dakterras dat zich uitstrekt boven de poort; met veroordeling van de [eisers] in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie alsook in de nakosten. 3.5. Het verweer van de [eisers] strekt tot afwijzing van de vordering van [gedaagde]. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie 4.1. Gelet op hun onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie hierna gezamenlijk worden behandeld. 4.2. Hierna zullen eerst de over en weer ingestelde vorderingen met betrekking tot het kantoor worden besproken. Daarna zullen de vorderingen betreffende het dakterras aan de orde komen. Vorderingen met betrekking tot het kantoor 4.3. In deze zaak staat centraal de vraag of [gedaagde] inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de [eisers] door zonder toestemming en tegen hun wil het kantoor voor zichzelf te (blijven) gebruiken. 4.4. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen het volgende niet in geschil is: - het kantoor is een afgesloten ruimte die door muren en door een vanuit het kantoor afsluitbare deur is afgescheiden van de rest van het perceel van de [eisers]; - het kantoor heeft een directe verbinding met de woning van [gedaagde]; - het kantoor is (in ieder geval) vanaf 1945 bij (de vader van) [gedaagde] onafgebroken in gebruik als kantoorruimte; - (de vader van) [gedaagde] heeft (in ieder geval) vanaf 1955 het onderhoud van het kantoor verzorgd. 4.5. [gedaagde] betwist het eigendomsrecht van de [eisers] op zichzelf niet, maar beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van de [eisers] strekkende tot beëindiging van het bezit per 1985, althans per 1997, althans per 2002. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op deze verjaring, op grond van artikel 3:105 BW eigenaar van het kantoor is geworden. Ter onderbouwing van de gestelde verjaring heeft [gedaagde] onder meer het volgende naar voren gebracht. Na het eindigen van de huurovereenkomst in 1955 betreffende de poort en het kantoor is het kantoor door de vader van [gedaagde] zonder recht of titel in bezit genomen. Vanaf dat moment is er geen huur of andere vergoeding ter zake van het kantoor meer aan de [eisers] betaald. De vader van [gedaagde] en later [gedaagde] zelf hebben sindsdien onafgebroken het bezit van het kantoor genoten en het onderhoud daarvan verzorgd. 4.6. De [eisers] hebben betwist dat sprake is van verkrijging door verjaring. Op hun stellingen ter zake wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan. 4.7. De rechtbank overweegt als volgt. 4.8. De juistheid van de stelling van [gedaagde] dat de vordering van de [eisers] tot beëindiging van het bezit in 1985 is verjaard, moet naar oud burgerlijk recht worden beoordeeld. De rechtbank merkt op dat de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast met betrekking tot het beroep op verjaring op [gedaagde] rusten. 4.9. Onder het oude burgerlijke recht had de eigenaar op grond van artikel 629 (oud) BW het recht de aan hem toebehorende zaak van iedere houder terug te vorderen. De rechtbank gaat er van uit dat [gedaagde], zoals hij heeft gesteld, na het aflopen van de huurovereenkomst steeds houder van het kantoor is gebleven. Weliswaar hebben de [eisers] de ingebruikname van het kantoor in 1955 door de vader van [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap betwist (dagvaarding, punt 12), maar voor zover daarmee bedoeld mocht zijn te weerspreken dat [gedaagde] na het eindigen van de huur¬overeenkomst steeds de feitelijke macht over het kantoor heeft behouden, acht de rechtbank deze betwisting onvoldoende gemotiveerd. 4.10. Tussen partijen is in geschil of (de vader van) [gedaagde] na het aflopen van de huurovereenkomst in 1955 behalve houder van het kantoor (ook) bezitter daarvan was. De [eisers] hebben het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is. Zij hebben zich beroepen op het – thans in artikel 3:111 BW vastgelegde, maar ook onder het oude recht geldende – interversie¬verbod. Volgens hen heeft (de vader van) [gedaagde] het kantoor ook na het eindigen van de huur¬overeenkomst steeds voor de [eisers] gehouden, zodat het interversieverbod er aan in de weg staat dat [gedaagde] als bezitter van het kantoor wordt aangemerkt. 4.11. Het interversieverbod was in het oude burgerlijke wetboek opgenomen in artikel 591 (oud) BW. Dit artikel luidt als volgt: ‘Art. 591. Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt men altijd verondersteld het bezit onder denzelfden titel voort te zetten, zoo niet het tegendeel bewezen is.’ Krachtens dit artikel wordt [gedaagde], die het kantoor oorspronkelijk krachtens huurovereenkomst voor de [eisers] hield, vermoed het kantoor steeds voor de [eisers] te hebben gehouden. Echter, door het eindigen van de huur¬overeenkomst in 1955, waarover tussen partijen geen geschil bestaat, kwam deze titel aan het houderschap van [gedaagde] te ontvallen. Het ‘tegendeel’ als bedoeld in artikel 591 (oud) BW staat daarmee in zoverre vast, dat er niet van kan worden uitgegaan dat (de vader van) [gedaagde] het kantoor krachtens de huurovereenkomst voor de [eisers] is blijven houden. 4.12. Het voorgaande brengt evenwel niet zonder meer met zich mee dat het beroep op het interversieverbod niet kan slagen. Indien immers zou moeten worden aangenomen dat het voortgezette gebruik van het kantoor door (de vader van) [gedaagde] berustte op (impliciete) toestemming van (de rechtsvoorganger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.