RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 12/4056 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 november 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Beperfect Clinics B.V., te Amstelveen, [naam verzoeker 2], te Amstelveen, verzoekers, gemachtigden: mr. R.P.F. van der Mark en mr. C. van Balen, en de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster, gemachtigde: mr. drs. J.J. Rijken. Procesverloop Bij besluit van 11 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerster verzoekers gezamenlijk een boete opgelegd van € [bedrag], omdat zij artikel 35, eerste lid, aanhef en onder d en e, en artikel 36, eerste lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) zouden hebben overtreden. In dit besluit is tevens bepaald dat het besluit zal worden gepubliceerd op de website van verweerster met uitzondering van eventuele bedrijfsvertrouwelijke gegevens (openbaarmaking). Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Voorts hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende zowel schorsing van het bestreden besluit als de door verweerster aangekondigde openbaarmaking van het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft - achter gesloten deuren - plaatsgevonden op 31 oktober
(2011)op dat moment nog niet (voor het gehele jaar) beschikbaar waren. Verweerster heeft geen schatting hoeven maken van de omzet over 2011, nu de gegevens over 2010 wel beschikbaar waren. Nu de netto-normomzet over 2010 € [bedrag], bedraagt, heeft verweerster op goede gronden een boetegrondslag van € [bedrag] kunnen vaststellen. 14.6 Verweerster heeft ter zake van de overtredingen in concreto de vermenigvuldiging met een [factor Y] - kort samengevat - gemotiveerd op het voordeel dat verzoekers hebben genoten door in strijd met de wet te handelen, het feit dat Beperfect door de onterechte declaraties aan consumenten en zorgverzekeraars financiële schade heeft berokkend, de overtredingen het publieke belang van beheersing van de kosten van de gezondheidszorg raken en de onterechte declaraties het vertrouwen, dat patiënten mogen hebben in de financiële integriteit van zorgaanbieders, ondermijnen. 14.7 Ten aanzien van de [factor Y] stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerster daarbij een genoten voordeel van € [bedrag] heeft betrokken. Daarbij is echter niet in aanmerking genomen dat verzoekers in het jaar 2009 wel kosten hebben gemaakt voor de inkoop van de beugels in het jaar 2009, zodat het voordeel aanzienlijk lager is dan verweerster als uitgangspunt neemt. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter valt niet uit te sluiten dat verweerster, indien zij hiermee rekening zou houden, de ernstfactor lager zal vaststellen, waardoor de boete ook lager uitvalt. 14.8 De motivering voor de ernstfactor van [Y] is gericht op de overtreding van artikel 35 van de Wmg, voor zover dat ziet op het declareren van onjuiste bedragen. De door verweerster geconstateerde en beboete overtreding van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wmg, ziet, blijkens overweging 136 van het bestreden besluit, echter niet op het declareren van onjuiste bedragen, maar op het niet inzichtelijk declareren. Daarmee is deze overtreding, zoals verweerster ook heeft geconstateerd, vergelijkbaar met de overtreding van artikel 36, dat ziet op het voeren van een inzichtelijke administratie. Een toereikende motivering van de ernstfactor [Y] voor deze laatste twee overtredingen is echter niet gegeven met hetgeen hiervoor onder 14.6 is weergegeven en ontbreekt aldus. 14.9 De voorzieningenrechter acht inzake de overtreding van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmg, in aanmerking nemende het werkelijk in 2009 genoten voordeel, een ernstfactor van 3 in ieder geval wel evenredig. Inzake de overtreding van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 36 van de Wmg gezamenlijk acht de voorzieningenrechter in ieder geval een ernstfactor van 1 wel evenredig. 14.10 Verweerster hanteert als hoofdregel dat zij bij het vaststellen van de hoogte van de boete niet verplicht is rekening te houden met de financiële positie van de onderneming. Alleen in een uitzonderingssituatie, te weten dat een aan de onderneming opgelegde boete haar faillissement waarschijnlijk maakt, dient verweerster daarmee op grond van het evenredigheidsbeginsel wel rekening te houden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aan verzoekers is om met controleerbare (financiële) bewijsstukken te komen. Met de verklaring van de accountant van 7 september 2012 is onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het opleggen van de boete het faillissement van verzoekers waarschijnlijk maakt. De inhoud van de overgelegde verklaring betreft immers met name de liquiditeitspositie van BePerfect ofwel de kortdurende verplichtingen van deze zorgaanbieder en daaruit volgt niet zonder meer dat de continuïteit van BePerfect in gevaar is. 14.11 Verzoekers betogen dat verweerster de boete ten onrechte niet aan [A en B] heeft opgelegd. Doordat zij de beweerdelijk (verboden) gedragingen hebben uitgedacht en uitgevoerd, dienen zij als overtreders te worden aangemerkt en had de boete in ieder geval aan hen moeten worden opgelegd. Dat mogelijk ook anderen als overtreder zouden kunnen worden aangemerkt, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat verweerster geen boete heeft kunnen opleggen aan verzoekers. 14.12 Hoewel het voorlopige rechtmatigheidsoordeel ertoe leidt dat het bestreden besluit niet volledig stand kan houden, acht de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond aanwezig het bestreden besluit in zijn geheel te schorsen, maar enkel voor zover de boete een bedrag van (4 x € [bedrag]) € [bedrag] overschrijdt. Publicatie besluit
- Ten aanzien van de openbaarmaking van het bestreden besluit volgt uit de vaste jurisprudentie dat een verzoek om voorlopige voorziening, inhoudende dat een opgelegde sanctie niet wordt gepubliceerd, wordt toegewezen als de sanctie ten onrechte is opgelegd, dan wel de hoogte van de boete in wanverhouding staat tot de onderliggende overtreding. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de overtredingen is overwogen, komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij afweging van de belangen van verweerster en verzoeksters, in beginsel aan het door verweerster gestelde belang bij openbaarmaking van het bestreden besluit, voor zover het de overtreding betreft, doorslaggevend gewicht toe.
- Gelet echter op het hiervoor onder 14.7 - 14.9 weergegeven voorlopige rechtmatigheidsoordeel over de hoogte van de opgelegde boete, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerster het bestreden besluit in de huidige vorm niet mag publiceren en dat het verzoek van verzoekers in zoverre dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding ten aanzien van de beslissing van verweerster om het bestreden besluit integraal te publiceren de voorlopige voorziening te treffen, dat, voor zover verweerster het bestreden besluit wenst te publiceren, zij daarbij de volgende passages onleesbaar dient te maken: - Overweging 184: het daarin genoemde bedrag; - Overweging 195: de aldaar vermelde vermenigvuldigingsfactor; - Overweging 207: de aldaar vermelde vermenigvuldigingsfactor en het boetebedrag; - Overweging 212: het boetebedrag.
- Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerster aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerster in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.748,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor
- Beslissing De voorzieningenrechter, - schorst het bestreden besluit voor zover de boete een bedrag van € [bedrag], overschrijdt, - wijst het verzoek om voorlopige voorziening ter zake van de publicatie toe, in die zin dat verweerster, indien zij het bestreden besluit wenst te publiceren, de passages zoals aangegeven onder 16 van deze uitspraak onleesbaar dient te maken, - wijst het verzoek van verzoekers voor het overige af, - bepaalt dat verweerster aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 310,- vergoedt, - veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 1.748,-, te betalen aan verzoekers. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.