vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 368540 / HA ZA 10-3646 Vonnis van 14 november 2012 in de zaak van [A], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van DIVISIE PROJECTS B.V., ex artikel 1:14 BW wonende te Rotterdam, eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. J.R. Hagendoorn, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1], gevestigd te Ridderkerk, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. M.J. Thöenes, 2. [gedaagde 2], wonende te Ridderkerk, gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. M.J. Thöenes, 3. [gedaagde 3], wonende te Ridderkerk, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. M.J. Thöenes, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 4], gevestigd te Hellevoetsluis, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. W.Th. van Dijk, 5. [gedaagde 5], wonende te Hellevoetsluis, gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. W.Th. van Dijk. Partijen zullen hierna worden aangeduid als de cur[gedaagde 3][gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en [gedaagde 5]. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagde 1 t/m 5] 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen d.d. 3 december 2010 en de door de curator in het geding gebrachte producties; - het herstelexploot d.d. 6 december 2010; - de conclusie van antwoord tevens provisionele vordering tot opheffing conservatoir beslag, tevens voorwaardelijke vordering in reconventie tot opheffing conservatoir beslag van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], met producties; - de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van [gedaagde 4] en [gedaagde 5], met producties; - de incidentele conclusie van antwoord, met producties; - het vonnis in incident d.d. 25 mei 2011, waarbij een comparitie van partijen in het incident is bepaald; - de brief namens [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] d.d. 4 juli 2011, met producties; - het proces-verbaal van de comparitie van partijen in het incident d.d. 18 juli 2011; - het vonnis in incident d.d. 17 augustus 2011, waarbij de provisionele vordering van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot opheffing van het door de curator gelegde beslag is afgewezen; - de conclusie van repliek tevens wijziging van (gronden van) eis, met producties; - de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], waarbij de voorwaardelijkheid van de reconventionele vordering is komen te vervallen; - de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie van [gedaagde 4] en [gedaagde 5]; - de conclusie van dupliek in (voorwaardelijke) reconventie; - de akte van de curator, met producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten in conventie en in reconventie Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast: 2.1. Divisie Projects B.V. (hierna: DP) is in 2001 opgericht. Haar activiteiten hebben bestaan uit het detacheren van technisch personeel voor met name projecten in de bouw en infrastructuur. [gedaagde 1] en [gedaagde 4] zijn de bestuurders en beiden zijn voor 50% aandeelhouder van DP. [gedaagde 5] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 4]. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn de aandeelhouders en bestuurders van [gedaagde 1]. 2.2. Divisie Projects Engineering B.V. (hierna: DPE) exploiteert een ingenieursbureau. DPE leende voor haar projecten technisch personeel in bij DP. De (mede) aandeelhouder en bestuurder van DPE is Divisie Holding B.V. (hierna: Divisie Holding). [gedaagde 1] en [gedaagde 4] zijn de aandeelhouders en bestuurders van Divisie Holding. 2.3. De omzet van DP in het jaar 2008 was € 9.200.723; de winst bedroeg € 505.138. 2.4. De algemene vergadering van aandeelhouders van DP heeft begin 2009 besloten tot uitkering van dividend. Op 30 september 2009 heeft DP in totaal voor € 104.400 aan dividend over 2008 uitgekeerd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 4]. Op 30 november 2009 heeft DP terzake wederom in totaal € 104.400 aan hen uitgekeerd. 2.5. Eind 2009 heeft DPE een opdracht gekregen van Detec International B.V. (hierna: Detec) voor werkzaamheden aan de zogenoemde fase 1 van het project dat wordt aangeduid als Project Jakarta. DPE heeft die werkzaamheden uitgevoerd met van DP ingehuurd personeel. 2.6. Na afronding van de werkzaamheden aan fase 1 van Project Jakarta heeft DPE haar werkzaamheden aan de volgende fase van dit project (fase 2) voortgezet met van DP ingehuurd personeel. 2.7. Op 24 december 2009 heeft DP aan DPE facturen voor een bedrag van € 73.150 verstuurd voor het aan DPE uitgeleende personeel voor werkzaamheden aan fase 2 van Project Jakarta. DPE heeft deze facturen niet aan DP voldaan. DPE heeft op haar beurt facturen verzonden aan Detec voor de werkzaamheden aan fase 2 van dit project. Detec heeft deze facturen niet aan DPE voldaan. 2.8. Begin 2010 heeft DP vier personeelsleden ter beschikking gesteld aan DPE. Deze personeelsleden hebben van DPE de instructie gekregen opdrachten voor haar te verwerven. DP heeft voor het uitlenen van deze personeelsleden € 314.240 gefactureerd aan DPE. DPE heeft deze facturen niet aan DP voldaan. 2.9. De omzet van DP in het jaar 2009 was € 7.731.526; het verlies bedroeg € 174.761. 2.10. In februari/maart 2010 heeft DP haar onderneming gereorganiseerd. 2.11. [gedaagde 1 t/m 5] hebben op 25 mei 2010 aan DP een lening verstrekt voor een totaal bedrag van € 200.000. 2.12. In juni/juli 2010 heeft een tweede reorganisatie binnen DP plaatsgevonden. 2.13. DPE heeft haar activiteiten in juni/juli 2010 gestaakt. 2.14. Op 19 oktober 2010 heeft deze rechtbank DP in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig. 2.15. Op 5 november 2010 heeft de curator conservatoir derdenbeslag ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 4] onder de coöperatieve Rabobank Rotterdam U.A. (hierna: de bank) laten leggen. 3. Het geschil in conventie 3.1. De curator vordert, na eiswijziging, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair ? te verklaren voor recht dat [gedaagde 1 t/m 5] hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dat die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van DP; en ? [gedaagde 1 t/m 5] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het totaal van de schulden in het faillissement van DP voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot daarop van € 500.000,--, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag; subsidiair ? te verklaren voor recht dat [gedaagde 1 t/m 5] hun taak onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW; en ? [gedaagde 1 t/m 5] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de schade die zij door hun onbehoorlijk bestuur hebben veroorzaakt, nader op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot op die schade van € 500.000,--, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag; meer subsidiair ? te verklaren voor recht dat [gedaagde 1 t/m 5] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van DP; en ? [gedaagde 1 t/m 5] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de schade die zij door hun onrechtmatige daad hebben veroorzaakt, nader op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot op die schade van € 500.000,--, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag; primair, subsidiair en meer subsidiair ? [gedaagde 1 t/m 5] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het onderhavige geding, alsmede in de nakosten, te weten € 131,-- in geval van niet betekenen van het vonnis en € 199,-- in geval van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de veroordeling is voldaan. 3.2. [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 2] enerzijds en [gedaagde 4] en [gedaagde 5] anderzijds voeren afzonderlijk verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding. in reconventie 3.3. [gedaagde 1 t/m 5] vorderen, na eiswijziging, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, opheffing van het conservatoir derdenbeslag dat de curator heeft doen leggen onder de bank, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding. [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 2] vorderen daarnaast de curator te veroordelen in de nakosten. 3.4. De curator voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde 1 t/m 5] in de kosten van het geding. 4. De beoordeling in conventie algemeen 4.1. De verweren van [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 2] enerzijds en die van [gedaagde 4] en [gedaagde 5] anderzijds zullen, hoewel afzonderlijk gevoerd, gezamenlijk worden behandeld nu zij inhoudelijk niet verschillen. artikel 2:11 BW 4.2. [gedaagde 3], [gedaagde 2] en [gedaagde 5] kunnen op grond van artikel 2:11 BW als middellijk bestuurder worden aangesproken, op de voorwaarde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 4] aansprakelijk zijn op grond van onbehoorlijk bestuur. De aansprakelijkheid van [gedaagde 3], [gedaagde 2] en [gedaagde 5] zal gezamenlijk met die van [gedaagde 1] en [gedaagde 4] worden besproken, zonder daarbij steeds de andere grondslag te noemen. de primaire vordering van de curator op [gedaagde 1 t/m 5] als de bestuurders van DP: artikel 2:248 BW 4.3. Ter ondersteuning van het eerste deel van de primair gevorderde verklaring voor recht - dat [gedaagde 1 t/m 5] hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW - heeft de curator ten eerste aangevoerd dat [gedaagde 1 t/m 5] niet hebben voldaan aan hun verplichtingen uit artikel 2:10 BW, de administratieplicht. De schending van de administratieplicht bestaat er volgens de curator uit dat de bestuurders de facturen voor fase 2 van Project Jakarta en de facturen voor de terbeschikkingstelling van vier personeelsleden begin 2010 aan DPE, zoals hiervoor genoemd onder 2.7 en 2.8, als omzet in de administratie hebben verantwoord en ter zake daarvan geen voorziening wegens oninbaarheid hebben getroffen. Volgens de curator was er door Detec aan DPE geen opdracht gegeven voor de uitvoering van fase 2 van Project Jakarta, zouden daarom de werkzaamheden van fase 2 nooit door Detec aan DPE worden betaald en zou DPE op haar beurt ook DP niet betalen voor het van haar ingeleende personeel. Ook voor de vervolgens begin 2010 door DP aan DPE uitgeleende vier medewerkers waren er geen opdrachten, zodat [gedaagde 1 t/m 5] wisten of behoorden te weten dat DPE DP daarvoor niet zou gaan betalen, aldus de curator. De curator stelt dat als gevolg daarvan de administratie niet de daadwerkelijke rechten en verplichtingen van DP weergeeft. 4.4. [gedaagde 1 t/m 5] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stellen een kwalitatief hoogwaardige administratie te hebben gevoerd, op basis waarvan de accountant van DP een samenstellingsverklaring heeft gegeven. [gedaagde 1 t/m 5] stellen voorts onder meer dat zij mochten verwachten dat DPE de (schriftelijke bevestiging van een mondelinge) opdracht van Detec zou krijgen en dat zij daarop vooruit zijn gelopen door al werk te laten uitvoeren; dat dat in hun branche gebruikelijk is en dat voorts lang niet altijd een schriftelijke bevestiging wordt gegeven voor een vervolgopdracht. Daarnaast beroepen zij zich op betalingstoezeggingen van Detec. Tenslotte stellen zij dat DP en DPE de vier vervolgens uitgeleende medewerkers nodig hadden voor het geval fase 2 zou zijn doorgegaan en zij deze vier dus niet konden ontslaan. Het was niet duidelijk dat de facturen later oninbaar zouden blijken te zijn en mogelijke oninbaarheid behoefde daarom niet in de administratie te worden verwerkt. 4.5. In deze procedure, waarin Detec geen partij is, staat niet vast of de opdracht voor fase 2 van Project Jakarta is gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de mogelijke vaststelling achteraf dat die opdracht niet is gegeven, althans niet schriftelijk is bevestigd, niet zonder meer mee dat [gedaagde 1 t/m 5] ten tijde van het uitlenen van medewerkers aan DPE ten behoeve van dat project DP kennelijk onbehoorlijk bestuurden door die uitlening te continueren maar mogelijke oninbaarheid niet administratief te verwerken. De beoordeling van de (on-)inbaarheid van vorderingen was afhankelijk van waardering en inschatting van vele omstandigheden. Er kan wel sprake zijn van een inschattingsfout, maar dat betekent niet dat [gedaagde 1 t/m 5] hun verplichtingen ex artikel 2:10 BW hebben geschonden door in de administratie niet op te nemen dat er sprake was van mogelijke oninbaarheid. Voor interne administratie, waarop artikel 2:10 BW betrekking heeft, gelden niet dezelfde eisen als voor een jaarrekening. In dit verband is ook van belang dat het niet duidelijk is op of met ingang van welke datum de facturen volgens de curator als oninbaar hadden moeten worden aangemerkt, terwijl de beoordeling van de oninbaarheid van vorderingen van dag tot dag anders kan zijn. Ook als de opdracht destijds nog niet was gegeven of bevestigd, moesten [gedaagde 1 t/m 5] hun inschattingen maken, met het risico dat de kosten achteraf niet zouden worden betaald. Bij die inschatting mocht meewegen dat [gedaagde 1 t/m 5] naar zij hebben gesteld, bij het doorgaan van het vervolg op fase 1 van Project Jakarta een opdracht van grote omvang zouden hebben gekregen, welke verwachting ook weer een positieve invloed heeft op de inschatting van de inbaarheid van de facturen voor fase 1. Voorts is niet gebleken dat het niet-aanmerken van de desbetreffende facturen als oninbaar in de weg heeft gestaan aan de mogelijkheid voor [gedaagde 1 t/m 5] als bestuurders om ieder moment inzicht te hebben in de vermogenspositie van DP, met name omdat zij zelf ook het bestuur van DPE vormden en daardoor ook zicht hadden op DPE en op de verhouding tussen DPE en Detec. Het niet-treffen van de bedoelde voorziening heeft dus niet geleid tot onvoldoende informatie om DP te kunnen besturen, noch was hierdoor de administratie dusdanig gebrekkig dat de oorzaak van het faillissement niet kon worden geanalyseerd. 4.6. [gedaagde 1 t/m 5] hebben dus niet - op de voet van lid 2 van artikel 2:248 BW - op grond van schending van de administratieplicht hun taak kennelijk onbehoorlijk vervuld en kennelijk onbehoorlijke taakvervulling wordt dan ook niet vermoed een belangrijke oorzaak te zijn van het faillissement. Vervolgens zal worden beoordeeld of [gedaagde 1 t/m 5] anderszins hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en zo ja of aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement, een en ander zoals bedoeld in lid 1 van artikel 2:248 BW. 4.7. Volgens de curator hebben [gedaagde 1 t/m 5] hun taak kennelijk onbehoorlijk vervuld door: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.