RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/2668 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 september 2012 in de zaak tussen [Eiser}, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 december 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een planschadevergoeding van € 8.800,- toegekend. Bij besluit van 26 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Weger. Ter zitting is de behandeling van de zaak aangehouden, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om nader aan te geven om welke reden het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel al dan niet kan slagen. Verweerder heeft op 28 februari 2012 en desgevraagd op 22 maart en 14 mei 2012 een aanvullende motivering dienaangaande doen toekomen. Eiser heeft telkenmale op onderscheidenlijk 5 maart, 2 april en 1 juni 2012 zijn zienswijze gegeven. Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting heeft de rechtbank op 16 juli 2012 het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Op grond van artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft de WRO van toepassing ten aanzien van planschadeverzoeken die vóór 1 juli 2008 zijn ingediend. Aangezien het onderhavige planschadeverzoek op 10 januari 2008 is ingediend, dient het planschadeverzoek volgens de tot 1 juli 2008 geldende wetgeving (WRO) te worden beoordeeld. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de WRO, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de voorschriften van een bestemmingsplan dan wel een besluit omtrent vrijstelling als bedoel in artikel 19 van de WRO, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Ingevolge artikel 49, tweede lid, van de WRO moet een aanvraag om vergoeding van de schade als gevolg van de voorschriften van een bestemmingsplan dan wel een besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO, worden ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan onderscheidenlijk het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden. 2. Op 10 januari 2008 heeft eiser, wonende aan [adres] te Rotterdam, met gebruikmaking van het door de gemeente Rotterdam verstrekte “Aanvraagformulier Planschadevergoeding”, bij verweerder een verzoek tot vergoeding van planschade ingediend. De woning van eiser betreft een geschakelde patiowoning met een plat dak. De woning bestaat uit één woonlaag op de begane grond en is voorzien van een voor- en achtertuin. Het verzoek houdt verband met het (onherroepelijke) besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente IJsselmonde van 24 juli 2007, waarbij bouwvergunning en vrijstelling op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO, zijn verleend voor het oprichten van drie gebouwen met ondergrondse parkeergarage op een perceel aan de [locatie] te Rotterdam. Eiser heeft daarbij een schadebedrag geclaimd van € 48.000,-. Dit omdat hij meent schade te lijden als gevolg van de bouw van een parkeergarage, parkeerdekken, kantoren, winkels en een woontoren van 80 meter op korte afstand van zijn woning. Daardoor zal de omgevingskwaliteit, waaronder die van de lucht, verslechteren, komt zijn woning meer en vaker in de schaduw te liggen en zal zijn privacy afnemen. De bouw komt in de plaats van 5500 m2 bosplantsoen en een grasveld met meer dan 160 bomen. 3. Verweerder heeft aan de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (JvO) opdracht gegeven om over het planschadeverzoek advies uit te brengen. In haar advies van 15 september 2010 heeft de JvO de planologische wijziging vastgesteld en de planologische regimes vergeleken. Als gevolg van de planologische wijziging konden drie bouwblokken worden gerealiseerd. Bouwblok I heeft betrekking op een gebouw met vier bouwlagen en een maximale hoogte van ongeveer 15,5 meter (met dakopbouw). Het gebouw heeft een kantoor- en parkeerfunctie en zal onderdak bieden aan een cultuurcentrum. Gemeten vanaf de zuidelijke hoek van de westgevel van de woning van eiser bedraagt de afstand tot de noordgevel ongeveer 29 meter. Bouwblok II ziet op een toren met 27 verdiepingen met een cultuurcentrum, kantoren en een parkeergarage in de onderbouw. Het gebouw heeft een maximale hoogte van ongeveer 85 meter (met dakopbouw). De onderbouw heeft een maximale hoogte van ongeveer 17 meter en een maximale gevellengte van ongeveer 60 meter. De toren is ongeveer 30 meter lang en ongeveer 25 meter breed en heeft een ondergrondse parkeergarage. Gemeten vanaf de zuidelijke hoek van de oostgevel van de woning van eiser, bedraagt de afstand tot de westgevel van de toren ongeveer 85 meter. Nu de aanwezigheid van bouwblok I met zich brengt dat de bebouwing van bouwblok III, uitgaande van de zichtlijnen vanaf het perceel van eiser, niet of nagenoeg niet zichtbaar zal zijn, en mede gelet op de afstand tussen de woning van eiser en bouwblok III (ongeveer 135 meter) is bouwblok III niet van belang voor de planologische vergelijking. 3.1 De planologische verandering bestaat uit het realiseren van de bouwblokken I en II op gronden met bestemmingen, waarop voorheen slechts in beperkte mate bebouwing kon worden opgericht. Het uitzicht van eiser over de gronden met de nieuwe bebouwing kon op grond van het voorheen geldende planologische regime niet of nauwelijks beperkt worden. De thans toegelaten bebouwing heeft grotere afmetingen, waardoor het uitzicht vanaf het perceel van eiser in zuidelijke en zuidoostelijke richting is verslechterd. Er heeft zich een wijziging voorgedaan van een relatief extensief gebruik (recreatie, openbaar nut) naar een intensief gebruik ten behoeve van bebouwing (wonen, kantoren, winkels en parkeren). 3.2 Bij de beoordeling van mogelijke schadefactoren stelt de JvO vast dat van een in het kader van de planvergelijking betekenisvolle verslechtering van de luchtkwaliteit niet is gebleken, en dat het niet aannemelijk is dat de toekomstige verkeersbelasting zodanig van aard en omvang zal zijn dat deze in vergelijking met de voorgaande planologische situatie tot een planologische verslechtering voor eiser met een daaraan gekoppelde waardevermindering van zijn woning zal leiden. Gelet hierop acht de JvO het niet aannemelijk dat voor eisers woning sprake is van een relevante afname van de situeringswaarde. Wel concludeert de JvO dat het vrijstellingsbesluit van 24 juli 2007 - met betrekking tot de schadefactoren uitzicht, inkijk (privacy) en bezonning - het woon- en leefklimaat in en rondom eisers woning op zodanige wijze verandert, dat er sprake is van een planologische verslechtering. 3.3 Met betrekking tot de omvang van de planologische verslechtering geldt, aldus de JvO, als uitgangspunt dat het vrijstellingsbesluit gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden mogelijk heeft gemaakt, die in het voormalige planologische regime niet mogelijk waren. [het gebouw] wordt op een afstand van ongeveer 85 meter van de woning van eiser opgericht. Ondanks deze afstand is voldoende aannemelijk dat het gebouw door zijn hoogte en omvang de onmiddellijke omgeving, waaronder de woningen aan de [straatnaam], zal domineren. [het gebouw] wordt gekenmerkt door meerdere appartementen per woonlaag, waarbij het meerendeel van deze appartementen hoger is gelegen dan de woning van eiser. De hoogte en omvang van het gebouw laten er geen twijfel over bestaan dat ook bij een dergelijke afstand sprake zal zijn van enige inkijk in de woning en tuin van eiser, met de daarbij behorende aantasting van de privacy. Uit de zichtlijnen vanuit eisers woning volgt dat het beeld vanuit de woning en tuin slechts gedeeltelijk door [het gebouw] wordt opgevuld en dat [het gebouw] beperkte gevolgen heeft voor de bezonning van eisers perceel, nu uit de bezonningstekeningen volgt dat de schaduw beperkt is tot enkele uren per dag. Daarnaast bevindt eisers woning zich in een gedeelte van de gemeente Rotterdam met een grootstedelijk karakter en reeds bestaande hoogbouw. Eisers woning bevindt zich daarnaast op een afstand van bijna 30 meter van bouwblok I. Ondanks deze afstand en de beperkte hoogte van dit gebouw is aannemelijk dat eiser van dit gebouw enig uitzichtverlies en enige inkijk zal ondervinden. 3.4 De JvO is van mening dat de planologische verslechtering voor eiser tot een vorm van middelzware planschade in de range tot 6% valt. De waardevermindering van eisers woning stelt de JvO vast op € 8.800,- (4% van de taxatiewaarde van € 220.000,-). De gevolgen van de hiervoor genoemde schadefactoren geven geen reden om de planschade in de bovenkant van de range onder te brengen. Voorts is rekening gehouden met courantheid van het object, de onderhoudstoestand en op de relevante in- en externe omgevings- en kwaliteitsfactoren. De verwijzing van eiser naar de planschadezaken in de wijk Nesselande en de deelgemeente Pernis, kan niet opgaan nu deze kwesties in het geheel niet vergelijkbaar zijn met diens situatie, zodat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. 4. Verweerder heeft bij het primaire besluit overeenkomstig het voornoemde advies aan eiser een planschadevergoeding toegekend van € 8.800,-. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de JvO voldoende duidelijk heeft gemaakt welke schadefactoren zij heeft beoordeeld en gewogen, hetgeen leidt tot een middelzware planschade. Er bestaat volgens verweerder geen grond voor het oordeel dat die kwalificatie niet juist zal zijn. Ditzelfde geldt voor het vastgestelde percentage van 4%. Evenmin bestaat er bij verweerder twijfel aan de juistheid van de taxatie en heeft hij vastgesteld dat de JvO bij haar advies rekening heeft gehouden met de opmerkingen van eiser ten aanzien van het concept. Dat dit niet tot het door eiser gewenste resultaat heeft geleid kan er niet aan afdoen. Ook wordt in het advies van de JvO voldoende ingegaan op de vraag waarom eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. 5. In beroep voert eiser aan het toegekende schadebedrag te laag te vinden. Hij meent dat de waarde van zijn woning als gevolg van de bouw van een winkelcentrum en een woontoren met een parkeergarage met meer dan € 8.800,- is gedaald. Voor het overige heeft hij verwezen naar hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd. Kort samengevat komt dit erop neer dat het advies van de JvO niet zorgvuldig tot stand is gekomen, de gevolgen van de nieuwbouw zijn onderschat en het gelijkheidsbeginsel niet juist is toegepast. Voorts is er meer overlast dan voorheen en is er sprake van een minder goede leefomgeving als gevolg van de toename van verkeer (uitstoot van fijnstof en geluidhinder). 6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 20 oktober 2010 LJN: BO1138, dat, indien uit het advies van een door verweerder benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk zijn, verweerder bij het nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. 6.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de JvO op juiste wijze zowel de planologische wijziging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.