vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/441344 / KG ZA 13-1424 Uitwerking vonnis d.d. 14 januari 2014 van het (verkort) vonnis in kort geding van 31 december 2013 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PROCTER & GAMBLE NEDERLAND B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. de vennootschap naar vreemd recht PROCTER & GAMBLE DISTRIBUTION COMPANY (EUROPE) BVBA, gevestigd en kantoorhoudende te Strombeek-Bever (Grimbergen), België, 3. de vennootschap naar vreemd recht PROCTER & GAMBLE INTERNATIONAL OPERATIONS S.A., gevestigd en kantoorhoudende te Genève, Zwitserland, 4. de vennootschap naar vreemd recht THE PROCTER & GAMBLE COMPANY, gevestigd en kantoorhoudende te Cincinnati, Ohio, Verenigde Staten van Amerika, eiseressen, advocaat mr. W.A. Hoyng te Amsterdam, tegen de naamloze vennootschap UNILEVER N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. R.E. Ebbink te Amsterdam. Eiseressen zullen hierna gezamenlijk - in vrouwelijk enkelvoud - worden aangeduid als P&G c.s. en - voor zover aan de orde - afzonderlijk als P&G NL, P&G Distribution, P&G International en P&G US. Gedaagde zal hierna worden aangeduid als Unilever. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding d.d. 24 december 2013 akte overlegging producties 1 tot en met 11, van P&G c.s. het faxbericht van 24 december 2013 te 09.31 uur, van Unilever akte overlegging producties 1 tot en met 4, van Unilever de mondelinge behandeling op 31 december 2013 te 11.00 uur de pleitnota van P&G c.s. de pleitnota van Unilever. 1.2. Op 31 december 2013 is halverwege de middag verkort vonnis gewezen. Het onderhavige vonnis is een uitwerking daarvan. 2De feiten 2.1. In een tussen Unilever als eiseres en P&G c.s. als gedaagden gewezen vonnis van 19 december 2013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (zaaknummer C/09/450326 / KG ZA 13-1038) is, voor zover thans relevant, het volgende overwogen en beslist: “1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: (…) - de ter zitting gehanteerde pleitnotities van beide partijen, met in de pleitnota van Unilever doorgehaald paragrafen 98 tot en met 114 en het tweede deel (vanaf de tekst “D13 in combinatie met FR 266349) van paragraaf 126, welke niet zijn gepleit. In de pleitnota van P&G zijn doorgehaald de paragrafen 24 (vanaf “B” op p. 11) tot en met 35, 41 onder b, 71 tot en met 87, welke niet zijn gepleit. Ten aanzien van de paragrafen 89 tot en met 113 zij vermeld dat die zodanig geparafraseerd zijn behandeld, dat alleen van paragraaf 112 vaststaat dat die is gepleit. De paragrafen 89 tot en met 111 en paragraaf 113 worden ook doorgehaald. (…) 4. De beoordeling (…) serieuze, niet te verwaarlozen kans dat EP 172 nietig wordt bevonden of wordt herroepen? 4.15. P&G heeft een belangrijk deel van haar pijlen in dit kort geding gericht op de geldigheid van het octrooi. Zij meent dat het (Nederlandse deel van het) octrooi nietig is wegens toegevoegde materie, uitbreiding van beschermingsomvang na verlening, niet-nieuwheid en gebrek aan inventiviteit. 4.16. Vooropgesteld zij dat de in dit kort geding te hanteren maatstaf hierin bestaat of er een serieuze, niet te verwaarlozen kans aanwezig is dat (het Nederlandse deel van) EP 172 in de reeds aanhangige bodemprocedure bij deze rechtbank nietig wordt bevonden of door de Technische Kamer van Beroep van het EOB in de appel procedure wordt herroepen. Bij de beoordeling daarvan wordt van gewicht geacht dat de Oppositie Afdeling bij beslissing van 27 juni 2012 het octrooi, in enigszins gewijzigde vorm, in stand heeft gelaten. (…) prioriteit 4.20. In het midden kan blijven of EP 172 terecht een beroep doet op voorrang vanaf 17 maart 1999. Ook als dat niet het geval zou zijn en uitgegaan wordt van 29 februari 2000 (datum van indiening oorspronkelijke aanvrage) als eerste datum, komt er namelijk - zoals hierna zal blijken - geen aanvullende prior art in beeld (waarvan gemotiveerd gesteld is dat) die de nieuwheid of inventiviteit van het Nederlandse deel van het octrooi aantast. gebrek aan nieuwheid (…) 4.25. Andere niet-nieuwheidsargumenten zijn niet of onvoldoende gemotiveerd bepleit, reden waarom EP 172 voorshands nieuw moet worden geacht. (…) 5. De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. verbiedt P&G NL, P&G Distribution en P&G International ieder voor zich binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis in Nederland inbreuk te maken op EP 172, meer in het bijzonder door het verkopen en afleveren, en het aanbieden, importeren en in voorraad houden voor deze doeleinden, van Ariel 3-in-1 Pods en Ariel 3-in-1 Pods Colour & Style; 5.2. bepaalt dat P&G NL, P&G Distribution en P&G International een dwangsom verbeuren van € 5.000,00 per product waarmee, dan wel € 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat - zulks ter keuze van Unilever - de betreffende gedaagde het onder 5.1. gegeven verbod overtreedt, tot een maximum van € 2.500.000,00; 5.3. beveelt P&G NL, P&G Distribution en P&G International ieder voor zich binnen zeven werkdagen na de betekening van dit vonnis al hun professionele afnemers in Nederland van Ariel 3-in-1 Pods en Ariel 3-in-1 Pods Colour & Style schriftelijk, met een kopie aan de advocaten van Unilever, te verzoeken alle relevante inbreukmakende producten welke de betrokken afnemers nog op voorraad hebben en alle bijbehorende marketingmaterialen die gedaagden aan hen hebben geleverd, terug te sturen aan de betrokken gedaagden; 5.4. bepaalt dat P&G NL, P&G Distribution en P&G International een dwangsom verbeuren van € 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat - zulks ter keuze van Unilever - de betreffende gedaagde niet volledig aan het onder 5.3. gegeven bevel voldoet, tot een maximum van € 2.500.000,00; 5.5. veroordeelt P&G in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Unilever begroot op € 250.000,00; 5.6. bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na dagtekening van dit vonnis; 5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.8. wijst af wat meer of anders is gevorderd.” 2.2. Het vonnis van 19 december 2013 is op 20 december 2013 door Unilever betekend. 2.3. P&G c.s. heeft het hof Den Haag op 20 december 2013 verzocht om een turbo spoedappel en om, ingevolge artikel 351 Rv, de tenuitvoerlegging van het vonnis van 19 december 2013 te schorsen. Het hof heeft beschikt dat P&G c.s. tegen 31 december 2013 mag dagvaarden met grieven, dat Unilever op 14 januari 2014 moet antwoorden en dat pleidooi op 30 januari 2014 plaatsvindt, terwijl behandeling van de incidentele vordering alleen samen en tegelijkertijd met het appel zal plaatsvinden. 3Het geschil 3.1. P&G c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Provisionele vordering Indien de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding niet uiterlijk op 27 december 2013 kan plaatsvinden en/of de voorzieningenrechter niet uiterlijk op die dag (evt. mondeling) vonnis kan wijzen: de executie van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag onder zaaknummer / rolnummer C/09/450326 / KG ZA 13-1038, uitgesproken op 19 december 2013, te schorsen, welke schorsing zal gelden voor de duur van het onderhavige kort geding en in ieder geval tot het moment dat de voorzieningenrechter in het onderhavige kort geding uitspraak heeft gedaan over de vorderingen van P&G c.s. in het onderhavige kort geding “in de hoofdzaak”, Unilever te veroordelen in de kosten van het geding met betrekking tot de provisionele vordering met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 1019h Rv, Hoofdzaak de executie van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag onder zaaknummer / rolnummer C/09/450326 / KG ZA 13-1038, uitgesproken op 19 december 2013, te schorsen totdat het hof Den Haag in het hoger beroep dat door P&G c.s. is ingesteld (rol-/zaaknummer 200139208) arrest zal hebben gewezen, Unilever te veroordelen in de kosten van het geding met betrekking tot de provisionele vordering [de voorzieningenrechter leest: de vordering in de hoofdzaak] met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 1019h Rv. 3.2. Unilever voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling In de hoofdzaak Spoedeisend belang 4.1. Het spoedeisend belang van P&G c.s. bij haar vordering volgt reeds uit de aard van die vordering en is bovendien door Unilever niet betwist. Toetsingskader 4.2. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Materiële geschilpunten 4.3. Het aan het vonnis van 19 december 2013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag ten grondslag liggende geschil betreft een octrooigeschil. Kort weergegeven heeft de voorzieningenrechter in dat vonnis geoordeeld dat (een aantal van) P&G c.s. door het in het voorjaar van 2013 in Europa op de markt brengen van het vloeibare wasmiddel in water oplosbare capsules met drie vloeistofcompartimenten genaamd Ariel 3-in-1 Pods (Colour & Style) (hierna: de Ariel Pods) inbreuk maakt op het Europese octrooi EP 1 361 172 (hierna: EP 172) van (o.a.) Unilever op ‘Water soluble package’, verleend op een aanvrage van 29 februari 2000, met een beroep op een prioriteitsdocument GB 9906175 van 17 maart 1999. Het Nederlandse deel van EP 172 staat op naam van Unilever. (Een aantal van) P&G c.s. is in het vonnis van 19 december 2013 op straffe van een dwangsom verboden inbreuk te maken op het octrooirecht EP 172 van Unilever en voorts bevolen om tot een recall van de Ariel Pods over te gaan. 4.4. In het onderhavige executiegeschil stelt P&G c.s. in de inleidende dagvaarding dat het vonnis van 19 december 2013 op een feitelijke en/of juridische misslag berust, nu de voorzieningenrechter daarin ten onrechte meerdere van haar verweren volledig onbesproken heeft gelaten. Als de voorzieningenrechter deze weren wel had meegenomen in zijn beoordeling was tot een voor P&G c.s. positieve uitkomst van het kort geding gekomen, aldus P&G c.s. De voorzieningenrechter leest in de dagvaarding dat het alomvattend gaat om één verweer dat ten onrechte niet behandeld zou zijn. Dat verweer houdt samengevat in dat het octrooi EP 172 nietig is wegens gebrek aan nieuwheid. EP 172 zou geen beroep op prioriteit toekomen, waardoor de moederaanvrage de nieuwheid van het octrooi zou wegnemen. P&G c.s. verwijst in dat verband uitdrukkelijk naar paragraaf 7 van de conclusie van antwoord ingediend in het eerdere kort geding (thans door P&G c.s. als productie 5 overgelegd), waarin de inhoud van (o.a. paragrafen 33 tot en met 46 van) de concept nietigheidsdagvaarding (thans door P&G c.s. als productie 6 overgelegd) als overgenomen en ingelast wordt beschouwd, en waarop Unilever bij conclusie van repliek en pleidooi heeft gereageerd, aldus P&G c.s. Zij verwijst voorts naar de ter zitting in het eerdere kort geding gehanteerde paragrafen 24 (vanaf “B” op p. 11) tot en met 35 van de pleitnotities (thans door P&G c.s. als productie 7 overgelegd). 4.5. In dit kort geding heeft P&G c.s. ter zitting van 31 december 2013, naar de voorzieningenrechter heeft begrepen, de grondslag van haar vordering op het punt van de nietigheid wegens gebrek aan nieuwheid (impliciet) willen aanvullen met feiten en/of omstandigheden die op het eerste gezicht niet aan te merken zijn als ten opzichte van het vonnis van 19 december 2013 opgetreden nova, maar als in het eerdere kort geding gewoonweg niet aan de orde gekomen zijnde feiten en/of omstandigheden. Als een novum heeft in elk geval niet te gelden dat in appel pleidooi is bepaald op 30 januari 2014. P&G c.s. heeft zich ook pas ter zitting beroepen op, zo leest de voorzieningenrechter de woorden van P&G c.s. onder randnummer 48 van haar pleitnotities, een noodtoestand aan haar zijde als hiervoor bedoeld onder 4.2, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet zou kunnen worden aanvaard, en anderszins op misbruik van bevoegdheid/recht (in het kader van een belangenafweging) aan de zijde van Unilever. Deze pas in een laat stadium van dit kort geding opgeworpen stellingen, welke, gelet op de toets die in een executiegeschil pleegt te worden aangelegd, reeds in de dagvaarding (uitgebreider) aan de orde hadden moeten en kunnen worden gesteld, heeft P&G c.s. evenwel niet geconcretiseerd en met stukken onderbouwd, terwijl Unilever zich daartegen heeft verweerd. De voorzieningenrechter zal deze stellingen van P&G c.s. dan ook passeren. 4.6. Ter beoordeling ligt mitsdien enkel voor de vraag of sprake is van een juridische of (en niet (ook):
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.